donderdag 31 juli 2014
Nu niet meer
Gaza, het is een schrijnend ongelijke strijd.
Maar vreemd genoeg door beide partijen gewenst.
Door het slachtoffer, ik weet niet waarom.
Door de dader, ik wist wel waarom, maar nu even niet meer.
Zie ook Gaza
donderdag 24 juli 2014
Snap ik niet
Daar hoort overigens niet de huidige militaire actie bij om de raketaanvallen vanuit Gaza weer voor enige tijd in te dammen. Want die kan ik – hoe onverteerbaar het oorlogsleed ook is – wel begrijpen. Geen enkel land, democratisch of niet, kan zich zo maar laten beschieten terwijl het wel over de middelen beschikt om de beschietingen te stoppen. Vroeg of laat zal het die middelen inzetten. Dat vindt niemand leuk, dat snap ik ook, maar kennelijk is vechten zowel voor Hamas als voor Israël op dit moment de moeite waard.
Een van de dingen die ik níet snap is de nonchalance waarmee Israël de bezetting van de Westbank maar laat voortduren, en zelfs actief verstevigt. Ik kan het niet anders zien dan dat de illegaliteit daarvan, gecombineerd met de vernederingen voor de Palestijnen, een serieuze bedreiging vormt voor Israëls toekomst.
Wat ik verder nooit gesnapt heb is de onbekommerdheid waarmee Israël zich de steun laat welgevallen van de Christen-zionisten zoals Amerikaanse Evangelicals of Nederlandse Christenen voor Israël. Uit opportunistisch, korte-termijn oogpunt kan ik dat nog wel begrijpen. In een wereld met veel tegen Israël gerichte vijandigheid ben je blij met iedere steun die beschikbaar is.
Maar de vraag is of dat opportunisme wel slim is. Ik denk van niet. Allereerst omdat die steun fundamentalistisch geïnspireerd is. Kenmerkend voor de bedoelde groeperingen is hun geloof in het gezag van de Bijbel, en die leggen zij zo uit dat de staat Israël daarin verschijnt als door God gewild, want als voorbereiding op de wederkomst van Christus op aarde. Dit komt mij voor als een wezensvreemd motief binnen het seculier-Joodse project dat Israël in hoofdzaak was en is. Als motieven zo ver uit elkaar liggen moet je voorzichtig zijn met het aanhalen van de banden.
Een tweede reden vloeit voort uit dat fundamentalisme. Want dat impliceert dat het de Christen-zionisten niet primair gaat om de Joodse zaak, maar om een idee dat gekoppeld is aan hun theologie. Bij het ontbreken van een intrinsieke, menselijke betrokkenheid kan een omslag in die theologie of Bijbeluitleg zomaar leiden tot een omslag in houding. Enthousiasme voor de Joodse staat kan dan veranderen in onverschilligheid of zelfs vijandigheid.
Zoiets lijkt zich op dit moment in bepaalde Evangelicale kringen inderdaad voor te doen. Daar is sprake van een terugkeer naar de good old ‘vervullingstheologie’. Die houdt in dat, met Jezus, het Koninkrijk Gods gevestigd werd op aarde en de geschiedenis werd vervuld. Het Joodse volk heeft volgens die visie voor God geen betekenis meer en de staat Israël al helemaal niet. Uit dit soort theologie is voor de Joden al eerder veel ellende voortgekomen.
Voordat je gaat geloven in de oprechtheid van je supporters is het belangrijk om te weten met wie je te maken hebt en wat hun motieven zijn. Dat zouden Joden toch moeten snappen.
Zie ook De gelaagdheid van Ari Shavit en Precies genoeg
vrijdag 18 juli 2014
Elitair ongemak
De gemiddelde administratief medewerker op een doorsnee kantoor zetelt vandaag de dag aangenamer dan de bevoorrechte klasse ooit gedaan heeft.
Deze gedachte overkwam me toen ik afgelopen dagen, gezeten aan een stevig bureau in een ouderwetse bestuurdersstoel, wat leeswerk deed.
De stoel zag er statig uit met zijn leren bekleding en sierlijke ornamenten. Daarbij was hij zeer stevig en bijna niet te tillen.
Het voelde beslist vorstelijk om me daarin neer te zetten, maar ik merkte al snel dat ik ging verschuiven en verzitten. Het leer gaf wel mee maar, ongeacht welke houding ik probeerde, echt aangenaam werd het niet. De gebeeldhouwde maar harde stoelleuningen droegen bepaald niet bij aan een gevoel van zitcomfort.
Op een gegeven moment had ik er genoeg van. In de kamer stond ook een moderne bureaustoel en daar ging ik op zitten. Je weet niet wat je meemaakt aan comfortverschil op zo’n moment. Die bureaustoel is werkelijk een wonder van gemak.
Je mocht vroeger dan bestuurder of notabel zijn, dacht ik, maar daar moest je kennelijk ook heel wat voor aflijden op die grote indrukwekkende stoelen. Hoe zou het voelen in de Ridderzaal? Die tronen ogen ook niet echt comfortabel.
Zie ook Orde en (On)reinheid
vrijdag 11 juli 2014
Precies genoeg
Deze door Jan Ramaker uit Tiel ingezonden brief in Trouw deed me wel wat. Maar wat dan precies?
Allereerst trof mij een onjuistheid, namelijk de volgende: De drie Israëlische tieners waren kolonisten. Zij woonden in een illegale nederzetting op Palestijns grondgebied.
Dat klopt niet. Naftali Frenkel en Gilad Shaar woonden in Modi’in, Eyal Yifrah woonde in Elad. Modi’in en Elad zijn steden in Israëls Centrum-district, beide binnen de Groene Lijn. Daar kun je niet precies genoeg in zijn.
Wel gingen zij naar school in bezet gebied. Naftali en Gilad in Kfar Etzion, Eyal in Hebron. Ze gingen dus naar scholen die zich niets aantrekken van een Groene Lijn. Daar kun je niet precies genoeg in zijn.
Verder bleef ik haken aan de uitspraak Als hun ouders gewoon in Israël waren blijven wonen, waren ze nog in leven. Die zou je, gezien het voorgaande, dus moeten wijzigen in de uitspraak “Als de jongens gewoon in Israël naar school waren gegaan, waren ze nog in leven”. Met als toevoeging dat dat pas geldt sinds de afscheidingsmuur is gebouwd, want voor die tijd vielen er een paar honderd terreurdoden per jaar en was je ook binnen de Groene Lijn op weg naar school je leven niet zeker.
Tenslotte ben ik gewoon touché door de wrange waarheid dat Toen half mei twee Palestijnse tieners uit Ramallah zonder enige reden door het Israëlische leger werden doodgeschoten, was er niemand die zijn verontwaardiging uitte. Ook in het tonen van je verontwaardiging kun je niet precies genoeg zijn.
Zie ook De Groene en de Rode Lijn, Het nieuwe Midden-Oosten en Palestijnse Staat
vrijdag 4 juli 2014
Onze Grondwet
Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, stelt voor om een artikel van de Grondwet te schrappen, namelijk nummer 90 dat als volgt luidt: “De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde”.
Van Schie’s motief voor dit voorstel is dat het artikel de Nederlandse naïviteit voedt in internationale zaken van machtspolitiek en een wereldvreemd utopisme stimuleert. Het is, zo zegt hij met het oog op de brute Oekraïne-politiek van Poetin en het misbruik door onder andere Rusland en China van VN-instituten, al lang tijd om daarvan terug te komen.
Ter vervanging van artikel 90 stelt Van Schie een nieuwe bepaling voor, en wel de volgende: “De Nederlandse regering heeft in de buitenlandse en in de EU-politiek primair tot taak de behartiging van het nationaal belang in strikte zin”, waarmee hij doelt op elementaire staatstaken als handhaving van de vrijheid en de onafhankelijkheid van ons land en zijn burgers.
Ik vind het gebruik van de woorden “in strikte zin” wel verfrissend. Want daar hangt gauw een taboe omheen, maar goed beschouwd is het een historische prestatie van formaat om op een beperkt grondgebied als tevreden natie samen te leven, en dat mag best eens gezegd worden. Zeker als de gerichtheid op eigenbelang enigszins verzacht wordt door een tweede, aanvullend artikel dat Van Schie voorstelt. Daarin zou moeten worden bepaald dat de Nederlandse regering de vestiging, versteviging en verdediging van vrije democratische rechtsstaten steunt.
Maar toch mis ik wat. Want zoals de oude tekst getuigde van of aanzette tot een houding van naïviteit doet zijn nieuwe, eerste tekst dat ook. Het ‘nationaal belang in strikte zin’ is inmiddels namelijk een volstrekte abstractie geworden, daarvoor zijn we immers te zeer verweven geraakt met andere landen, en via duizenden draadjes van financiële, energiepolitieke en economische aard verbonden met Europa.
Dus om alle aandacht te concentreren op het nationaal belang zoals Van Schie voorstelt is niet minder wereldvreemd dan het voorafgaande idee van utopisch universalisme waar hij vanaf wil. Om zijn voorstel wat realistischer te maken zou ik het daarom adekwaat vinden om de formulering van Van Schie uit te breiden met de bepaling dat we ook gehouden zijn het Europese belang ‘in strikte zin’ te bevorderen.
Dat zou recht doen aan een aantal feitelijke werkelijkheden. Bijvoorbeeld aan de inmiddels door velen onderkende noodzaak om een gezamenlijk Europees defensiebeleid en leger te vormen; aan het feit dat Europa is opgebouwd uit tevreden democratieën met, zoals Van Schie terecht zegt, hun specifieke belang bij rust en vrede; en aan een cruciale constatering van Van Schie: “mensen buiten West-Europa handelen niet alleen anders, maar ze denken ook heel anders”.
Je komt zo wel uit bij de paradox dat bescherming van mogelijk universele waarden beter gewaarborgd is via Europese, regionale samenwerking dan door de traditionele oriëntatie op mondiale samenwerking.
Zie ook Eng en Lang leve Europa!
donderdag 26 juni 2014
Alcoholisme en djihad
De vergelijking bestaat hieruit dat alcoholmisbruik en djihadisme beide problematisch zijn. En dat je, net zo min als je de gematigde alcoholgebruiker kunt aankijken op het gevaar van de probleemdrinkers, gematigde Moslims niet verantwoordelijk kunt stellen voor het gevaar van de extremisten.
Met deze stelling heeft Aharouay het gelijk aan haar kant, denk ik. Op een ander punt gaat de vergelijking echter mank, en ik zou willen dat de parallellen daar juist doorgetrokken zouden worden.
Dat andere punt is de mate waarin het probleem onderkend wordt als een ernstig gevaar en de mate waarin het probleem actief bestreden wordt. Zoals Aharouay aangeeft wordt alcoholverslaving door de Wereldgezondheidsorganisatie expliciet benoemd als ernstig gevaar voor de volksgezondheid. De organisatie rapporteert daarover, waardoor wij weten dat alcohol zorgt voor 1 op de 20 doden per jaar, wereldwijd 3,3 miljoen mensen.
De samenleving is zich kennelijk behoorlijk bewust van het verslavingsgevaar, en heeft er een organisatie op gezet die analyses maakt en verdere bewustwording stimuleert. Daar horen bijvoorbeeld vragen bij zoals: in hoeverre wordt alcoholmisbruik bevorderd door onze individualistische levensstijl en bijbehorende eenzaamheid? Wat is de rol van de opdringerige reclames?
De vergelijking doortrekkend zou mij iets dergelijks wenselijk lijken met betrekking tot het verslavingsgevaar van de Islam. Ook hier zijn analyses en reflectie nodig die doordringen tot het hart van de zaak. Waar zou dat verslavingsgevaar in kunnen zitten? Zou er mogelijk iets verslavends kunnen zitten in het centrale leerstuk van complete overgave aan Allah? En stimuleert het ontbreken van de relativerende werking van (gematigd) alcoholgebruik mogelijk religieuze radicalisering?
Het stellen van die vragen en de reflectie daarop lijken mij zeer urgent. Nogmaals, en in overeenstemming met wat Aharouay daarover zegt, niet om daar de gematigde Moslim mee om de oren te slaan. Maar wel, net als bij alcohol, om de mechanismes te ontdekken die in de wisselwerking met maatschappelijke omstandigheden tot dood en vernietiging leiden.
Zie ook 'Gematigd' is een scheldwoord, Eng en Heftigheid en Alcohol
donderdag 19 juni 2014
De gelaagdheid van Ari Shavit
Maar verder heeft Ten Berge veel gemist in het boek van Shavit, het boek kent immers veel meer lagen dan de recensie doet uitkomen. Daarmee doel ik onder andere op de laag van de voorgeschiedenis van het zionisme, en op de vele aspecten van Shavits visie op de Israëlische vredesbeweging.
Voor een adekwaat begrip van Israël en het zionisme is bekendheid met de voorgeschiedenis een absoluut vereiste. Een ver, beladen verleden moet erbij betrokken worden, vooral van eeuwenlang Christelijk en seculier antisemitisme in Europa.
In haar Crescascolumn van vorige week maakt journalist Eva van Sonderen duidelijk hoe diep dat soort collectieve negatieve ervaringen zich in mensen vastzetten. “Ik heb verschillende workshops ‘Familieopstellingen’ meegemaakt en vaak kwam de Sjoa dan tevoorschijn als gigantische blokkade, juist bij jonge mensen, derde generatie-ná, waarvan je dat op het eerste gezicht niet zou denken. En soms, bij Mizrachi of Sefardi-deelnemers, kwamen ook de verhalen los over de pogroms tegen de Joden in Noord-Afrika of Azië”.
Shavit kent een belangrijke rol toe aan dat soort blokkades, en laat duidelijk zien hoezeer die ook al ver vóór de Sjoa van invloed waren. Met name de Asjkenaziem (Oost-Europese Joden) zaten er al aan het eind van de negentiende eeuw geheel doorheen. Zij hadden niets meer te verliezen, het zionisme was hun laatste strohalm en Shavit doet dat goed uitkomen in zijn verhalen over de pioniers.
Het is opmerkelijk dat Ten Berge met geen woord rept over deze voorgeschiedenis, die voor het totaalplaatje van Shavit van wezenlijk belang is. Net zo goed als voor Shavit de voorgeschiedenis van de verdreven Palestijnen van groot belang is: zij woonden daar gewoon, al generaties lang. Hetgeen Ten Berge wél mede benadrukt.
Dan is er de rol van de Israëlische vredesbeweging. Shavit doet veel moeite om duidelijk te maken dat ‘het goede doen’ en ‘vrede’ niet zomaar vanzelfsprekend in elkaars verlengde liggen. En al helemaal niet in het brute Midden-Oosten.
Een gemiddelde vredesbeweging kan die illusie wel koesteren, en dat deed de Israëlische vredesbeweging ook. Shavit vertelt dat hij als student en jonge journalist daar aanvankelijk in mee is gegaan. Hij was activistisch links en protesteerde tegen de bezetting, vanuit het geloof dat met opheffing van de bezetting vrede binnen bereik zou komen.
“Pas toen ik dertig werd en serieus begon te luisteren naar wat de Palestijnen eigenlijk te zeggen hadden, realiseerde ik me dat dit vooruitzicht op vrede ongegrond was. Over die bezetting had links absoluut gelijk: dat is een morele, demografische en politieke ramp. Maar ten aanzien van de vrede zat links er volstrekt naast. Men rekende op een vredespartner die niet echt bestond. Men ging ervan uit dat vrede haalbaar moest zijn omdat ze nodig was. Maar de geschiedenis van het conflict en de geo-strategische situatie van de regio impliceerden dat vrede niet haalbaar was”. Toch bleef men, ook uit een soort zelfbescherming, aan die illusie van vrede vasthouden.
De morele worsteling die bij een man als Shavit gepaard gaat met dit soort analyses is in zijn teksten voelbaar. Daar had Ten Berge wat mij betreft wel een paar woorden aan kunnen wijden.
In de plaats daarvan oordeelt hij dat het bij Shavit ontbreekt aan een profetische visie. Zou er misschien iets profetisch kunnen zitten in de zichzelf niet sparende eerlijkheid en openheid waarmee Shavit de situatie onder ogen durft te zien?
Zie ook De man van hoger honing en Right en wrong
Labels:
antisemitisme,
Christendom,
Europa,
illusies,
Israël,
zionisme
Posted by
Naud van der Ven
op
16:13
donderdag 5 juni 2014
Leren en tikoen olam
Die gedachte houdt me bezig naar aanleiding van de Crescas-lezing van Tsvi Vinig. Dat is al weer meer dan twee maanden geleden, ik reageer dus een beetje secundair maar dat geeft niet want het is nu Sjavoeot, en dat gaat over leren.
Vinig sprak over de grote bijdrage van Joden aan spraakmakende multinationals zoals Shell, Unilever en Facebook. Een interessant onderwerp, maar het gevaar van een ronkend verhaal ligt daarbij op de loer, en daar wist hij niet helemaal aan te ontkomen.
Vinig voerde het succes van die Joodse bijdrage aan het bedrijfsleven onder andere terug op de traditionele aandacht voor leren en innovatie in de traditie van Tora en Talmoed. Die aandacht zou in geseculariseerde vorm terug te vinden zijn bij Joden in het bedrijfsleven. De neiging tot permanent leren in de Joodse traditie speelt hier volgens Vinig dus een grote rol.
Ik denk dat hij daar wel gelijk in heeft. Maar niet zomaar ongekwalificeerd en niet in de zin waarin hij er zelf over vertelde. Vinig was niet zo ingevoerd in het (ultra-)orthodoxe milieu, vertelde hij, maar een neef van hem was daarin terecht gekomen, en van hem had Vinig gehoord dat het daar op prijs gesteld wordt als je veel leert, maar ook als je zelf een nieuwe uitleg of redenering kunt toevoegen.
Toen vroeg ik me af: noem ik dat wel echt leren? Het tot in de finesses uitbouwen van een in zichzelf besloten logisch bouwwerk spreekt me eigenlijk niet zo aan. Het zal best creatief zijn, en misschien moet je het wel leren noemen, maar dan niet het leren dat in open uitwisseling met de omringende wereld staat en daarmee toekomst creëert.
Ik kan me wel vinden in wat Arnold Cornelis als onmisbaar beschouwt in het leren, namelijk dat er een tijdsdimensie in zit. Om bij de tijd te zijn kan leren dus ook niet anders gedacht worden dan als emancipatorisch en communicatief. Want het is gericht op verbetering van wat je in jouw tijd aantreft. Regelrechte tikoen olam dus.
Die gedachte vind ik terug in inzichten van moderne managementdenkers. Bijvoorbeeld bij Peter Senge als die zegt dat wij mensen dankzij ons world wide web nog nooit onderling zo verbonden zijn geweest als nu. En dat tegelijkertijd het vermogen om hier verantwoordelijk mee om te gaan volstrekt tekort schiet. Willen we dat in goede banen leiden, zegt Senge, dan vereist dat heel veel en snel leren, vooral over hoe gedachtes worden gevormd en hoe dialogen plaatsvinden. Daarmee wordt leren eigenlijk tot een existentiële noodzaak.
Dat element van de existentiële noodzaak moet er wel in zitten, wil er wat mij betreft van leren sprake zijn. Ik denk dat in de vormende jaren van de rabbijnse traditie daarvan ook inderdaad sprake was. Er stond iets op het spel voor de rabbijnen: hoe kon de houvast gevende goddelijke inspiratie verbonden worden met het fysieke, economische voortbestaan als Joods volk op deze wereld? Daarvoor werd voorbeeldig geleerd en de Misja en Talmoed tonen ons hoe dat in het werk ging.
Ik ben geneigd om het tot in irrelevante details – hoe creatief ook – uitbouwen en conserveren van een naar binnen gericht denksysteem niet te rekenen tot het leren dat van existentieel belang is. Als ik toch de wens heb om meer Talmoed te lezen zou het dus niet zijn om de relevantie in onze tijd van de inhoud van dat boek. Maar omdat ik vermoed dat de indringende leerervaringen van de rabbijnen destijds juist op het vlak liggen waar ook voor ons nu sprake is van existentiële noodzaak. Namelijk dat van de onderlinge dialogen en intensieve communicatie. Waarbij mijn primaire vraag is om te zien hoe menselijke interactie verloopt en te verbeteren is.
Zie ook Hoe sociaal is sociaal? en Geëngageerd roddelen
Labels:
communicatie,
discussiecultuur,
Joodse traditie,
management
Posted by
Naud van der Ven
op
18:20
donderdag 29 mei 2014
Lang leve Europa!
Dat moet er echt even uit, en dat kan ik nog wel tien keer herhalen.
Want natuurlijk is er een democratisch tekort. Maar dat is simpel op te lossen: versterk de democratische instellingen in Brussel. Het is opmerkelijk dat juist veel nationale politici dat tegenhouden.
Bovendien kun je volhouden dat in veel lidstaten van de EU, waaronder in ieder geval Nederland, eveneens sprake is van een democratisch tekort. Maar dan niet zozeer van de instellingen als wel van het functioneren van de democratie.
Dat democratisch tekort van de lidstaten vloeit voort uit een overmatige angst bij politici voor de kiezer. In Frankrijk hebben, ondanks evidente noodzaak, opeenvolgende presidenten echte financieel-economische hervormingen niet aangedurfd, uit angst voor de vakbonden en de kiezers. In Nederland is met name premier Rutte als de dood om kiezers te verliezen door impopulaire maatregelen. Dat noem ik een tekort in het functioneren van de democratie.
Die nationale democratische tekorten worden vaak opgelost via het andere democratische tekort, dat van Europa. Als Rutte en Hollande en anderen op dit moment aan begrotingsdiscipline doen, kunnen ze naar Brussel wijzen en zeggen: dat moet van Europa. Een beetje laf is het wel, maar op deze manier kun je de democratische tekorten van Europa en de lidstaten tegen elkaar wegstrepen en functioneert het geheel nog redelijk. Lang leve Europa!
Verder zijn er veel praktische en technocratische redenen aan te voeren voor het belang van Europa. Neem de energiepolitiek: over het inkopen van gas kun je beter niet 28 staten los van elkaar laten onderhandelen, het is een stuk voordeliger voor iedereen als je dat collectief doet. Of defensie: als we erachter komen dat verdediging nog steeds belangrijk is dan wordt meteen duidelijk dat er meer nodig is dan de verzameling nationale leger(tje)s die we altijd hadden. En milieuvervuiling, zo weten we allemaal, stopt niet bij Lobith of Maastricht, maar komt met de rivieren en via de lucht ons land binnen. Wie deze dingen niet inziet is ofwel dom, of lui of kwaadwillig, of alles tegelijk. Lang leve Europa!
Het kan zijn dat een ‘Europees gevoel’ deze overwegingen niet bij kan benen, maar dan moet het verstand maar even het voortouw nemen, vind ik. Bij mezelf valt het trouwens wel mee met het gevoel van ‘vreemdheid’ van Europa. Als Gerrit Hiemstra aan het eind van het Journaal de luchtdrukverdeling in Europa laat zien vind ik dat niet raar, het voelt wel als één meteorologische ruimte. In mijn jeugd kwam de weerman niet verder dan de Golf van Biskaje, want daar kwamen altijd depressies vandaan. Nu horen de temperaturen in Portugal en Griekenland en Finland er gewoon bij.
Verder zijn er beschavingsontwikkelingen die ik niet anders dan als Europese projecten kan duiden. Ik denk aan de Renaissance, het Humanisme, de Verlichting, de Westerse wetenschap. Zeker als je die op detailniveau bekijkt, zoals ik bijvoorbeeld gedaan heb voor ontwikkelingen in de muziek, blijkt snel hoe zeer Europa een aaneengesloten cultuurgebied is.
Lang leve Europa!
Zie ook Onze man in Brussel, Nee zeggen en De TV houdt ons bij de les
donderdag 22 mei 2014
Right en wrong
Blijkens de titel van zijn boek Mijn beloofde land beaamt de politieke journalist Ari Shavit het tweede deel van de uitspraak. Maar met het eerste deel van de uitspraak is hij niet zo snel klaar. In feite gaat zijn hele boek over right en wrong.
Het lezen van dit boek is een aangrijpende ervaring. Ik heb het nog lang niet uit, ik ben pas halverwege, maar kan al vaststellen dat de ondertitel van het boek de inhoud goed samenvat: De triomf en tragedie van Israël. Het boek is een afwisseling van hoogte- en dieptepunten.
Een dieptepunt, misschien wel hét dieptepunt, heb ik net achter de rug: het verhaal over de nederzettingen. Op zichzelf genoeg aanleiding om gedeprimeerd van te raken. De primitieve ideologie, de medeschuldigheid van overigens weldenkende Arbeiderspartij-politici, de corrumperende werking van militaire overmacht, de vergelijkingen met nazipraktijken die zich ook aan de Israëliërs opdringen, de golven van terreuraanslagen die iedere vredeswil ongeloofwaardig maken.
Wat mij op de been houdt bij het lezen van dit boek – dat is wat mij betreft de triomf van dit boek – is de intellectuele moed en meedogenloze eerlijkheid van de auteur. Noem dat maar, bij alle kronkels van right en wrong die hij beschrijft en benoemt, een morele prestatie van formaat. “Je denkt te veel na”, krijgt hij van sommige Machers als verwijt. Voor mij is hij juist daardoor een betrouwbaar baken op woest terrein.
Kort gezegd is de tussenbalans van het zionistische right and wrong op de helft van het boek als volgt:
Right: de troosteloze situatie van miljoenen Joden in Midden- en Oost-Europa was aan het eind van de 19e eeuw - na eeuwen van pogroms, discriminatie, en onderdrukking die alleen maar erger werden - niet langer houdbaar. En het relatief kleine deel dat daaraan had kunnen ontsnappen naar West-Europa bouwde weliswaar een redelijk comfortabel bestaan op maar wist zich vanaf de Dreyfus-affaire ook daar niet veilig meer. De Endlösung werd intuïtief voorvoeld.
Dit zelf-destructieve verblijf van Joden in een Europa dat hen in het Oosten naar het eind van hun krachten had gedreven, en in het Westen op het punt stond om ze uit te kotsen, verschafte de oorspronkelijke zionistische plannen een onmiskenbare morele rechtvaardiging. Wat Shavit betreft tot en met het Delingsplan van 1947 en de stichting van de staat in 1948.
Wrong: de stelselmatige veronachtzaming van het Palestijnse leed dat met de stichting van de staat gepaard ging. En minstens zo erg: de creatie van nieuw leed en nieuwe vernedering door sluipende voortzetting van inbreuk op hun rechten. Daarvoor ontbreekt, wat Shavit betreft, precies de morele basis die het vroege Zionisme wat hem betreft wel had.
Zoals gezegd: dat Shavit dit verhaal op déze manier durft te vertellen is een grote verdienste op zichzelf.
Zie ook Geschiedenis in het kwadraat, Zionisme en Meerstemmigheid
donderdag 15 mei 2014
Amsterdam en ICT
Als dat bestand vervuild is dan kan het gebeuren dat één en dezelfde debiteur er vier of vijf keer in staat, met steeds een iets andere schrijfwijze. “Prins Hendrikkade 38hs” staat er dan ook in als “Pr. Hendrikkade 38 huis”, en als “Prins-Hendrikkade 38hs” en als “Prins-Hendrik-Kade 38-hs”. Dat komt bijvoorbeeld doordat de medewerker van de debiteurenadministratie ooit bij het sturen van een tweede rekening een andere schrijfwijze hanteerde dan die al aanwezig was in de administratie, of doordat men in een later stadium de net iets andere schrijfwijze heeft overgenomen die de debiteur zelf in zijn correspondentie gebruikt, enzovoorts.
Als dat zo is, dan kunt u zich voorstellen dat het lastig is om een totaalbeeld te krijgen van de vorderingen die je hebt op zo’n debiteur. En dat je geen goed overzicht hebt van de correspondentie met die debiteur. En dat je invorderingsacties waarschijnlijk niet erg adequaat zullen zijn. Dan kunt u zich voorstellen hoeveel ergernis dagelijks met zo’n situatie gepaard gaat en hoeveel energie hierdoor permanent weglekt.
Welnu, dit is binnen de gemeente Amsterdam al voor minstens vijftien jaar de feitelijke situatie in veel van de gemeentelijke diensten en afdelingen. En dan niet alleen voor de debiteurenadministratie, maar ook voor de crediteurenadministratie (vandaar die stelselmatige termijnoverschrijdingen) en andere administraties.
Nu zijn er in de loop van die jaren vele automatiseringsslagen geweest, en je zou denken dat die aanleiding hadden kunnen zijn tot het saneren van die adressenbestanden. Maar dat was niet het geval, bij iedere nieuwe ronde werd er voor het gemak vanuit gegaan dat het wel goed zat met de adressenbestanden, ze werden gewoon als black boxes overgeheveld naar het nieuwe systeem.
“Voor het gemak”, dat geldt vanzelfsprekend niet voor het administratieve personeel dat akelig veel tijd kwijt is met het vervuilde bestand. Dat geldt kennelijk voor de beslissers die dit maar op zijn beloop laten.
Hoewel: “gemak” is ook niet echt van toepassing op de beslissers. Want ook zij hebben uiteindelijk meer last dan plezier van vervuilde bestanden: overzichten deugen niet, er komen geen juiste cijfers beschikbaar en je wordt voortdurend ingehaald door de werkelijkheid. Best zielig eigenlijk.
Er moet dus iets anders spelen bij de verwaarlozing van de administratieve aspecten van management. Ik denk dat het te maken heeft met een gebrek aan prestige van dit soort zaken. Mensen met hersens laten zich toch niet in met suffig administratief geneuzel en met zoiets nerderigs als adressenbestanden? Nee, die leggen in Amsterdam eer in met strategische vergezichten en ronkende beleidsnota’s en ‘optimalisaties’. Althans, op de meeste plekken in Amsterdam is dat zo, maar in mijn huidige Amsterdamse project merk ik dat het soms ook goed kan gaan.
Nu de parlementaire enquête naar de ICT-debacles bij de overheid in volle gang is kom ik in de verslagen erover de bovengenoemde symptomen wel tegen. “Beslissers wisten niet precies waar ze het over hadden”, of “Beslissers werden voortdurend ingehaald door de werkelijkheid en moesten dan aanvullende eisen stellen”.
Wat ik nog mis in deze diagnose is de verwijzing naar het onderliggende waardenstelsel. Kennelijk leggen beslissers geen eer in met aandacht voor wat er écht gebeurt op de werkvloer. Afdaling daar naar toe wordt gemakkelijk afgedaan als geneuzel. Zolang dat zo is zal er veel energie blijven weglekken.
Zie ook Verstrikt in slimheid, Ongevraagd advies, en The devil is voortdurend in the detail
Abonneren op:
Posts (Atom)

.jpg)

