donderdag 11 februari 2016

Hoe tegennatuurlijk kun je zijn?


Het is goed voor mij – als iemand die met het Christendom gebroken heeft – om het Christelijk geloof uitgelegd te krijgen door mensen die ik sympathiek vind. Als ik dan bezwaren voel opkomen weet ik zeker dat ze niet worden ingegeven door een oordeel over de persoon die ik op dat moment beluister.

Een van die sympathieke uitleggers is Marilynne Robinson, die ik onlangs hoorde in De nieuwe wereld. Als haar belangrijkste boodschap heb ik opgevat dat Christenen worden opgeroepen om dát te worden wat ze van nature, als mensen, juist níet zijn. Mensen zijn egoïstisch, en ze moeten altruïstisch worden; ze zijn van nature niet mededogend, maar ze zouden het wel moeten zijn; ze zijn snel bang, maar angst is verkeerd. Kortom, het Christendom volgens Robinson is één groot veranderprogramma, weg van onze natuurlijke staat, leidend tot een overwinning op onze natuur.

Zoveel tegennatuurlijkheid kan mij niet overtuigen, hoe sympathiek ik de boodschapster ook vind. Vanuit pedagogisch dan wel andragogisch oogpunt lijkt mij een dergelijk programma ook tot mislukken gedoemd, want hoe tegennatuurlijk kan een mens zijn? Het zou zelfs kunnen dat de in dit programma ingebouwde frustratie de verklaring levert voor de verschijnselen in kerk en Christendom waar Robinson juist niets van moet hebben: de gerichtheid op macht en zieltjeswinnen. Dat laatste zou wel eens de ‘natuurlijke’ en onvermijdelijke compensatie kunnen zijn voor uit de bocht vliegende te hoog gegrepen strevingen.

Bovendien ben ik niet zo bang voor menselijk egoïsme, gebrek aan empathie en angst. Egoïsme kan ons stevige uitgangsposities opleveren, vanwaaruit we anderen weer wat te bieden hebben. De plicht tot empathie en mededogen kan gemakkelijk tot de overspannen situatie leiden waarin empathie een prestatie wordt van het autonome zelf, en de ander niet meer dan een object voor mededogen. Angst tenslotte kan een zeer goede raadgever zijn, zoals bleek uit de beelden van de Bataclan die nota bene tijdens het interview met Robinson werden getoond: bezoekers renden zo hard mogelijk weg van de kalasjnikovs, en dat was maar goed ook. Dat er ook angstige situaties zijn waarbij je goed moet nadenken, zoals Robinson propageerde, doet niets af aan het belang van de waakzaamheid die de angst genereert.

De aanbeveling van Robinson waarmee ik volledig kan instemmen is dat het erop aankomt om bewust te leven, ook met betrekking tot ervaringen die ons overstijgen. Dat is misschien al tegennatuurlijk genoeg, en dat streven wil ik niet belasten met nog extra tegennatuurlijke opdrachten.

Zie ook Heilig vuur

vrijdag 5 februari 2016

Landen zonder grenzen


“Voor een Israël zonder grenzen”, dat was de chotspueuze titel van een boek van de dominicaan Lucas Grollenberg uit 1970. Daarin betreurt hij het lot dat de Palestijnen hebben ondergaan door de stichting van de staat Israël, en dat mag hij natuurlijk doen. De chotspe is erin gelegen dat hij, nauwelijks vijfentwintig jaar na de meest moorddadige aanslag ooit op het Joodse volk, pleit voor het opvatten van Jodendom als een puur spirituele inhoud die geen fysieke component meer nodig heeft, laat staan grenzen. Je moet maar durven als je weet hoezeer Joden in hun louter fysieke bestaan bedreigd werden. En dat precies het ontbreken van veilige grenzen hen destijds noodlottig is geworden.

De utopie van grenzeloosheid als ideaal is niettemin erg in. De historicus Henri Beunders  noemt het een belangrijk onderdeel van de huidige tijdgeest die de wens koestert dat alle mensen onbelemmerd de hele aarde kunnen bereizen. Dat is goed voor de economie, voor de communicatie tussen volkeren en voor de uitwisseling van culturen.

Beunders ziet het ontstaan van deze open borders-beweging als een relatief modern verschijnsel, gestoeld op de gedachte dat grenzen onrechtvaardig zijn voor de armen, dat ze economisch inefficiënt zijn en averechts werken. In die moderne droom van the sky is the limit zijn we, aldus Beunders, het gevoel voor grenzen - en de dubbelzinnigheid ervan - kwijtgeraakt en in termen van grenzeloosheid gaan denken.

Dat breekt ons nu op, zegt Beunders, en daarom zijn we als bezetenen weer grenzen en hekken aan het oprichten. Die omslag kan snel gaan, kijk maar naar Diederik Samsom die in oktober nog gepassioneerd uitlegde dat je asielzoekers nu eenmaal niet tegenhoudt, maar nu een plan voor stevige grensbewaking presenteert.

Ik ben het wel met Beunders eens dat Europa geketend zit aan een ideologie van grenzeloosheid waarvan het nu de utopische kant ontdekt. Maar zijn analyse dat het hier een tijdgeest-verschijnsel – dus iets relatief moderns – betreft, deel ik niet. De wortels van die absolute universele oriëntatie gaan veel verder terug, namelijk op een diep verankerde universalistische oriëntatie van het Christendom. Al voor de apostel Paulus was the sky the limit, en het opheffen van alle verschillen, tussen Jood en Griek en andere volkeren, het verklaarde doel. Wat dat betreft staat Grollenberg in een traditie.

Geen wonder dat het Christendom, behalve beschaving, ook veel geweld meebracht. Want over het algemeen hechten mensen nogal aan hun eigen identiteit en bijbehorende grenzen, en ze geven dat niet zonder slag of stoot op in ruil voor een universalistisch ideaal.

Behalve gewelddadig blijkt het ideaal nu ook wat té utopisch te zijn. Het open grenzen-ideaal stuit op armoede, oorlogen en vluchtelingen in de rest van de wereld, en blijkt in zijn gepropageerde vorm niet houdbaar. De vraag op dit moment is, gegeven onze culturele erfenis, hoe snel we kunnen schakelen.

Zie ook Grenzen

donderdag 28 januari 2016

'Intrinsiek ongeordend'


Het ministerie van Onderwijs gaat in asielzoekerscentra voorlichting geven over homorechten. Men gaat met name asielzoekers uit het Midden-Oosten vertellen dat homoseksualiteit niet verkeerd is.

Zou dat werken? In de afwijzing van homoseksualiteit resoneert, zowel bij allochtonen als autochtonen, vaak veel mee. Bijvoorbeeld de veiligheid van een wereldbeeld waarin een natuurlijke orde geldt, die tegelijkertijd goddelijk is omdat de natuur geacht wordt door God te zijn ingericht. En als de natuur in hoofdzaak op voortplanting is ingericht heeft God de heteroseksualiteit gewild, en niet de homoseksualiteit.

Het is voor mij een serieuze vraag of je zo’n opvatting kunt ‘weg-opvoeden’. In de Rooms-Katholieke kerk, hoe Westers die ook is, is dat in ieder geval nog niet gelukt. Tijdens de vorig jaar gehouden buitengewone synode over het gezin kwam er officieel geen verandering in de opvatting van homoseksualiteit als ‘intrinsiek ongeordend’. Daarmee wordt bedoeld dat homoseksuele relaties “tegengesteld zijn aan de goddelijke en de natuurwet”.

In de Anglicaanse kerk is wel degelijk een vorm van opvoeding aan de orde geweest, hoofdzakelijk vanuit het blanke deel naar het gekleurde en zwarte deel. Er zijn de afgelopen decennia ook homoseksuelen tot Anglicaans bisschop gewijd. Maar dat riep in sommige kerkonderdelen zoveel weerstand op dat op dit moment die opvoeding per saldo mislukt lijkt te zijn. Met name op het Afrikaanse continent en bij conservatieve Amerikanen liepen de gevoelens daarover hoog op, en er werd gevreesd voor een kerkscheuring. Dankzij een homo-onvriendelijk compromis kon dat gevaar onlangs (tijdelijk?) worden bezworen.

Als acceptatie van homoseksualiteit al zo moeilijk kan liggen in een kerkgemeenschap met gemeenschappelijke traditie en gebruiken, hoe lastig zal het dan niet zijn voor mensen uit het Midden-Oosten die qua gedachtegoed en tradities veel minder met ons delen?

Zie ook (On)reinheid en Orde

vrijdag 22 januari 2016

Hebben Joden meer te vrezen?


Dat zou je kunnen denken. Een keppeltje op het hoofd van een leraar in Marseille was voldoende aanleiding voor een, overigens keurige, 15-jarige Moslim om hem neer te steken. Moslima’s worden ook wel aangevallen vanwege hun hoofddoek, maar dat ze erom neergestoken worden heb ik in West-Europa nog niet gehoord.

Maar daar staat veel tegenover. Zoals bijvoorbeeld de vaststelling dat Joden niet meer de spreekwoordelijke vreemdelingen zijn waar ze altijd voor werden aangezien. Zij zijn nu één van de vele groepen etnische minderheden, eerder zelfs nog iets meer geïntegreerd dan die andere groepen. Vreemdelingenhatend extreem-rechts moet nu zijn aandacht verdelen over al die groepen en daarmee wordt het van die kant voor Joden relatief veiliger.

Wel is er de afgelopen decennia het gevaar bijgekomen van extremistische Moslims, zie boven. Maar dat geweld richt zich niet exclusief tegen Joden. Dat heeft het ook gemunt op cartoonisten, popconcertgangers en terrasbezoekers. Seculier, Joods, Christelijk, zelfs Moslim, het maakt niet meer uit.

Ook op het niveau van nationale gemeenschappen krijgen Joden gezelschap. Was het rond 2005 nog ‘ongehoord barbaars’ om een veiligheidsmuur te bouwen zoals Israël deed, op dit moment is de lijst met namen van landen die muren bouwen bijna eindeloos. Zoals die op de grenzen van Tunesië en Libië, Iran en Pakistan, de VS en Mexico, Botswana en Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië en Jemen en nog veel meer. Het gevoel van veiligheid dat voor Israël gekoppeld is aan grenzen, is nog niet zo anachronistisch als algemeen gedacht werd.

Van de muur op zichzelf kan de internationale gemeenschap dus niet gemakkelijk meer een nummer maken. Van het Israëlische beleid op de Westbank natuurlijk wel, dus vanuit dat oogpunt blijven Israël en Joden onverminderd kwetsbaar.

Maar het zou goed kunnen dat dat morele aspect in de relaties met Israël minder zwaar gaat wegen naarmate de terreur verder om zich heen grijpt in de Westerse wereld. Een gevoel van verwantschap met Israël ligt dan meer voor de hand. Israël strijdt immers al sinds zijn oprichting – dus voorafgaand aan de bezetting – tegen terreur.

Dat kan verklaren waarom er de laatste tijd bijvoorbeeld veel aandacht is voor de Israëlische manier van het beveiligen van vliegtuigen. Volgens The Economist is de, tot voor kort omstreden, Israëlische aanpak effectiever dan de Amerikaanse. “Amerikanen zoeken naar wapens, Israëliërs zoeken naar verdachten.” Dit laatste impliceert een benadering waarbij verdachten of gewoon zenuwachtige personen aan vaak vernederend onderzoek worden onderworpen. Verijdeling van aanslagen is langs die weg vaker geslaagd dan door bagagecontrole.

Zou Adjiedj Bakas gelijk hebben als hij, naast de ‘surinamisering van de liefde’, de ‘israëlisering van de samenleving’ ziet aankomen? Of het er daardoor leuker op wordt, is de vraag, maar die geldt dan voor iedereen.

Zie ook Schuiven, Wordt iedereen Joods?

donderdag 14 januari 2016

Ongezond


Keulen, Hamburg, Malmö, Stockholm: het is een serieus probleem, vrees ik, dat van grote aantallen (jonge) mannen bij elkaar die hun seksuele impulsen niet of zeer beperkt kwijt kunnen. Je kunt spreken van ‘testosteronbommen’, zoals Geert Wilders doet, maar ook als je liever minder grove benamingen wilt gebruiken blijft het problematisch.

Voor hetzelfde verschijnsel, maar dan binnen de context van het repressieve Rooms-Katholieke seksuele klimaat tot halverwege de jaren zestig sprak Bert Keizer wel eens van grote hoeveelheden ‘gestuwd zaad’. Dat liep rond op de ongemengde jongensscholen en –internaten, en bij de vele congregaties van priesters en broeders. En zoals we nu inmiddels weten: dat ging niet altijd goed.

In de tweede helft van de jaren zestig veranderde het klimaat in de Katholieke kerk op dit terrein. Van hogerhand werd bepaald dat masturbatie geen zonde meer was. Dat was dus voortaan toegestaan – ook voor celibatairen, in de beslotenheid van hun eigen kamer.

Het COA heeft ongetwijfeld zijn eigen richtlijnen voor de omgang met dit probleem. Maar een structureel lastig aspect bij de opvang van vluchtelingen lijkt mij het gebrek aan privacy te zijn. Er is geen sprake van eigen kamers, maar van door zes of meer personen gedeelde ruimtes.

Wat dat betreft is de situatie misschien beter vergelijkbaar met die van manschappen op een onderzeeboot. De Katholieke oud-premier Piet de Jong was voordat hij de politiek in ging duikbootcommandant, en in die functie had hij vastgesteld dat pornografie “een uitstekend middel tegen zeeziekte” was. Dat bleek geen grap, als commandant van zijn onderzeeboot had hij altijd seksblaadjes bij zich om aan bemanningsleden te geven. Dit was ongetwijfeld tegen het zere been van de Katholieke hiërarchie, die waar zij kon alles wat seksueel was weg retoucheerde (zie het plaatje van een strip voor de jeugd, voor en na de ingreep aan de borsten).

Maar op de duikboot werkte het goed, volgens De Jong. Het maakt me benieuwd naar zijn suggesties voor het privacyprobleem en de krappe ruimtes in asielzoekerscentra.

Zie ook Plato, Bambi en Danneels

vrijdag 8 januari 2016

Wittgenstein en deugdzaamheid


Het is bekend dat Ludwig Wittgenstein niet veel op had met het Jodendom. Maar ondertussen bedreef hij wel filosofie op een manier die mij Joods aandoet.

Dat kan te maken hebben met het springerige karakter van zijn latere geschriften, maar ik vind het ook terug op een ander terrein: dat van zijn opvattingen over deugdzaamheid.

Deugdzaamheid heeft een nogal belegen klank, maar er wordt op dit moment veel geschreven over deugdethiek en deugdenleer. Het onderwerp lijkt in een behoefte te voorzien, waarschijnlijk als gevolg van de secularisering van de samenleving en de daarbij – terecht of onterecht – ervaren leegte.

Wat de meeste boeken over deugdzaamheid met elkaar gemeen hebben is de nadruk op het vormen van een goed karakter. Maar verder kunnen de voorkeuren van de diverse auteurs uiteenlopen van de klassieke Grieks-Romeinse deugdethiek, via de Christelijke moraal tot aan de Oosterse deugdenleren. Met als punt van overeenstemming dat ze alle pretenderen universeel geldig te zijn.

Behalve dan de Joodse deugdenleer, die geen universele pretenties lijkt te hebben. Op dat punt is de overeenkomst met Wittgensteins standpunt treffend.

In zijn uitleg van Wittgenstein vertelt Bert Keizer waar het de filosoof om te doen is: te laten zien dat betekenissen van eenzelfde woord net zo kunnen verschillen als invullingen van bijvoorbeeld het woord ‘huis’: een Bedoeïen ziet daarbij een tent voor zich, een kind zijn bakfiets, een Eskimo zijn iglo en een Nederlander zijn bakstenen. Voor het woord ‘deugdzaamheid’ geldt zo’n veelheid van invullingen bij uitstek, aldus Wittgenstein volgens Keizer.

Het is voor de late Wittgenstein dus onmogelijk om tot een eenduidige kernachtige karakteristiek te komen van deugdzaamheid die universeel geldig zou zijn. Daarin wijkt hij af van het mainstream denken over deugd op dezelfde manier als de Joodse traditie dat doet.

Zie ook Levinas en Wittgenstein

donderdag 31 december 2015

Een goed gesprek


Een goed gesprek kun je niet afdwingen, dat weet ik heel goed. Maar zouden we niet iets beter ons best kunnen doen? De onbeholpenheid in het voeren van een goed gesprek – juist ook met degenen met wie je fundamenteel van mening verschilt – is in Nederland soms wel erg groot. Ik denk zelfs dat we die onbeholpenheid hebben gecultiveerd en onszelf deels hebben aangeleerd.

Dat heeft alles te maken met het typisch Nederlandse verschijnsel van de verzuiling, waarbij de samenleving georganiseerd was op basis van levensbeschouwelijke groeperingen en waarbij het sociale verkeer tussen de zuilen minimaal gehouden werd. De onmiskenbare verdienste daarvan was dat groepen met scherp aan elkaar tegengestelde levensovertuigingen manieren vonden voor samenwerking en tolerantie – via de toppen van hun zuilen. De elites wisten elkaar te vinden.

Maar de prijs die daarvoor betaald werd was hoog: je sprak niet over levensbeschouwelijke kwesties, althans niet buiten de grenzen van je zuil. En daarbinnen hadden vooral theologen het voor het zeggen. In zo’n situatie leer je af om het om een fatsoenlijke manier te hebben over levensbeschouwelijke of existentiële kwesties. Zeker als het leken dan ook nog verboden (bij de Katholieken) of ontraden (bij de Protestanten) werd om filosofie te studeren.

Dan wordt het moeilijk om – als volk – een cultuur van argumenteren en redeneren op te bouwen, zoals die  bijvoorbeeld bestaat in landen als Frankrijk en Engeland. Daar had de filosofie, los van de theologie, al veel vroeger een zelfstandig bestaansrecht gekregen. Tja, en hier hebben we dus Geen Stijl.

De acht tips die NRC vorige week gaf voor een cosy kerstdiner, of op z’n minst het in de hand houden ervan, waren geheel in lijn met de voorzichtige en armoedige vaderlandse traditie. Zij waren doortrokken van het advies: houd je op de vlakte.

Nu kan ik me daar wel íets bij voorstellen, een aantal tips – met name tip 3: “Wordt het moeilijk: stel u dan op als onderzoeker” en tip 8: “Ga naar de keuken, daar zit meestal de gezelligste persoon” – heb ik zelf vaak genoeg gepraktiseerd. Maar als wij ooit een volwassen debatcultuur willen vestigen stel ik voor dat we ons de tips van Hans Boutellier en Paul Cliteur ter harte nemen: “Laten we praten over elkaars opvattingen en verschillen”.

Zie ook Parrèsia

vrijdag 25 december 2015

Wordt iedereen Joods?


“Het is niet onmogelijk,” zo schrijft de filosoof Samuel IJsseling in een van zijn nagelaten teksten, “dat er in Europa een vorm van christendom ontstaat dat enige gelijkenis vertoont met de levenshouding van de Joden”.

Die levenshouding heeft hij vlak daarvoor omschreven, met behulp van een observatie van Amos Oz. “Nergens ter wereld”, aldus Oz, “vind je zoveel Bijbelvaste atheïsten als in Israël. Het geloof heeft hier plaatsgemaakt voor bewondering. Bewondering voor de verhalen die steeds weer opnieuw worden verteld en geïnterpreteerd. God is hier allereerst een woord, een personage in een oeroud verhaal. Bewondering ook voor de rituelen en de feesten, en zelfs voor de wet die minstens gedeeltelijk wordt onderhouden”.

In bovenstaande tekst wordt gesuggereerd dat de levensoriëntatie van de Christelijke wereld enigszins opschuift naar die van de Joodse wereld. Dat is intrigerend, te meer omdat volgens die tekst dat zou gelden voor twee, onderling vaak aan elkaar tegengestelde, groeperingen in het Europese cultuurgebied. Enerzijds de groep van de geseculariseerden, die afscheid hebben genomen van het Christelijke geloof, maar net als veel atheïstische Joden de cultuurhistorische aspecten ervan blijven koesteren. En anderzijds de Christelijke gelovigen die niet seculariseren. Ook zij komen dichter bij de Joodse wereld te staan, en wel door het feit dat zij bepaalde aspecten toelaten in hun religieuze oriëntatie die je gerust Joods kunt noemen.

Om met dat laatste te beginnen: lange tijd is het Christendom gekenmerkt geweest door een soort onaardsheid. Het koesterde mierezoete verhalen waarin engelachtige deugdzaamheid als hoogste (en onhaalbaar) ideaal werd gecultiveerd. Die oriëntatie lijkt langzamerhand plaats te maken voor een meer volwassen levenshouding, waarin bijvoorbeeld de realiteit van geweld, ook het eigen geweld, beter onder ogen wordt gezien.

Iets daarvan vind ik terug in de uitspraak van Frans Kellendonk dat de religie van de hemel de religie van de aarde moet worden. Of bij Jean-Jacques Suurmond die naar aanleiding van het Bloedboek van Dimitri Verhulst meent dat je blij moet zijn dat het Oude Testament geen sprookjes vertelt, want “juist een zoete utopie doet mensen naar een kalasjnikov grijpen”. Onderkenning van het geweld van de eigen traditie kan je leren om daar adequaat mee om te gaan. Overigens ben ik bang dat dit alles niet geldt voor de groeiende groep Evangelische Christenen.

Daarnaast is er de andere, eerstgenoemde tendens: die van seculariserenden die verwantschap vertonen met Joden die hun traditie vooral koesteren als cultuurhistorisch erfgoed. IJsselings eigen omzwervingen zijn misschien wel exemplarisch voor deze groep. Van Katholiek priester ontwikkelde hij zich in heidense richting tot aanhanger van het Griekse en Romeinse polytheïsme. De pluraliteit van goddelijke karakters en stemmingen van dit pantheon, van jaloers tot innemend en van liefdevol tot wraakzuchtig, maakte hem, gezien het bovenstaande citaat, op een nieuwe manier ontvankelijk voor de pluraliteit van stemmen van de Hebreeuwse bijbel.

Of dat pluralisme nog religieus van inhoud is doet er bij IJsseling en de groep waar hij voor staat niet zoveel meer toe. Belangrijker in het verband van deze column is dat ex-Joden en ex-Christenen in toenemende mate een verwantschap in levenshouding vertonen. Die zou samengevat kunnen worden in wat Tamarah Benima ‘mercurianisme’ noemt, naar Mercurius, de Romeinse god van de handel, met als associaties “snelheid, welsprekendheid, reizen, wetenschap, maar ook list en bedrog”. Je zou kunnen zeggen dat iedereen een beetje Joodser wordt. Of omgekeerd: Joden worden minder anders.

Zie ook Fatsoen en identiteit en Ook hier is (ontoereikend) over nagedacht

vrijdag 18 december 2015

Hottentottententoonstelling


Voor mij gaat het te ver, die zuivering van labels in het Rijksmuseum. Moet je nu echt iedere potentiële wrijving of schuring vóór willen zijn?

Achter deze actie zit een vrij steriele opvatting van mens en maatschappij. Die zegt dat wrijving tussen mensen in principe vermijdbaar is mits je tijdig het complete scala van mogelijkerwijs kwetsende uitdrukkingen en woorden in kaart brengt en ze vervolgens vervangt door niet-kwetsende. Hier wordt communicatie ultiem maakbaar, maar waarschijnlijk ook nietszeggend.

De steriliteit zit wat mij betreft verscholen in een paar simplistische vooronderstellingen. Zoals dat woorden voor iedereen dezelfde betekenis hebben, dat je die betekenis centraal kunt sturen, en – zo niet – dat je zonder gevolgen betekenis kunt afschaffen.

Ik zou zeggen: laat het maar lekker schuren. Laat de signalen van gekwetstheid maar komen, op dat moment weten wij daar echt wel mee om te gaan. Zo is het in de Zwarte Piet discussie gegaan, en dat lijkt te werken. Ga vooral niet harder lopen dan nodig is, omdat modern cultural risk management dat zou vereisen.

Zie ook Communicatie is een waagstuk en Immuun

vrijdag 11 december 2015

De ellips revisited


Van allemaal was het geweldig dat ze erbij waren, zondagmiddag tijdens het debat in De Rode Hoed over de vraag of de ban op Spinoza moet worden opgeheven. Het was moedig van de vertegenwoordigers van de Joodse Orthodoxie dat ze deelnamen, en sympathiek van de twee atheïstische filosofen dat zij zich dit verwaardigden. Maar wat mij betreft zat de grootste toegevoegde waarde in de historici van naam die zich bogen over zo’n heikele en gecompliceerde kwestie als de ban die het bestuur van de Portugees Joodse gemeente in 1656 uitsprak over Baruch Spinoza.

De kwestie is heikel omdat Spinoza inmiddels wereldwijd erkend wordt als een van de meest briljante filosofen aller tijden, terwijl een Joodse gemeente als de Amsterdamse  Portugees Israëlietische Gemeente toch ook liever als een beetje snugger te boek staat. Dan helpt het niet dat je zo’n briljant lid eruit hebt gegooid.

Tegelijkertijd is de kwestie gecompliceerd omdat ook briljant gedachtegoed niet per se ongevaarlijk is. Een belangrijke voorwaarde voor een stabiele status quo (maatschappelijk, godsdienstig, politiek) is dat er niet té veel door het denken overhoop wordt gehaald, want dat zou een samenleving kunnen ontwrichten.

Spinoza’s gedachtegoed wás zeer explosief en de historici bijeen in de Rode Hoed hadden een scherp oog voor de noodzaak die de Portugese gemeente destijds voelde om de gevaren van dat denken in te dammen. Al was het maar om de Republiek die de Joden gedoogde niet tegen de haren in te strijken.

Door al deze factoren op een rijtje te zetten slaagden de voortreffelijke historici erin om tot een genuanceerd en mild oordeel te komen over de verschillende spelers in dit drama: de Portugees Joodse gemeente, Spinoza, en de latere generaties die ermee in hun maag zaten en zitten.

Maar betekent die relativerende, begrijpende houding van de historici nu dat de zaak feitelijk onopgelost in de maag moet blijven zitten? De historicus Jonathan Israël  maakte duidelijk dat dat niet hoeft: je kunt na het schetsen van het complexe grote plaatje vervolgens best een paar heldere lijnen trekken. Dat deed hij zelf als volgt.

Hij stelde vast dat de meeste voorgestelde oplossing voor het probleem van de ban over Spinoza is: opheffing van de ban. Daarbij wordt er getwist over wie dat zou mogen doen. Is alleen de Portugees Israëlitische Gemeente daartoe bevoegd omdat die de ban heeft uitgesproken, of is het iets van de hele Joodse gemeenschap?

Jonathan Israël koos er vervolgens voor om niet op die vraag in te gaan maar een andere te stellen: wie kán, uit oogpunt van mentale geschiktheid, die ban opheffen? Als je die vraag stelt wordt het, aldus Israël, volstrekt helder dat de Orthodoxie, of die nu Sefardisch of Asjkenazisch is, dat niet kan. Inhoudelijk is Spinoza’s gedachtegoed, door zijn afwijzing van een persoonlijke God en bovennatuurlijke openbaringen, immers nog steeds te zeer ondermijnend en bedreigend voor hen.

Het wordt, aldus Israël, tegelijkertijd perfect duidelijk dat de Liberaal Joodse beweging er wél wat mee kan. Die móet er zelfs wat mee (althans inhoudelijk, want strikt juridisch is dat niet mogelijk) omdat die beweging – anders dan de Orthodoxie – zich nadrukkelijk mede laat inspireren door het waardensysteem van de Westerse Verlichting. En dan kun je niet om Spinoza heen, met zijn scherpe pleidooi voor democratie, tolerantie en vrijheid.

Ik denk dat Israël gelijk heeft. Want inderdaad, de Liberale Jood leeft in twee werelden en kent twee brandpunten, ook weleens uitgedrukt als ‘de ellips’. Die brandpunten zijn enerzijds de Joodse traditie en anderzijds de Verlichting.

Leven met twee brandpunten is bepaald niet gemakkelijker dan met één brandpunt, maar in Israëls en mijn visie wel interessanter dan wanneer je het houdt bij één brandpunt. Zoiets vergt een stevig zelfbewustzijn, en ik ben blij dat liberaal denkende Joden in Nederland daartoe zondag een flink steuntje in de rug kregen van een Engelse tophistoricus.

Zie ook Pittoreske sjoeltjes en Levinas en Spinoza

donderdag 3 december 2015

Empathie is moreel neutraal


De eigenschap ‘empathie’ scoort hoog tegenwoordig. Jongeren worden er in getraind in hun opleidingen, schrijvers (zoals Ilja Leonard Pfeijffer afgelopen week in NRC) roepen ons op ons te verplaatsen in jonge jihadi’s en in allerlei vacaturuteksten wordt van kandidaten verwacht dat ze empathisch kunnen luisteren.

Deze waardering van empathie lijkt mij een goede zaak. Het vermogen om je in een ander te verplaatsen is een sociale vaardigheid van de eerste orde, en heel wat persoonlijke en zakelijke interacties zouden prettiger verlopen als betrokkenen wat meer empathie betoonden.

Maar daarmee is empathie ook haar plaats gewezen: het is primair een sociale vaardigheid met aangename sociale effecten, niets meer en niets minder. Dat vind ik belangrijk om te benadrukken, omdat ik om mij heen ook wel de neiging bespeur om empathie te beschouwen als een cruciale morele deugd. En dat vind ik verwarrend omdat inlevingsvermogen op zichzelf moreel neutraal is.

Dat kan hieruit blijken dat bijvoorbeeld folteraars over het algemeen zeer empathisch zijn aangelegd. Zij kunnen zich een goed beeld vormen van het soort pijnen dat ze hun slachtoffers aandoen. Op basis daarvan kunnen ze tot grote creatieve hoogtes stijgen in het verzinnen van nog sadistischer foltervarianten. Dankzij hun empathie.

Ook schrijvers kan het vermogen tot inleven niet ontzegd worden. Maar de boodschappen die zij met behulp daarvan verspreiden hebben beslist niet altijd moreel gewicht. Zo stelde zijn empathie Willem Frederik Hermans in staat tot het bouwen van een neerdrukkend misantropisch oeuvre, en tot venijnige uitwisselingen met critici. Meer megalomane schrijvers als Harry Mulisch gebruikten hun inlevingsvermogen vooral tot meerdere eer en glorie van zichzelf.

Het is zeker waar dat veel schrijvers hun empathisch vermogen inzetten voor het beter begrijpen van andere mensen. Maar ook daarvoor geldt: beter begrijpen is op zichzelf moreel neutraal; het kan vervolgens op ethische én op niet-ethische manieren worden aangewend.

Áls empathie bij iemand een moreel positief effect oplevert, dan komt dat door de koppeling met een andere eigenschap. Je zou kunnen zeggen dat zo iemand ‘sympathiek’ is, maar dat is ook weer zo’n vaag woord. Uiteindelijk gaat het erom dat iemand een verband weet te leggen tussen wat hij waarneemt bij een ander (met name in de categorie van pijn en kwetsuren) en zijn eigen gewelddadigheid, en zich dan ongemakkelijk voelt. Dat laatste is cruciaal.

Zie ook Levinas en empathie en Compassie of competitie?