zaterdag 28 juli 2012

De Levinas van de verplichtingen


Nu was het Rick Jacobs die, wat mij betreft, in de fout ging. Rabbi Rick Jacobs is de nieuwe president van de Union for Reform Judaism, de Amerikaanse Reform beweging. Hij hield op 9 juni zijn installatierede en benadrukte daarin dat – anders dan het vooroordeel vaak luidt – ook het Reform Jodendom zijn mitswot, dat wil zeggen: zijn verplichtingen kent.

Met die opmerking lijkt me niets mis, maar het stoort mij dat Jacobs ter onderbouwing van die uitspraak mijn favoriete filosoof Levinas erbij haalt. Hij zegt: “The Jewish philosopher Emmanuel Levinas taught that we come into the world already obligated by the mere gaze of the other, a gaze that demands a response from us. By this, Levinas means that relationships always come with obligations”.

Hier wordt Levinas, zoals zo vaak, opgevoerd als moralist, als filosoof van de plichtethiek. En dat is doodzonde, want als je het sprankelende van zijn werk eruit wilt halen dan moet je het zo doen. Levinas als ons eigentijdse geheven vingertje.

Terwijl er alle ruimte is om Levinas in een ander licht te zien. Je kunt hem ook lezen als een filosoof die niet zozeer voorschrijft als wel beschrijft. Hij levert namelijk beschrijvingen van het verschijnsel dat wij, midden in het legitieme op ons zelf gerichte bestaan, ons zomaar plotseling verantwoordelijk kunnen voelen voor een ander. Verrassend genoeg.

Als je Levinas zo leest dan valt nog iets anders op, namelijk dat hij breekt met een onder filosofen gebruikelijke opvatting van de wereld als opgebouwd uit diverse lagen waarvan een aantal meer fundamenteel zijn en een aantal meer oppervlakkig, met alle hiërarchie die daarbij hoort. Als het zo is dat egoïsme en altruïsme elkaar op volstrekt onvoorspelbare manier kunnen afwisselen, dan is er van zo’n hiërarchisch en gestructureerd bouwwerk geen sprake meer.

Maar dan kun je dus ook niet meer, zoals Jacobs doet, spreken van een “altijd al voorafgaande” morele verplichting of van relaties die “altijd” gepaard gaan met verplichtingen, alsof er een voorgegeven systeem van eeuwige waarheden zou zijn. Dat doet geen recht aan de verrassingen en de volstrekt transcendente blikseminslagen waar het Levinas mijns inziens primair om gaat.

Zie ook Levinas en egoïsme

vrijdag 20 juli 2012

Rome, Mekka en Halsteren
















Het is allemaal al een keer eerder vertoond, het neerzetten van aan de omgeving vreemde bedehuizen. Waar wij soms opkijken van moskeeën met minaretten tussen de doorzonwoningen, moeten mensen vroeger ook overrompeld zijn geweest.

Bijvoorbeeld Protestanten door de hausse aan nieuwe Katholieke kerken die rondom 1900 gebouwd werden. Zie op bijgaande foto (links) maar eens wat voor Fremdkörper er in 1913 werd neergezet in het Katholieke dorp Halsteren, waar ik ben opgegroeid. Een soort basiliek in een mengeling van Byzantijns- en Romaansachtige neostijlen tussen de eenvoudige huizen die tot dan toe het dorp vulden. Dit in het kader van het Katholieke offensief dat in Nederland na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 alle ruimte kreeg.

Hier betreft het dan nog een Katholiek dorp. Maar even verderop lag het Protestantse Tholen en de rest van Zeeland. Voor de Nederlanders daar moet het behoorlijk schokkend geweest zijn om overal in Brabant dergelijke monumentale Katholieke kerkgebouwen te zien verrijzen. Komend van over het water uit het Westen had de Tholenaar nu niet alleen meer de Brabantse Wal te beklimmen. Hij moest ook in het reine komen met het aanzicht van de nieuwe kerken die als fortificaties prominent op de wal werden neergezet (foto rechts).

Zie ook Een klas met twee derde MoslimsRegeren met de PVV en Bestemming bereikt

vrijdag 13 juli 2012

Ook hier is (ontoereikend) over nagedacht


Hoe komt iemand erbij om van godsdienst te veranderen, laat staan om Joods te worden? Ik moest me wel aangesproken voelen toen ik bij Norman Solomon las dat je zo’n keuze nooit kunt maken op basis van rationele overwegingen. Want je zou dan eerst alle religies moeten leren kennen en tegen elkaar af kunnen wegen en daarvoor is een mensenleven simpelweg te kort.

Bovendien, zegt hij, georganiseerde religie is een sociaal fenomeen, geen intellectuele exercitie. “Er is een gevoel van kameraadschap, van gedeelde geschiedenis, taal en gewoonten, een ruimte waarin het individu stabiliteit kan vinden, hetzij op zichzelf of in gezelschap met gelijkgezinde mensen, in een onzekere wereld”.

Met andere woorden: uitkomen omdat je via een huwelijk de gemeenschap binnenkomt is nog te begrijpen, maar claimen dat er intellectuele overwegingen in het spel zijn is zelfbedrog.

Toch denk ik dat bij mijn keuze voor de Joodse traditie intellectuele redenen wél een doorslaggevende rol hebben gespeeld.

Want ook al ben ik het met iedereen eens die zegt dat gevoelsmatige redenen de boventoon voeren, ik ben wel degelijk afgekomen op een soort intellectualisme: de – voor mijn part illusoire – plicht van mensen tot zelf nadenken. En tegelijkertijd op het besef van de ontoereikendheid ervan. Beide worden in de Joodse traditie meer dan elders hoog gehouden.

Een illustratie van hoe het elders is – dus van de tendens om het zelf nadenken op het tweede plan te zetten – vind ik in een rede van de Christelijke kerkvader Origenes. Deze leefde in het begin van de derde eeuw, toen het Romeinse rijk een grote variëteit aan filosofische scholen en religieuze secten herbergde. Hoe moesten de mensen kiezen tussen al die lifestyles?

Origenes stelt terecht vast dat de meeste mensen niet de tijd en de capaciteiten hebben voor een systematische beoordeling van het gehele aanbod van levensbeschouwingen. En dan vervolgt hij: “Nu er zoveel over geloof gesproken wordt is mijn antwoord dat ik het geloof zie als nuttig voor de massa en dat ik diegenen train om te geloven zonder erover na te denken die niet al hun tijd kunnen besteden aan rationele bewijsvoering”.

In de kiem is hier al terug te vinden wat mij tegen staat in zoveel godsdiensten: ze hebben in hun ordendrift de neiging om schaamteloos te denken voor anderen. Nu doen rabbijnen dat ook, maar ik vind ze net wat terughoudender. Ze zullen niet gauw over “de massa” praten en zolang als het kan het disputeren voortzetten en daarmee hun publiek serieus nemen.

Bovendien: Origenes gaat niet écht in op het probleem van de ontoereikende rede. Hij noemt die wel, maar dat is toch vooral het probleem van anderen. Zichzelf rekent hij tot de welgeïnformeerde elite die kennis heeft van de juiste doctrines en vanuit die positie is de ontoereikendheid van de rede ineens veel minder problematisch: de waarheid komt dan binnen handbereik. Het Rooms-Katholieke model ten voeten uit.

Bij de rabbijnen lijkt de ontoereikendheid van de rede iets zwaarder te wegen. Want naast de vraag hoe wij met gebruik van de rede de wereld enigszins kunnen ordenen is er deep down een tweede vraag te horen: wat betekent het dat wij niet geheel rationele wezens zijn? Of, om het gechargeerd te zeggen: hoe moeten wij, al ordenend, omgaan met de raarheid van onszelf en van onze medemensen? Raarheid in die zin dat geen mens in eenzelfde overkoepelende rationele orde te vatten is, en dat ieder mens daar op zijn eigen manier uitspringt. Deze preoccupatie met de onbestaanbaarheid van een sluitend rationeel betoog is af te lezen aan de gewoonte in de Misjna en de Talmoed om afwijkende meningen niet uit de boeken te schrijven maar vast te houden. Dat is bijzonder.

Deze relativering van het rationele discours voegt zich bij de voorzichtigheid in het denken voor anderen. En dat spreekt mij wel aan, levend in een democratische en individualistische samenleving waarin inkapselende top-down communicatie niet meer werkt en mensen pas gedijen als ze zich serieus genomen voelen.

Er is dus wel over nagedacht.

Zie ook Geen garantie en Benedictus XVI denkt voor u

vrijdag 6 juli 2012

Kunnen wij het CDA wel missen?


Ik stem geen CDA, laat dat duidelijk zijn. Maar toch bespeur ik bij mezelf enig ongemak bij de gedachte dat die grote Christen-democratische politieke stroming in Nederland aan het verdwijnen is. Want staat de Nederlandse Christen-democratie niet voor meer dan een eeuw van degelijke politiek, welvaartsopbouw en omgang met levensbeschouwelijkheid die ons land bepaald ook veel gebracht hebben. De wijsheid van bestuurlijke ervaring, gedrenkt in consensusdenken, vind ik regelmatig een verademing ten opzichte van geschreeuw ter linker- en ter rechterzijde.

Kunnen wij dat wel missen?

Sommigen zijn ervan overtuigd dat we dat niet kunnen missen. Zij vinden niet alleen dat een op het Christendom gebaseerde politieke stroming noodzakelijk is, maar ook nog dat alleen een orthodox-Christelijke basis de samenleving kan borgen. James Kennedy haalt in dit verband Ross Douthat aan die beweert dat de inbreng van orthodoxe geloofsgemeenschappen noodzakelijk is om maatschappelijke excessen te voorkomen. ‘Ketters’ ondermijnen de samenleving.

En de Nederlanders Bart Spruyt en Andreas Kinneging stemmen in met de gedachte dat Ietsisten (niet-orthodoxe gelovigen) de maatschappij ontwrichten doordat ze niet ingebed zijn in historische kaders en Christelijke tradities en zich zo te veel kunnen laten meeslepen door hun eigen wensen en begeerten.

Zelf houd ik niet zo van deze cultuurpessimistische opvattingen die graag de ketterse menselijke neigingen tot uitgangspunt nemen en het basisvertrouwen in de democratie als fatsoenlijk maatschappelijk systeem lijken te missen.

Ik sta dichter bij de opvatting van Piet-Hein Donner. Die meent dat de seculiere samenleving zoals wij die hebben opgebouwd sinds de Tweede Wereld Oorlog onvoldoende antwoord geeft op levensbeschouwelijke onrust in de wereld. Met name stem ik in met zijn observatie dat een deugdelijke levensbeschouwing helpt om een politiek systeem als democratie goed te laten functioneren.

Maar als je dat vindt dan is de Christen-democratie eerder onderdeel van het probleem dan van de oplossing. Want de Christelijke levensbeschouwing is, ook blijkens de observatie van Donner, onvoldoende geloofwaardig gebleken.

Wat dat betreft is de figuur van Ruud Lubbers wel illustratief voor de ontoereikendheid van die levensbeschouwelijke oriëntatie. Het is bijna aandoenlijk om te zien hoe Lubbers worstelt met de dualistische spagaat in het hart van het Christendom, het gebrek aan verbinding daarin tussen het beest in onszelf en ons betere ik.

Tot zijn pensioengerechtigde leeftijd had Lubbers geen probleem met het machtsbeest dat in hem huisde. Integendeel, het bracht hem (meestal) veel succes en plezier. Sinds zijn pensionering zien wij Lubbers druk met heel andere dingen: duurzaamheid, mededogen, vrede. Als een dolende ridder lijkt hij erop uit om vooral goed te doen. De indruk die overblijft als je het totaal overziet is er een van volledig van elkaar losstaande werelden.

Ik vermoed dat dit dualisme, deze disconnectedness van strevingen, diep in de Christelijke levensbeschouwing verankerd zit en die levensbeschouwing uiteindelijk ongeloofwaardig maakt. Dat breekt het CDA nu op.

Is dat jammer? Wel vanwege de grote bestuurlijke en politieke know how die verdwijnt. Niet om levensbeschouwelijke redenen, want op dat terrein rammelt de zaak.

Zie ook Bos Balkenende en Calvijn en Ook hier is (ontoereikend) over nagedacht

vrijdag 29 juni 2012

Monotheïsme en concentratie


De filosoof Ad Verbrugge sprak laatst over de versnippering van onze aandacht als gevolg van de virtualisering van ons leven. Hij slaat de Wii-games en computerspelletjes van zijn zoontje gade en koppelt dat aan de geestelijke fragmentatie en rusteloosheid die hij in de samenleving waarneemt. “Kijk naar het zappen, naar het copy-pasten van flarden tekst; ons vermogen tot concentratie neemt af en daarmee de kwaliteit van levensuitingen”.

Dit klinkt al gauw als een moralistisch praatje van een man van middelbare leeftijd over de jeugd van tegenwoordig. Behalve dan dat Verbrugge aangeeft dat hij het zelf ook leuk vindt om met zijn zoontje een potje te Wii-en.

Los daarvan ben ik het wel met hem eens: concentratie is gewoon ook iets heel prettigs. En virtualiteit heeft iets onbevredigends: het is niet echt, alsof je kunt geloven wat je zelf wilt en verzint.

Zoals, volgens een andere filosoof, gebeurt in het polytheïsme. De vele goden die in sommige culturen naast elkaar bestaan zijn volgens Marc de Kesel te beschouwen als de producten van onze uiteenlopende fantasieën en oververhitte dromen.

Dat geldt trouwens net zo goed voor de monotheïstische God maar het verschil is dat die niet toestaat dat we geloven wat we willen. Die dwingt ons ertoe ons te verhouden tot een ondeelbare werkelijkheid waarmee we het met ons allen en met God moeten doen.

Dat heeft iets despotisch, aldus De Kesel, en daar heeft het monotheïsme zijn slechte reputatie aan te danken. Maar het verschaft tegelijkertijd de mogelijkheid tot concentratie. En tot het uitdiepen van een relatie: doordat de twee partijen geen escape hebben en het met elkaar moeten doen ontstaat er ontwikkeling. De twee partijen kunnen elkaar bekritiseren, dat behoort tot de rechten binnen het verbond dat God en de mensen met elkaar sluiten. Doordat mensen God bekritiseren eren zij hem juist. En waar mensen kritisch worden is het bestaan meestal niet virtueel meer. Het echte leven is dan zeer dichtbij.

Dat brengt me terug bij Verbrugge. Want in zijn overdenking van de tegenstelling tussen virtueel en echt vraagt hij zich op een gegeven moment af: “heeft dat zogenoemde echte leven dan niet te maken met verbinding? Zoals wij het woord ergens ook gebruiken in de uitdrukking ‘in de echt treden’”?

Ook daar geldt dat je maar een beperkt aantal zijpaden kunt inslaan, dat je niet altijd kunt geloven wat je zou willen geloven. 

Zie ook Godsdienst en geschiedenis en Ongerijmd

vrijdag 22 juni 2012

Kun je tegenkracht wel organiseren?


Dat is wel wat de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) bepleit in zijn advies Tegenkracht organiseren. Lessen uit de kredietcrisis. Daarin stelt de Raad vast dat de kredietcrisis kon ontstaan doordat drie goedbedoelde financiële sturingsinstrumenten – hypotheekverstrekkingen aan mindervermogenden, het gebruik van risicoprofielen en de toebedeling van bonussen – gaandeweg perverse effecten zijn gaan vertonen.

Verder benadrukt de Raad dat het verschijnsel van ontsporende goede bedoelingen niet beperkt is tot de financiële sector. In de welzijnsector, de zorg en het onderwijs doen zich dezelfde problemen voor als in de financiële sector: oorspronkelijke doelen worden uit het oog verloren, classificaties gaan een eigen leven leiden los van de werkelijkheid en financiële prikkels leiden tot verkeerde handelingen. “Het is de miskenning van de altijd aanwezige meervoudigheid die een langzaam en vaak onzichtbaar proces creëert waarin een productief sturingsmechanisme geleidelijk omslaat in een pervers sturingsmechanisme. Eén belang gaat domineren en alle actoren gaan vervolgens strategisch gedrag vertonen dat van tevoren niet was ingecalculeerd. Sturingsinstrumenten zijn vaak bedoeld om al deze belangen met elkaar te verenigen, maar – en dat is de kern van de analyse – dat blijkt in de praktijk een utopie”.

Dit zijn nogal conclusies. Als het waar is dat sturingsmechanismen problematisch zijn dan betekent dat wel wat voor de manier waarop wij gewend zijn onszelf te organiseren. En voor de managing class die het bij uitstek moet hebben van sturingsmechanismen. In veel gevallen blijken, volgens de Raad, die laatste tot calculerend gedrag te leiden en daarmee uiteindelijk tot het tegendeel van wat ze beogen.

Bij elkaar vormen de adviesconclusies een diagnose van de crisis die ik wel kan herkennen. Dat geldt niet voor de remedie die de Raad vervolgens voorstelt. Die komt neer op de aanbeveling om de meervoudige belangen binnen de systemen tot hun recht te laten komen door duurzame tegenkrachten te organiseren. Het is van belang “om voortdurend tegendruk binnen de eigen organisatie of sector mogelijk te maken die bestaande handelingspatronen ter discussie kan stellen, hoe moeilijk dat soms ook is”. Zo voorkom je dat één visie dominant wordt en leidt tot tunneldenken.

Ik snap wat de Raad bedoelt maar ik heb mijn twijfels bij deze remedie. Want die is erop gericht om denken (sturen) te bestrijden met denken (organiseren). En de fundamentele vraag die je je, met de filosoof Emmanuel Levinas, kunt stellen is of het niet ons denken zélf is dat voortdurend dat patroon produceert waar we last van hebben: van goede bedoelingen, utopieën die zich vastgrijpen aan sturingsmechanismen en organisatieprincipes, en de illusie dat er uiteindelijk één koers de  beste is. De productie van dit soort illusies en eenzijdigheid is inherent aan ons denken, zegt Levinas, dus ook aan het denken dat wordt ingezet voor tegenkrachten.

Je zou Levinas zo kunnen uitleggen dat hij zegt: we zijn allemaal een beetje autistisch. Want ons denken is een beetje autistisch: het vertoont de neiging tot monomanie en tunnelvisie omdat de rede graag gelooft in zijn eigen one best way. Dat is nu eenmaal de manier waarop ons denken werkt, er treedt werkelijkheidsverlies op.

En net als bij autisme hoeft daar geen kwade wil achter te zitten, zo benadrukt Levinas, ook al maken we wel brokken in onze monomanie. Maar tegelijkertijd – anders dan bij autisme –  zijn er correctiemechanismen werkzaam die precies de blindheid doorbreken waarin ons denken ons brengt. Eén daarvan is de verlegenheid die we kunnen voelen als we met ons denken inbreuk blijken te maken op de integriteit van een ander. Die zogenaamde denkschaamte kan ons van onze illusies bewust maken en ons terugbrengen in de bredere werkelijkheid.

Om uit de valstrikken van het denken te komen is er volgens Levinas dus iets anders nodig dan denken. Een schok, een trilling, een gezicht, een beschamende stilte. Hoe dan ook: iets anders dan denken. Dus geen organiseren, want organiseren is denken.

Daarmee wordt de aanbeveling van de Raad beperkt in zijn bruikbaarheid. Is dat iets om moedeloos van te worden?

Vind ik niet, ik zou zeggen: juist niet. Want als andere mensen de tegenkrachten kunnen vormen, dan hebben we daar geen tekort aan. Dan kún je er in principe iedere dag eentje tegenkomen, zo'n tegenkracht. Ik word eerder moedeloos van de montere blindheid van het denken dat zijn eigen blindheid wil weg managen via het organiseren van tegenkracht, terwijl die al voorhanden is.

Betekent dit misschien dat sturingsmechanismen vervangen moeten worden door iets anders? Door verhelderingsacties bijvoorbeeld, die recht doen en blijven doen aan de meervoudigheid?

Zie ook Iets kleins

donderdag 14 juni 2012

De Groene en de Rode Lijn


Hij was lekker, de Efrat wijn die we hadden met Pesach, althans de rode van de Hema. Maar ik doe het niet meer. Want ik wil wel graag de economie van Israël stimuleren, maar dan aan de goede kant van de Groene Lijn.

Nu is het probleem dat je van een heleboel Israëlische producten niet kunt zien of ze uit de bezette gebieden komen of niet. Maar bij deze wijn kun je dat heel goed zien, die loopt ermee te koop. Efrat is de naam van een nederzetting op de Westbank. En dat soort nederzettingen wil ik beslist niet sponsoren.

Moet je daar nu zo’n punt van maken? Er vindt – anders dan veel Israëlbashers hardop willen zeggen – in allerlei landen om Israël heen toch geweld plaats op veel grotere en afschuwelijkere schaal? Wat Israël doet lijkt vergeleken daarmee toch peanuts?

Met de voormalig Knessetvoorzitter Avraham Burg deel ik de mening dat je er een groot punt van moet maken. Als Israël pretendeert ‘de enige democratie in het Midden-Oosten’ te zijn en fundamentele waarden zoals democratie, gelijkheid, de rechtsstaat, secularisme en moderniteit wenst hoog te houden, dan is iedere inbreuk op het land van een ander daarmee in strijd.

Hij gaat ver, Burg, en hij is streng als een profeet uit Tenach. Hij stelt dat het bezetten van Palestijnse grond aan de overkant van de Groene Lijn het slechtste in de Israëliërs naar boven haalt: het genereert fanatieke, nationalistische, fundamentalistische en ondemocratische krachten die alle fundamenten van de Israëlische samenleving bedreigen. Ik ben bang dat Burg gelijk heeft en dat we zijn woorden ter harte moeten nemen: respecteer de Groene Lijn.

Brandschoon word je nooit, en waarschijnlijk klopt het gezegde dat iedere staat is gesticht op een misdaad. Maar toch drink ik volgend jaar Pesach liever wijn uit Latrun, van dezelfde Hema trouwens. Strikt genomen deugt dat ook niet want Latrun viel tot 1967 onder het beheer van Jordanië. Maar de grenscorrectie die daar plaatsvond was te logisch om tegen te kunnen zijn, zeker omdat de verbindingsweg tussen Tel Aviv en Jeruzalem regelmatig onder Jordaans vuur lag vanuit Latrun.

Als Abraham Burg zegt dat ook díe overschrijding van de Groene Lijn niet onschuldig is, dan zij dat maar zo. Ik kan dat rijmen met mijn en zijn Rode Lijn, die gaat over fatsoen en democratie. Daar wil ik niet overheen.

Zie ook Koosjere wijn en Schuiven

donderdag 7 juni 2012

The Devil is voortdurend in the Detail


“Dat moet toch lukken, een beetje stroomlijnen van de vergunningverlening? Het is werkelijk te gek: wekelijks zijn wij uren kwijt aan de publicatie van vergunningsaanvragen. Al die bijlagen en bouwtekeningen moeten full colour gekopieerd worden en aan de balie ter inzage gelegd worden. Als we dat nu eens zouden afschaffen?”

“Ja, maar de politiek wil dat zo. En de burger waarschijnlijk ook, om te kunnen zien wat de medeburgers van plan zijn”.

“Nou, dan doen we dat toch gewoon digitaal, dan zijn we van al dat papierwerk af. Dan kunnen de mensen de aanvagen ook thuis raadplegen via internet en hoeven ze niet meer naar de balie te komen”.

“Goed idee. Dan moeten we alleen wel de privacygegevens uit de aanvragen en de bijlagen filteren want je mag niet zomaar namen en adressen van privé personen publiceren”.

“Ok, dan moeten we gewoon uitsplitsen wat vertrouwelijk is en wat openbaar en een applicatie dat laten filteren”.

“Ja dat zullen we eerst moeten testen. En wat er niet uitgefilterd kan worden moeten we handmatig onleesbaar maken”.

“Ja, ja…”

Zie ook Smeken om feedback, Listig en Lucht en daadkracht

vrijdag 1 juni 2012

Parrèsia


Als parrèsia een deugd is dan mag het Joodse volk gerust een deugdzaam volk genoemd worden. Want parrèsia kun je vertalen met vrijmoedigheid, of – als Wilders die kreet geen eigen draai had gegeven – ook wel als ‘zeggen wat je denkt’. Wel, dat gaat Joden over het algemeen goed af.

Toch komt het woord niet uit de Joodse traditie maar uit de Griekse. Het woord parrèsia verschijnt voor het eerst bij Euripides en blijft vanaf het einde van de vijfde eeuw vóór de jaartelling voorkomen in de geschriften uit de klassieke Griekse oudheid.

In onze tijd is het woord weer in omloop gebracht door de Franse filosoof Michel Foucault die in 1983/84 colleges gaf over parrèsia als het fenomeen waarbij een spreker zich vrijmaakt en zich vrijmoedig uitspreekt. In de moderniteit, waarin de mens steeds meer op zichzelf is teruggeworpen, acht hij het van belang om trouw te kunnen zijn aan zichzelf en zijn eigen gedachten.

Het meest recente pleidooi voor parrèsia las ik in Trouw en is afkomstig van de Britse hoogleraar Frank Furedi. Hij pleit voor parrèsia onder de aansporing “Mens durf te oordelen”. Hij keert zich daarmee tegen de neiging tot lauwe tolerantie in onze samenleving, als een krachteloos instrument van vooral-niet-oordelen, veilig op afstand blijven. Met Hannah Arendt ziet hij de onwil om te oordelen als een teken dat men geneigd is zich terug te trekken uit het publieke leven. Terwijl door wel te oordelen een dialoog ontstaat met een ander.

Het is waar, zegt Furedi, het uitspreken van een waardeoordeel kan een vorm zijn van psychisch geweld – maar een complexe samenleving kan nu eenmaal niet zonder oordeel en vergelijking. Daar is wel durf voor nodig, want vrijheid van meningsuiting en de zucht naar kennis gaan gewoonlijk hun eigen onvoorspelbare gang.

In het oude Athene, de bakermat van de democratie, durfden ze dat: daar kreeg die riskante houding volgens Furedi voor het eerst waardering. “Durf en vrijheid waren voor de Grieken waarden die elkaar versterkten. Iets dergelijks zien we in het Italië van de Renaissance, waar ideeën over vrijheid gepaard gingen aan durf en ontdekkingsijver”.

Wat me irriteert aan een presentatie van zaken als die van Furedi is de aanbidding van Griekendom en Renaissance in combinatie met de totale afwezigheid van aandacht voor de Joodse bijdrage aan vrijmoedigheid in de loop van de geschiedenis. Dat is een onevenwichtigheid in de presentatie van ons culturele erfgoed die mij al stoort vanaf mijn middelbare schooltijd. Ook toen tierde de adoratie voor de klassieke oudheid welig en had ik het gevoel dat er iets ontbrak.

Immers, op het stuk van de vrijmoedigheid hadden de Joden hun sporen al verdiend toen de Atheners hun democratie nog moesten vestigen. Abraham had al gemarchandeerd met God over Sodom en Gomorra, en Jacob had gevochten met de engel.

En de Joden hielden daar niet mee op toen in Athene de democratie ter ziele ging en Socrates en Plato pleidooien hielden voor censuur op poëtische en andere zielsuitingen die de pure moraal maar zouden ondermijnen. De schrijver van het boek Job laat zijn gemoed vrij spreken en gaat ver in het plaatsen van vraagtekens bij de rechtvaardigheid van God.

In de Misjna en de Talmoed gingen de rabbijnen door met de beloning van intellectuele moed door Joods-wettelijke beslissingen te nemen bij meerderheid van stemmen en de weggestemde opvattingen en hun auteurs toch op te nemen in de teksten en voor eeuwen te bewaren. Heel anders dan om hen heen waar de dissidenten van Katholieke concilies uit de annalen werden geschreven.

Het is misschien wel waar dat ten tijde van de Renaissance de balans verschoof. Toen kwamen in de omringende wereld de vrijmoedige en kritische humanisten op, terwijl de rabbijnse traditie dreigde te verzanden binnen een steeds formalistischer keurslijf.

Maar de parrèsia, om niet te zeggen de brutaliteit, die Eli Wiesel beschrijft in zijn verhaal over de rabbijnen in een concentratiekamp die God een proces aandoen voor de ellende die hij laat passeren heeft oude papieren. Van vóór de Griekse democratie.

Zie ook Griek en Jood en Gezag

zaterdag 26 mei 2012

Windmolens


Windmolens zijn lelijk, ze verpesten ons landschap, vinden sommige tegenstanders van de molens. De Groningse hoogleraar Gert de Roo is het daar niet mee eens. “Het landschap verandert altijd. We zijn zijn ook gewend geraakt aan de elektrische draden die door het landschap lopen”.

Dat laatste is me nooit gelukt. Ik ben erg gevoelig voor mooie landschappen en in mijn beleving doet iedere elektriciteitsmast en iedere hoogspanningskabel daarop een aanslag. Maar bij windmolens lijkt het wennen me opmerkelijk genoeg wel te gaan lukken.

Dus dat is voor mij anders dan voor een aantal andere mensen. Van verschillende kanten hoor je allerlei bezwaren als het gaat over windmolens. In Australië bijvoorbeeld is men bezorgd over aantasting van de gezondheid door windmolens. Je zou er onder andere hoofdpijn, evenwichtstoornissen en concentratieproblemen van krijgen (de Waubraziekte), ook als de molens op grote afstand staan.

Voor zover er in Nederland klachten zijn gaan die vooral over de aantasting van het landschap, horizonvervuiling en teloorgang van de leefomgeving.

Is het te verklaren dat ik, ondanks mijn liefde voor landschappen, met windmolens geen probleem heb? Het kan te maken hebben met de aanblik ervan: de molens zijn altijd rank en gestroomlijnd van vorm, heel anders dan elektriciteitsmasten. Maar voor mijn gevoel is nog belangrijker dat ik me wel veilig voel bij de aanblik van een molen: ze zijn schoon, toekomstbestendig en energiek, ze stellen me gerust.

Ik geloof wel dat wonen in de directe nabijheid van een windmolen stress oplevert, door het constante geluid en de slagschaduwen. Is het daarom niet een idee om voor de vele molens die we nog bij willen bouwen te kijken naar de overmaat aan bedrijfsterreinen die de laatste tien jaar zijn aangelegd en niet gevuld worden? Over het algemeen wonen daar geen mensen vlakbij.

Zie ook Lucht en Daadkracht

donderdag 17 mei 2012

Eigenzinnig


Het blijft me verbazen hoe eigenzinnig de positie was die de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas innam temidden van de intellectuele modes van zijn tijd. Je kunt, met Ger Groot, zeggen dat in de eeuw van Levinas, de twintigste eeuw, het Franse denken beheerst werd door twee stromingen: structuralisme en existentialisme. Ten aanzien van beide stromingen hield hij afstand.

De belangrijkste stelling van het structuralisme, zoals verwoord door zijn belangrijkste vertegenwoordiger Claude Lévi-Strauss (zie foto), is de gedachte dat de wereld om ons heen gevuld is met netwerken. Bij netwerken kun je denken aan taal, of aan muziek of aan de natuur, stuk voor stuk verbanden van bij elkaar horende elementen zoals woorden, noten, of planten en dieren. Met voor Lévi-Strauss als belangrijkste kenmerk dat de betekenis ervan voor de mens niet gelegen is in de individuele elementen (de woorden, noten of planten), maar in de relaties die die elementen met elkaar hebben. De betekenis ligt dus in het netwerk.

Waar deze gedachte toegepast wordt op de menselijke samenleving vloeit daaruit voort dat mensen individueel minder van betekenis zijn dan de relaties die zij met elkaar hebben als leden van een netwerk: van een stam of een familie of een dorp. De omgeving van de mens bepaalt wat hij kan zijn.

Het existentialisme vertrekt vanuit een tegenovergesteld uitgangspunt. Daar is de gedachte dat de individuele mens ten diepste vrij is en geheel los van allerlei, als oppervlakkig beschouwde, banden van geboorte of stand zijn eigen leven moet ontwerpen. Het existentialisme is vooral uitgedragen door Sartre. Diens nadruk op de noodzaak voor iedere mens om zijn eigen bestemming te bepalen formuleert Ger Groot als volgt: “niets dat van buiten kwam mocht hem in die authenticiteit hinderen”.

Het is mogelijk om de posities van Lévi-Strauss, Sartre en Levinas uit te drukken met behulp van het begrippenpaar heteronomie en autonomie.

Als heteronomie staat voor de gedachte dat wie of wat een mens is voor een groot deel wordt bepaald door krachten die van buiten de individuele mens komen, dan neemt Lévi-Strauss een heteronome positie in. Immers, de mens is in zijn visie primair geconditioneerd door het netwerk waarin hij functioneert.

Als autonomie de gedachte aanduidt dat het de mens gegeven is om zijn eigen leven geheel vanuit zichzelf vorm te geven – of dat hij daartoe gedoemd is – dan zal duidelijk zijn dat Sartre een autonome positie inneemt.

Levinas is minder eenduidig aan een van beide polen te koppelen, maar het begrippenpaar autonomie/heteronomie laat zich wel gebruiken om Levinas’ positie te bepalen. Enerzijds breekt hij een lans voor autonomie van het individu: dat moet zich losmaken van knellende of diffuse verbanden en naar individueel bewustzijn groeien. Maar Levinas vindt het prachtig als juist dat geëmancipeerde autonome individu zich laat raken door andere mensen en zich door hun nood – van buitenaf – laat gezeggen. Toch weer heteronomie dus, maar dan anders.

Zie ook Il-y-a en Iets kleins