maandag 28 april 2008
Het Zelfde en het Andere
Het Zelfde en het Andere kunnen niet opgenomen worden in een kennis die hen omvat.
En nog zo een:
De metafysica, de transcendentie, de ontvangst van het Andere door het Zelfde, van de Ander door Mij, geschiedt concreet als het ter discussie stellen van het Zelfde door het Andere, dat wil zeggen als ethiek die de kritische essentie van het weten vervult.
Kan het abstracter?
Ja, bij Levinas kan het nog veel abstracter. Maar leuker is het om te wijzen op een wetenschappelijke bevinding waarin wat Levinas beschrijft ineens heel concreet wordt. Daaruit blijkt dat Levinas zich weet te redden met eeuwenoude, aan Plato ontleende begrippen om iets uit te drukken wat een wetenschappelijk experiment ons nu in begrijpelijke termen kan duidelijk maken.
De bevinding is afkomstig van een neurologisch experiment waar de NRC onlangs melding van maakte. Daaruit blijkt dat de hersencellen waarmee we over onszelf denken dezelfde zijn als die we gebruiken om na te denken over mensen die op ons lijken. Over mensen die niet op ons lijken denken we na met een ander gebied in het brein.
Weerbarstige Platoonse termen als het Zelfde en het Andere blijken dus in aanvaardbare gedaante terug te komen in neurologische onderzoeken. En dat tot in de varianten van de gekozen woorden toe.
Het kan onnodig abstract lijken dat Levinas spreekt over het Zelfde en het Andere in plaats van over het Zelf en de Ander. Maar goed bekeken gebeurt dat in de uitkomst van het experiment ook. De cruciale onderscheiding die er te maken is blijkt niet zo zeer te liggen tussen mij zelf en de ander, als wel tussen mij en degenen die op mij lijken - dus hetzelfde - enerzijds, en de rest - het andere - anderzijds. Dus juist de meest abstracte formulering sluit aan bij de bevindingen van het neurologische experiment.
Dit is op zichzelf interessant. Maar daarnaast heeft het gevolgen voor de wijze waarop we Levinas interpreteren. De bevindingen bieden aanknopingspunten voor een interpretatie van de Ander als staande voor zeker niet iedere andere mens. Want daarbij horen mensen die voelen als gelijken. Het gaat eerder om anderen die, op een bepaald moment, voelen als werkelijk anders en dan heb je al te maken met een selectie binnen de hele groep van anderen.
Daar wil ik nog aan toe voegen dat ook de confrontatie met die andere anderen niet altijd tot de ontmoeting leidt met de Ander zoals Levinas hem bedoelt. Dat houdt iets onvoorspelbaars.
Labels:
communicatie,
de ander,
dialoog,
kennis,
Levinas,
Plato,
pluraliteit,
totalitarisme
Posted by
Naud van der Ven
op
20:00
donderdag 17 april 2008
Angst moet mogen
In het debat over immigratie en de reacties daarop mengen zich regelmatig stemmen die erop wijzen dat er sprake is van angst. Bijvoorbeeld voor inkomen, concurrentie op de arbeidsmarkt en terrorisme. En die het vanzelfsprekend vinden dat dat verkeerd is, angst is voor hen een vies woord. Dat blijkt uit de afkeurende toon waarin zij verklaren dat sommige politici inspelen op de angst en onzekerheid van burgers, kortom op de ‘onderbuik’.
Ik noem dat maar even de ‘heroïsche stemmen’, zoals van Doekle Terpstra en Dirk Verhofstadt. Ik moet ook denken aan Judith Butler die laatst in De Balie op strenge manier van zichzelf eiste dat ze open staat voor de multiculturele samenleving ook al wordt ze als lesbische vrouw door veel Moslims niet geaccepteerd. Pieter Pekelharing stelde daar nuchter tegenover dat een heleboel mensen zich gewoon eerst veilig moeten voelen voordat ze zich open kunnen stellen.
De heroïsche stemmen lijken geen weet te hebben van de angst en als dat wel zo is dan is het toch eigenlijk iets om jezelf overheen te zetten. Angst wordt je vooral aangepraat en door zindelijk na te denken kun je je daarvan bevrijden. Het kan niet anders of het achterliggende mensbeeld dat zij hanteren is dat van de autonome, soevereine mens die uiteindelijk zichzelf volledig in de hand heeft als hij daar maar zijn best voor doet.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik weleens jaloers kan zijn op die psychisch sterke mensen. Goed zijn is een kwestie van goed denken. Ik herken mezelf meer in een bestaan dat af en toe schrikachtig is. Levinas geeft daarvan een beschrijving in zijn uitwerking van wat hij noemt het il-y-a: de beleving van de wereld als ijzingwekkend onverschillig en leeg.
Maar daar begint ook mijn twijfel over de effecten van die psychische kracht, in ieder geval als die in het debat als norm gaat gelden voor iedereen. Want er zijn naar mijn gevoel veel meer mensen die net als ik deep down last hebben van verveling en bestaansangst, noem het maar de onderbuik. Naar mijn idee moet daar vrijuit over gepraat kunnen worden zonder dat de angst en de onderbuik weggezet worden als zwaktes die overwonnen moeten worden door eigen inspanning. Want dan zou de onderbuik weleens ondergronds kunnen gaan en op een onverwachts moment openbreken.
Zie ook Angst is normaal
vrijdag 11 april 2008
Wie roept de noodtoestand uit?
Wat hebben Jack Welch, generaal Musharraf en bisschop Eijk met elkaar gemeen?
Het antwoord is: een voorliefde voor de noodtoestand, bij voorkeur door henzelf uitgeroepen.
Jack Welch heeft General Electric groot gemaakt door het permanent in stand houden van een crisissfeer. Voortdurende hoogspanning en topprestaties waren geboden. Daarbij paste het jaarlijkse ontslag van de tien procent slechtste werknemers en een extra beloning voor de twintig procent beste werknemers.
Musharraf riep in november 2007, toen hij dreigde een nederlaag te lijden in de presidentsverkiezingen, de noodtoestand uit. De spelregels van de democratie stonden op dat moment zijn aspiraties in de weg.
Bisschop Eijk reorganiseert op dit moment de staf van zijn aartsbisdom met straffe hand. Met een beroep op het dreigende faillissement van zijn organisatie zet hij oudgedienden eruit en creëert hij een nieuwe staf met mensen van zijn eigen keuze.
Wat is het gemeenschappelijke in deze omarming van de noodtoestand?
Ik denk dat de drie met elkaar gemeen hebben dat ze weinig plezier hebben in en waarde hechten aan werkelijk vrije en gelijkwaardige interactie met “hun” mensen. Want voor Musharraf zou dat weleens kunnen betekenen dat hij de politieke macht moet delen of kwijt raakt. En voor bisschop Eijk dat leken zich gaan bemoeien met de waarheid. En voor Jack Welch dat moeizame gesprekken in de plaats zouden komen van heldere orders.
Maar wat vinden wij – burgers, leken en gewone medewerkers – daar dan van? Gaan wij zomaar akkoord met het uitroepen van de noodtoestand, met alle gevolgen van dien? Weinigen van ons zullen betwisten dat de noodtoestand wel eens nodig kan zijn. Maar wie mag hem uitroepen en met welk motief? Ik denk dat het zaak is om leiders daarin kritisch te volgen. We mogen niet de dupe zijn van ten onrechte uitgeroepen noodtoestanden.
Nu worden wij in Nederland niet door ieder type noodtoestand evenzeer bedreigd.
Over de politieke noodtoestand zoals Musharraf die uitriep zal in Nederland op dit moment niemand zich druk hoeven te maken. Dat soort politiek is ver van ons bed en zal dat hopelijk nog lang blijven.
Wat bisschop Eijk betreft is het goed mogelijk om in zijn gescherm met de financiële noodtoestand de echo te horen van de afkondiging van nog een andere noodtoestand: die van de ziel. Vele eeuwen lang is aan de mensen verteld dat het verkeerd met hen zou aflopen als ze Jezus niet als Verlosser aannamen. Het zou mij niets verbazen als Eijk naar die gedachte terug wil. Maar de kans dat we ons in Nederland massaal die boodschap laten aanpraten lijkt me niet groot, dus ook van bisschop Eijk hoeven we niet wakker te liggen.
Anders ligt het met het type noodtoestand à la Jack Welch. Ik denk dat wij ons daarvan veel meer laten aanpraten dan nodig is. Door verwijzing naar een permanente struggle for life of door een beroep op onze angst voor karakterzwakte laten wij ons opsluiten in een straf arbeidsregime en ontzeggen we onszelf een meer ontspannen bestaan. Het is zoals de filosoof/manager Eric Bolle zegt: we zouden ons niet van de wijs moeten laten brengen door managers die té graag doen alsof de middelen schaars zijn. We moeten beginnen besluiten te nemen vanuit een besef van overvloed: er is genoeg voor iedereen.
Dat hoeft werkelijk het besef niet weg te nemen dat er kritieke situaties kunnen bestaan, ook in het organisatieleven. Maar als de noodtoestand als regel instrumenteel ingezet wordt dan klopt er iets niet. Daarop duidt de wanverhouding tussen de ongekende welvaart waarin we leven en de opgejaagdheid van het bestaan van velen. De vraag is dus: wie mag ons opjagen, en wie vooral niet? Zie ook Het Rijnsaksisch-Angellandse model en Van groot naar klein en terug
Labels:
Christendom,
communicatie,
leiderschap,
lekker werken,
management,
pluraliteit,
totalitarisme
Posted by
Naud van der Ven
op
15:10
maandag 31 maart 2008
Moeilijker dan postmodern
Je hoort regelmatig dat postmoderne denkers (bijvoorbeeld Derrida of Lyotard) zo moeilijk te volgen zijn. Derrida gebruikt lastige termen als Deconstructie en Aporie en Lyotard heeft het over Le Différend en Het Sublieme.
Maar niet alleen de termen zijn moeilijk. Een waarschijnlijk veel groter probleem is dat er weinig overblijft waar je je in gedachten nog aan vast kunt houden. God was al dood, nu volgen allerlei artistieke waarden, maatschappelijke ordeningen en taalkundige betekenissen. Probeer je maar eens iets voor te stellen bij het niets of afwezigheid van hiërarchie.
Toch is er iets wat nog moeilijker is dan het postmodernisme. Want, hoe lastig ook, het postmodernisme kent nog altijd het comfort van een ijzeren consequentie in het denken. De neiging tot generaliseren en universeel maken, een trekje van de rede en actief in het modernisme, blijft in het postmodernisme gewoon overeind. Misschien wordt die daar zelfs wel tot in het radicale doorgevoerd. Dat kan blijken uit populair-postmodernistische uitspraken als: “Alles is relatief” (let op het woordje “alles”); “Geen mens is zichzelf” of “Er zijn geen grote verhalen meer” (let op het woordje “geen”); “Eigenlijk geloven we allemaal wel iets” (let op “eigenlijk” en “allemaal”).
Dergelijke uitspraken voelen nog steeds aan als conclusies waar een consequent redenerend verstand niet aan kan ontkomen. En dat heeft iets vertrouwds, want aan dat soort conclusies waren we inmiddels, sinds Descartes, gehecht geraakt.
Pas echt moeilijk wordt het als een filosoof zegt: soms wel en soms niet. Bijvoorbeeld: er is wel een leidend principe, maar soms even niet of het zijn er twee. Of: er is wel hiërarchie, maar niet altijd. Zo’n filosoof maakt er voor ons gevoel een potje van.
Toch is dat wat je aan kunt treffen bij Levinas, althans de Levinas uit de vroege en de middenperiode. In De Totaliteit en het Oneindige bijvoorbeeld speelt hij het klaar om de volstrekte autonomie van de mens als uitgangspunt te nemen in zijn beschrijving van de wereld; om daarna te laten zien hoe die autonomie op zijn kop gezet wordt door de verschijning van een andere mens; om vervolgens te claimen dat die ontmoeting “meer fundamenteel” is dan de oorspronkelijke autonomie was (dus: heteronomie); en tenslotte om de autonomie weer leidend te maken totdat de volgende confrontatie optreedt.
Hier is geen sprake meer van radicale doordenking, tenminste als daaronder verstaan wordt het consequent doorstoten naar een laatste grond of basisprincipe. Hier wordt wáárgenomen en recht gedaan aan een bepaald verschijnsel, namelijk: dat er een bepaalde orde is waarvan de uitgangspunten zonder meer geldig zijn, bijvoorbeeld autonomie; maar dat zich, soms, plotseling een verschijnsel voor doet dat daar loodrecht op staat, zoals een ander die me raakt en door wie ik me laat gezeggen (heteronomie). Niet altijd, niet bij iedere ander, maar: soms.
Daar loopt onze logica op stuk. Als zo’n basisprincipe soms geldig is en soms niet, dan is het al geen basisprincipe meer. Toch denk ik dat Levinas hier een adequate beschrijving geeft van een verschijnsel dat – soms, bij sommige mensen – gewoon voorkomt: geraakt worden door de Ander.
Het is waar: ook Levinas, met name de late Levinas, heeft zich tot universele generaliserende uitdrukkingen laten verleiden met vele Levinas-lezers in zijn kielzog. Dan krijg je uitspraken als “De ervaring van de ander is altijd oorspronkelijker dan de ervaring van jezelf” (let op het woordje “altijd”) of “Permanente verantwoordelijkheid is de dieptestructuur van het subject” (let op de woorden “permanent” en “dieptestructuur”).
Het is moeilijk om de conclusie te vermijden dat de late Levinas in de valkuil is getrapt die hij, zeker in het begin, zo ijverig heeft willen ontwijken: die van het altijd en overal, van het categorische en het essentialisme. Een beetje ontluisterend is dat wel.
Zie ook Levinas en Rousseau en Eigenzinnig
Labels:
de ander,
denkgeweld,
Levinas,
pluraliteit,
rationaliteit
Posted by
Naud van der Ven
op
19:24
vrijdag 21 maart 2008
Edelkitsch
Wat niet spannend meer is moet je niet geforceerd weer spannend proberen te maken. Die gedachte overviel me bij de uitvoering van de Matthäus Passion onder leiding van Paul Goodwin op de televisie.
Deze uitvoering was gedramatiseerd. Dat wil zeggen, de musici, en dan vooral de zangers, maakten niet alleen muziek maar traden deels op als acteurs. Jezus knielde soms en kreeg klappen, koorleden keken angstig of boos, en Judas gaf Jezus een kus. Uiteraard werd het geen toneelstuk, de dramaturgie was beperkt en de uitvoerenden hadden hun dagelijkse kleren aan en geen kostuums. Maar gebaren en blikken waren heel bewust toegevoegd.
Als het bedoeld was om de zaak te verlevendigen is het wat mij betreft mislukt. Op een enkele plaats in het verhaal werkte de formule wel, namelijk waar een werkelijk menselijk drama aan de orde is. Bijvoorbeeld in de scène waarin Petrus Jezus drie keer verloochent en dan bij het kraaien van de haan in diepe vertwijfeling raakt.
Maar in het merendeel van de scènes voelden de gebaren en blikken als opgelegde dramatiek. Koorleden die minutenlang met vrome nadrukkelijkheid iedere handbeweging van Jezus volgen of zangers die elkaar of een violist smartelijk aankijken, dat is wat te veel van het goede. Het leidt af en contrasteert met het juist luchtige en onnadrukkelijke voortkabbelen dat Bachs muziek – naast de dramatische muzikale accenten – ook in de Matthäus kenmerkt.
Het deed mij terugverlangen naar de uitvoeringen waar het gewichtige nog werd gezocht in zwart-wit kostuums en niet in zwaar aangezette gebaren. Dat voelde minder gekunsteld en opdringerig en liet meer ruimte voor de muziek. Die overigens, ook in deze uitvoering, niet kapot kon.
woensdag 19 maart 2008
Zionisme
“Aanslag op het hart van het Zionisme” kopte de NRC naar aanleiding van de aanslag op 6 maart op de Merkaz HaRav Jesjiva in Jeruzalem.
Ik ben het met die kop niet eens. Want Zionisme wordt daarin gelijkgesteld aan de beweging van al dan niet religieuze kolonisten die de grenzen van Israël proberen op te rekken ten koste van de Palestijnen.
Tot nu toe was dat niet de gangbare betekenis van het woord. Zionisme betekende: de beweging voor een eigen thuis voor het Joodse volk in het land waar het oorspronkelijk vandaan komt. Een beweging die ondersteund wordt door het VN-besluit van 1947 tot opdeling van het mandaatgebied Palestina in een Joods en een Arabisch deel.
Weliswaar was er vanaf de jaren twintig en dertig een vleugel binnen de Zionistische beweging die een Groter Israel voorstond. Maar aanhangers van die ideologie werden aangeduid als Revisionisten en als Zionist kon je het heel goed met hen oneens zijn. Zionist te zijn betekende niet per se dat je kolonies wilde stichten in Judea en Samaria maar simpelweg dat je voor een levensvatbare Joodse staat was.
Voor mezelf gebruik ik het woord nog steeds in die betekenis. Ik wil dat ook graag blijven doen want bij de Groter Israël beweging voel ik me niet thuis. Bewaking van de betekenis van dat woord is dan wel nodig.
zaterdag 15 maart 2008
Reality check
Afgaande op het vorige blogbericht kun je de conclusie trekken dat politiek en management, in hun nadruk op transparantie en controle, het contact met de werkelijkheid kwijt zijn. Maar je kunt net zo goed zeggen dat ze tegen de werkelijkheid zijn aangelopen.
De eerste opvatting is terug te vinden bij Graham Lock die regelmatig herhaalt dat alles nep is in de politiek van vandaag. Dit negatieve oordeel over de wijze waarop wij menen politiek en management te moeten bedrijven kan ons gemakkelijk brengen tot een veroordeling van de disciplines die de laatste decennia veel van de desastreuze denkbeelden hebben aangedragen: de politicologie, de organisatiekunde en andere sociale wetenschappen. Zo bezien is het niet vreemd dat Floris Cohen de sociale wetenschappen contrasteert met de natuurwetenschappen. Hij meent dat het tot nu toe alleen in de natuurwetenschap gelukt is om vormen van stelselmatige feedback te ontwikkelen die het contact met de werkelijkheid kunnen waarborgen. Natuurwetenschap is hard, sociale wetenschap is zacht.
De tweede opvatting, die ik zelf aanhang, is positiever over wat er op sociaal terrein gebeurt. In die visie duidt de onderkenning van zoveel grootschalige sociale mislukkingen op de ontdekking van nieuwe werkelijkheid. Namelijk: de werkelijkheid van individuen die Nee roepen tegen plannen die over hen uitgestort worden. En het realistische besef dat je er, als plannenmaker, verstandig aan doet om daar maar naar te luisteren als je niet irrelevant wilt worden. De weerstand, bijvoorbeeld, tegen de verhuizing van de gezondheidsinstellingen van de duinen naar de stad leverde het inzicht op dat de zorg voor heel diverse mensen zich niet in een universeel model laat persen.
Een dergelijke opvatting van werkelijkheid zou wel eens kunnen aansluiten bij de ervaring die Levinas centraal stelt: die van het Nee van de ander tegen mijn plannen en schema’s waarin hij geacht wordt mee te lopen. Als dat Nee hard bij me binnenkomt voelt dat misschien aan als pijnlijk, maar ik stuit daarmee wel op een sociale werkelijkheid die harder is dan mijn eigen bedenksels.
Ik waag de stelling dat dit verschijnsel – het Nee van de ander – wellicht een equivalent biedt op sociaal terrein van de stelselmatige feedback die we kennen uit de natuurwetenschappen. We raken daarmee aan een hardheid op sociaal gebied die het – net als in de natuurwetenschappen – mogelijk maakt om radicaal boven ons subjectieve vooroordeel en zelfbedrog uit te stijgen. Daarmee heeft de sociale wetenschap haar eigen stevigheid te pakken.
Overigens komt Lock misschien wel op dat zelfde punt uit als hij zegt dat onderwijs traditioneel gericht is op het individu. Wat heeft het individu nodig en op welke manier kan hij aan zijn trekken komen, die kwesties laten zich maar heel beperkt collectief organiseren. Dat weet uiteindelijk alleen het individu zelf.
En de huisartsen illustreren als beroepsgroep wellicht eveneens de werkelijkheidskracht van het Nee. Zij lijken minder dan andere artsen last te hebben van de gemanagede nepwerkelijkheid doordat hun Nee met succes allerlei grootschalige plannen heeft tegengehouden.
Honorering van het Nee betekent wel dat microsituaties, waarin de stem van individuen kan worden gehoord, als voorwerp van studie in de sociale wetenschappen een veel prominentere plaats moeten krijgen. Als het gaat om organisaties kan ik me daar wel iets bij voorstellen. Daar vindt veel één op één contact plaats. Maar voor politieke kwesties vind ik dat veel moeilijker. Misschien komt het voorstel van Huub Dijstelbloem tot het instellen van 'destabilisatierechten' in de buurt. Meer.
Zie ook Geen eer meer aan te behalen.
Labels:
de ander,
denkschaamte,
illusies,
kennis,
Levinas,
management,
Nee zeggen,
pluraliteit,
reality check,
verandering,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
21:18
donderdag 6 maart 2008
Geen eer meer aan te behalen
Het wordt er met parlementaire onderzoeken zoals die naar de onderwijshervormingen niet leuker op voor politici en andere beleidsmakers. Er blijkt maar heel weinig maakbaar te zijn in onze samenleving.
Joop den Uyl besefte al dat de marges klein zijn. Maar hij had het nog over het politieke krachtenveld en de taaiheid van de gevestigde instituties. Met het aanhouden van politieke ideeën (wel de goede natuurlijk) was nog niets mis, de gedachte aan een andere wereld was nog mogelijk. De politicus had hoe dan ook een bepaald aureool en kon zichzelf nog een belangrijke rol toekennen. Al was het maar die van de ploeteraar die zijn moeizame mars door de instituties uitvoert.
De politieke generaties van de jaren tachtig en negentig waren wat bescheidener. Althans wat de ideologie betreft. Die schudden zelf hun ideologische veren af of werden door anderen geplukt en aangeduid als manager-politici. Het geloof in visioenen ebde weg maar wat bleef was het geloof in centrale sturing en technische beheersing, ook al was dat op afstand. Politici werden primair technocraten. Men ging de gewenste output definiëren en indicatoren opstellen om de output te meten. Men voerde extra verplichte verslagleggingen en vele controles in die konden garanderen dat er gebeurde wat de politiek wilde.
Al met al zagen deze politici nog steeds kans om grootschalig aan de gang te gaan. Hetzij op basis van modieuze trends, zoals Erica Terpstra die in één keer de geestelijke gezondheidszorg liet overplaatsen van de duinen naar de stad. Dan wel op basis van ideologische uitlopers van de jaren zeventig zoals de onderwijshervormingen van Ritzen, Wallage en Netelenbos. Je kón als politicus nog het gevoel hebben dat je verschil maakte. Er was nog eer aan te behalen.
Voor de huidige generatie politici is dat weer een stuk moeilijker geworden. Veel van de grote projecten van de jaren 80 en 90 voldoen niet aan de verwachtingen die men ervan had. De illusie waar de manager-politicus nog in kon geloven: die van greep op de zaak, is nu aan de beurt om doorgeprikt te worden. Het blijkt dat het sturen op afstand, via indicatoren en vele controles, maar matig tot slecht werkt. Want, zoals Graham Lock onlangs uitlegde in de NRC, de indicatoren creëren hun eigen werkelijkheid die vaak niets meer te maken heeft met wat gewone mensen daaraan beleven. Overmatige nadruk op transparantie en controles demotiveert professionals zoals onderwijzers en artsen en het levert de burger dus misschien wel niks op. Er is nog wel een dashboard in Den Haag, er zijn nog knoppen om aan te draaien en over te praten maar er zit niets meer achter.
Daar word je als politicus uiteraard niet vrolijk van.Valt er dan in het geheel geen eer meer te behalen? Misschien moet je daarvoor zijn op terreinen waar denken in het groot nog legitiem is. Dat zijn mijns inziens niet de sociale terreinen zoals het onderwijsveld of de zorg. Het bekomt de factor mens immers maar slecht als er teveel voor hem gedacht wordt. Ik zou het eerder zoeken op terreinen als het milieu of duurzaamheid. De nood is ook daar hoog genoeg.
Zie ook Reality Check
Labels:
denkgeweld,
illusies,
management,
reality check,
vakmanschap,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
12:02
maandag 25 februari 2008
Ongewild kwetsen
Als het gaat om de legitimiteit van kwetsen en beledigen zijn er allerlei en heel verschillende standpunten mogelijk.
In de NRC las ik laatst de stelling dat kwetsen functioneel is. Al was het maar om de intolerantie, de lichtgeraaktheid en de lange tenen van de gekwetsten bloot te leggen. Het is mogelijk in deze positie een schampere ondertoon van superioriteit en wellust te beluisteren, zoals ook Theo van Gogh die tentoonspreidde.
Daar niet zo ver vanaf maar dan zonder die toon van wellust ligt de opvatting dat het wellicht vervelend is om te kwetsen maar dat het opvoedkundige waarde heeft en daarom soms nodig is. De gedachte is dat de gekwetste partij er een bekrompen of naïef wereldbeeld op na houdt. Kritische ondervraging ervan kan de groei naar volwassenheid bevorderen. Deze opvatting werd onlangs in Trouw verdedigd onder verwijzing naar de Bijbel. De profeet Hosea shockeerde heel bewust zijn volksgenoten door Israël te vergelijken met een hoer.
Er is ook de opvatting waarbij alle strategie of shockerende opzet verdwenen is en die de nadruk legt op een subjectieve noodzaak. De kwetsuur is een ongewild bijprodukt van de behoefte van de kwetser om een minimum van zijn eigen gevoelens en overtuigingen te kunnen uitdrukken. Martin Luther, die zijn verzet tegen Rome rechtvaardigde met de uitspraak: ‘hier sta ik, ik kan niet anders’, is hiervan de belichaming.
Verder zijn er mensen die menen dat je nooit mag kwetsen, per definitie niet. Het mag niet want je maakt iets kapot bij anderen. Kwetsen dat dóe je niet, zegt Doekle Terpstra in zijn manifest Benoemen en Bouwen. Ik vind dat een gevaarlijk standpunt omdat het kan leiden tot taboeïsering en ongezonde zelfcensuur. Het maakt mensen, met de overtuigingen en gevoelens die ze nu eenmaal hebben, vatbaar voor chantage door anderen die dreigen daardoor gekwetst te zullen gaan worden. De zo in het leven geroepen taboes zullen frustraties kweken en daardoor uiteindelijk destructiever zijn dan welke kwetsende uitspraken of beelden dan ook.
Voor mezelf houd ik het erop niet met opzet te willen kwetsen. Er zijn al genoeg momenten dat je het onopzettelijk moet doen, eenvoudig om je geestelijke gezondheid te bewaren en niet gesmoord te worden in een overmaat aan zelfcensuur. Mijn opvatting heeft dus wel iets weg van die van Luther, maar dan hopelijk iets minder pathetisch.
donderdag 14 februari 2008
Plaatjes maken
Stel, je bent manager van een afdeling. Je vangt signalen op van wrijving en irritatie tussen jouw medewerkers en die van een andere afdeling waar je veel mee te maken hebt. Wat doe je dan?
Je kunt de signalen negeren. Als je er serieus op ingaat moet je namelijk misschien wel ingewikkelde gesprekken gaan voeren met je collega van de andere afdeling. En wie weet wordt de wrijving alleen maar groter. Dit kun je best een paar jaar volhouden.
Je kunt ook de signalen oppakken en je mensen stimuleren om zich assertiever op te stellen tegenover de andere afdeling. Zo ontstaat er misschien een saamhorige en strijdlustige stemming waardoor je als afdeling sterker komt te staan. Je eigen positie tegenover je collega zal daardoor sterker worden.
Een derde mogelijkheid is: contact opnemen met de Plaatjesmaker van je organisatie. Het is namelijk zijn taak om gesprekken over haperende bedrijfsvoering te ondersteunen, of het nu gaat over wrijvingen tussen managers, tussen medewerkers of tussen managers en medewerkers dan wel simpelweg om inefficiënte inrichting van de processen.
Die ondersteuning bestaat er op zo’n moment niet in dat de Plaatjesmaker inhoudelijk oplossingen kan aanreiken. Daarvoor staat hij als leek te ver van veel inhoudsmaterie af. Nee, die ondersteuning komt tot stand doordat de Plaatjesmaker een plaatje aanbiedt van de bedrijfsvoering – procesbeschrijvingen genaamd – aan de hand waarvan de verschillende partijen het gesprek over de afbakening van hun taken en verantwoordelijkheden kunnen voeren. Wat de Plaatjesmaker levert is dus: communicatie.
Het plaatje dat hij maakt vervangt als het goed is de afzonderlijke plaatjes die zich hebben vastgezet in de hoofden van de verschillende betrokkenen. De aard van plaatjes brengt met zich mee dat mensen zich daaraan vastklampen. Door de creatie van één Superplaatje waarmee alle betrokkenen het moeten doen worden ze minder gehinderd door de beperkingen van hun eigen beelden. Zij kunnen zakelijker en gerichter met elkaar praten over de materie.
Maar, als plaatjes gevaarlijk zijn, dan geldt dat net zo hard voor het Superplaatje. Ook dat misleidt ons door de bedrieglijke suggestie van stabiliteit en het veroorzaakt stolling van wat beweeglijk is. Ook het Superplaatje kan een eigen leven gaan leiden en doel op zich worden in plaats van middel tot communicatie.
Moet je het dan maar zonder doen?
Dat lijkt me geen oplossing want plaatjes maken doen we hoe dan ook allemaal. We kunnen namelijk niet anders zolang wij denkende wezens zijn. En als dat zo is, laat het Plaatje dan zo bewust en democratisch mogelijk tot stand komen.
Dus niet meer: tien beelden in tien hoofden, min of meer onbewust maar vaak zeer hardnekkig met alle spraakverwarring die daarbij hoort. Maar één beeld, zo bewust mogelijk gecreëerd en zonder pretenties van ultieme waarheid of van eeuwigheidswaarde. En zo flexibel dat het op aangeven van alle betrokkenen voortdurend kan worden aangepast. Maar dan nog: misleidend blijft het.
Zie ook: Geen ontkomen aan en De eerste prijs
Labels:
beelden,
communicatie,
illusies,
lekker werken,
management
Posted by
Naud van der Ven
op
10:37
zondag 3 februari 2008
Het verlangen naar Krabbegat
Laat ik eerst even mijn terrein afbakenen. Mijn carnaval heeft niets van doen met de kleffe commercie uit Hilversum. En eigenlijk ook niet met het platte gehos in veel Brabantse en Limburgse steden en dorpen. Het gaat over Bergen op Zoom. Want daar is carnaval zo’n bloedserieuze aangelegenheid dat het in deze weblog niet hoeft te misstaan.
Wat heeft Bergen dan wat andere plaatsen niet hebben? Ze hebben er droge humor, het ligt er niet te dik bovenop. Het stadje is oud, met mooie gebouwen, leuke straatjes en een markt als een huiskamer. En bovenal leeft er een bijna chauvinistisch zelfbewustzijn waarvan je je afvraagt hoe zoiets ontstaat. Heeft het te maken met een rijk verleden waarvan de overblijfselen er nog staan? Of eerder met de geografische ligging: op de hoge zoom tussen zee en land, klei en zand en de wederzijdse invloed op elkaar van vissers, tuinders en burgers?
Hoe dan ook, de Bergse carnaval heeft een nostalgische, reflexieve kant die maakt dat de carnavalsdreunen (uiteraard alleen van eigen bodem) je in een meditatieve sfeer kunnen brengen. En dat je regelmatig Krabben tegenkomt die niets anders doen dan het schouwspel in zich opnemen: van dweilen die elkaar begroeten en verbale of non-verbale onzin met elkaar uitwisselen, alles tegen het decor van eeuwenoude gevels. In Bergen is het mogelijk om te spreken van goede smaak en karakter als je het hebt over dweilen.
In wezen gaat het om de uiting van een diepe bestaansvreugde, en dat in verbondenheid met de plaats en zijn bewoners. Om een feestvierende gemeenschap.
Maar nu moet ik op m'n woorden letten. Wat ik opvang in Krabbegat roept teksten in herinnering van Heidegger waarin hij het heeft over bestaansvreugde, feestende gemeenschappen en verbondenheid met bodem en plaats. Maar zou ik dan via de carnaval een soort geheime verwantschap hebben met het denken van Heidegger? Wie weet.
Gelukkig komt Levinas – avant la lettre – ook nog langs. En wel bij Anton van Duinkerken, geboren als Willem Asselbergs in wat hij noemt het ‘Jubelstadje aan de Schelde’. In zijn Verdediging van Carnaval (1928) schrijft hij over het masker: “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de souvereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen, dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht. De opslag der ogen, die van iedere menselijkheid het diepst persoonlijke openbaren, blijft onverborgen”.
Zie ook Rome, Mekka en Halsteren
Abonneren op:
Posts (Atom)