woensdag 30 september 2026

Liever lui dan moe


Sommige motieven om AI af te wijzen overtuigen mij niet. Wat je bijvoorbeeld veel langs ziet komen is de gedachte dat iets pas waardevol is als de productie ervan veel inspanning heeft gekost. Een door AI gegenereerd liedje zou waardeloos zijn omdat daar niet een mens op heeft zitten zwoegen. Deze zweet-des-aanschijns ideologie klinkt me een beetje te calvinistisch in de oren. Uiteindelijk ben ik liever lui dan moe.

Zo hoor ik ook regelmatig zeggen dat iets goeds alleen maar kan ontstaan als in de productie ervan veel tijd is geïnvesteerd. Maar, vraag ik me dan af, is er werkelijk zo’n eenduidige relatie tussen tijd en kwaliteit? Er zijn toch niet voor niets wonderkinderen die in no-time superieure muzikale of schaakprestaties neerzetten? Doet die snelheid daaraan af?

Er wordt ook gezegd: gedachten moeten uit jezelf komen, of uit anderen, maar in ieder geval uit mensen, niet uit een machine. Deze uitspraak raakt wel een snaar bij me, maar ik vraag me af waarom. Als die machine veel meer data kan meenemen in zijn eindproduct, heeft die dan niet een veel breder perspectief dan ik of anderen ooit zullen hebben? Mensen worden daartegenover juist kleiner en minder belangrijk.

Toch zit er in die aansluiting bij de menselijke oorsprong van gedachten een element dat me wél overtuigt: mensen zijn niet voorspelbaar. Terwijl AI bij uitstek voorspelbaar is, want werkend met bestaande, al bekende statistische gemiddeldes. Maar waarom zou onvoorspelbaarheid een pre zijn? Is de zekerheid van voorspelbaarheid niet een veel groter goed? 

Kennelijk niet, althans voor mij niet. Op één of andere manier zoek ik de ontmoeting met absolute andersheid. Dat is waarschijnlijk Levinas’ désir d’autrui.

Zie ook Levinas, Kant en Bobbie en De roman als omweg.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Liever lui dan moe en scrol naar beneden door.

vrijdag 18 september 2026

Op je handen zitten


Voor de laatste aflevering van Zomergasten op 30 augustus was psychiater Jim van Os de gast van Janine Abbring. In gesprek met haar pleitte Van Os ervoor, zoals hij al langer doet, om in de psychiatrische zorg te kijken voorbij de in medische termen gestelde diagnoses en behandelcombinaties van de Diagnostic and Statistical Manual (DSM). De reacties die ik tot nu toe beluister op zijn optreden lopen nogal uiteen.

Televisierecensent Maaike Bos sympatiseert in haar bespreking in Trouw duidelijk met Van Os wanneer hij de ideeën die mensen krijgen in ontregelde en angstige staat benoemt als “uit de hand gelopen betekenisgeving”. Ze benadrukt zijn niet-alleen-maar-medische benadering: “Vroeger ging de patiënt naar een ziekenhuis, opsluiting, diagnose, afsluiting. Van Os ziet liever een open dialoog, in gesprek gaan met de waanzin. Een mens in nood heeft het meest aan oprecht contact. Iets waar de Nederlandse gezondheidszorg nu niet op is ingericht.”

Psychiater en neurowetenschapper Iris Sommer vindt dat Van Os met zijn kritiek op de gangbare psychiatrie zijn collega’s onrecht aandoet. “Hen kenschetsen als medici die een hokje aanvinken en een receptje voorschrijven is baarlijke nonsens.”

Schrijver (onder andere over psychiatrie) Berry Vorstenbosch vraagt zich af in hoeverre bij Van Os sprake is van een wondergenezer-complex. Zijn uitspraak over de noodzaak van “een heel nieuwe menselijke aanpak in de psychiatrie” zou daarop kunnen duiden. Maar tegelijkertijd stelt hij vast dat Van Os’ nuchterheid en volle samenwerking met de GGZ gedurende zijn carrière hem heeft behoed voor de grootheidswaan van het sjamaanschap.

Zelf waardeer ik de poging van Van Os om het perspectief breder te trekken dan veel van de gangbare psychiatrie doet. En wat me bijblijft is zijn nadruk op de noodzaak om bescheiden te zijn over het vak, zowel wat betreft het wetenschappelijke gehalte ervan als wat betreft de concrete resultaten bij de beoefening van het vak. Het feit dat de menselijke geest zo’n glibberig, ongrijpbaar onderwerp is maakt op beide vlakken het psychiatrische werk tot een moeizame onderneming. Geduld en uithoudingsvermogen zijn dan cruciaal.

Wetenschappelijk gezien staat volgens Van Os de psychiatrie nog maar in de kinderschoenen. Dat wil niet zeggen dat er geen goede psychiatrische wetenschappers zijn, er wordt wel degelijk goed onderzoek gedaan. Maar gegeven het weerbarstige onderwerp leidt dat niet direct tot spectaculaire resultaten zoals bij kankeronderzoek of op andere medische terreinen het geval is. Psychiatrisch onderzoek vergt lange adem, frustratietolerantie en uithoudingsvermogen van wetenschappers. Precies dat, zegt Van Os, kon men zo’n dertig, veertig jaar geleden niet meer opbrengen. Men hield de vaagheid niet langer uit, ook omdat vanuit andere medische disciplines neergekeken werd op de zoekende psychiatrie. De behoefte om zich als harde wetenschap te bewijzen werd onweerstaanbaar. De biologische psychiatrie, die er vanuit gaat dat elke psychische stoornis een materiële veroorzaker heeft die in het brein aanwijsbaar is, sprong in dat gat. Die leek, met in het kielzog de DSM, de zekerheid te bieden die men zocht. De opluchting onder psychiatrische vakgenoten was groot, men telde weer mee als evidence based wetenschapper. Maar, zegt Van Os, het slaat nergens op want zulke één-op-één relaties tussen een breindeel en een stoornis zijn feitelijk nooit gevonden. Áls er relaties zijn tussen een stoornis en het brein kunnen die verspreid zijn over wel duizend genen. Psychiatrisch onderzoekers zijn door de knieën gegaan, ze hadden gewoon door moeten gaan met moeizaam analyseren, beschrijven en testen, aldus Van Os.

Voor wat betreft de therapeutische praktijk van het vak in de spreekkamer (of zoals Van Os bepleit: vooral ook daarbuiten): ook die is en blijft moeizaam. “Het is het relationele ploeteren van mens tot mens waar het om gaat”, zegt Van Os over de relatie behandelaar/patiënt. “En dan nog weet je het niet, het is onvoorspelbaar. Het is niet lineair”. Therapie is eigenlijk “heel erg op je handen gaan zitten”. Niet eenvoudig voor mensen met een opleiding tot arts.

Zie ook Genoeg verbinding.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Op je handen zitten en scrol naar beneden door.

donderdag 10 september 2026

Gods Herinneren


Is het een luxe dat we tegenwoordig zoveel herdenken? We richten monumenten op ter herinnering aan ons slavernijverleden; we leggen struikelstenen voor slachtoffers van de Sjoa; we herdenken heksenvervolgingen, bieden excuses aan voor gedwongen adopties en inventariseren uit vroegere kolonies gestolen kunstwerken.

Er zijn opiniemakers die daar de draak mee steken. Moeten de Italianen dan geen excuses aanbieden voor de imperialistische veroveringen en wreedheden van het Romeinse Rijk? En de Engelsen voor de overheersing van de oorspronkelijke Keltische bevolking? De filosoof Agnes Heller vraagt zich af of alle herdenkende filosofie niet voortkomt uit de afwezigheid van eigentijdse dramatische gebeurtenissen. Die heb je, volgens haar, nodig om tot echt nadenken te komen. Zo bezien zijn we dus een beetje verwend, en al het herdenken is daar een symptoom van.

Nu kun je je afvragen of het ontbreken van dramatische gebeurtenissen is wat onze tijd kenmerkt. Ja, misschien in het welvarende Westen, maar het ontbreekt elders op de wereld bepaald niet aan drama. Aandacht voor menselijk lijden in heden en verleden blijft daarom op ons netvlies staan. Maar los daarvan inspireert een tekst uit de liturgie van Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) in deze dagen mij tot bevestiging van het belang van die aandacht. In de tweede helft van de dienst gaat het over Gods Herinneren:

“U herinnert zich al wat ooit plaats vond en denkt aan al wat eerder ontstond. Al wat verborgen is, ligt voor U open, alle mysteries vanaf het begin. Niets is vergeten in Uw stralende glorie, niets blijft verborgen voor Uw blik.”

Bijzonder is dat Walter Benjamin, een seculiere Joodse historicus uit de eerste helft van de twintigste eeuw, zich precies dat herinneren ten doel stelde die de Rosj Hasjana liturgie aan God toeschrijft. Maar dan geformuleerd in termen van menselijke arbeid: het opdelven uit de vergetelheid, via een systematisch volgehouden napluizing van materiële en schriftelijke overblijfselen, van het onooglijke uit het verleden dat gedoemd was naamloos en marginaal te blijven. Is dat een luxe? Nee, dat is een daad van respect.

Zie ook Meerstemmigheid gesmoord en Gelijke behandeling.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Gods Herinneren en scrol naar beneden door.

donderdag 3 september 2026

La petite bonté


De Nederlandse Beweging van Barmhartigheid organiseert een landelijke schrijfwedstrijd rond kleine gebaren van menselijkheid. De bedoeling is dat de resultaten van de wedstrijd laten zien hoe het alledaagse bijdraagt aan een humane samenleving. In de woorden van het organiserend comité: “Kleine gebaren kunnen grote betekenis hebben. In een wereld die lijkt door te draaien, zoeken we naar de kleine goedheid. Dat zijn niet altijd heldendaden of grote gebaren, maar blijken van aandacht, menselijkheid en onverwachte goedheid. Met deze schrijfwedstrijd nodigt de Beweging van Barmhartigheid iedereen uit om deze momenten zichtbaar te maken.” De beste inzendingen worden gepubliceerd.

Het comité schrijft geïnspireerd te zijn door wat Levinas zegt over ‘de kleine goedheid’ (la petite bonté). Daarover spreekt hij in De nabijheid van de ander als volgt: 

“Tussen alle ellende en verwording van menselijke verhoudingen houdt de goedheid stand. Ze blijft mogelijk, ook al kan ze nooit een regime, georganiseerd systeem of sociale institutie worden. Elke poging om het menselijke helemaal te organiseren is tot mislukken gedoemd. Het enige wat levendig overeind blijft is de goedheid van het dagelijks leven: de kleine goedheid. Ze is fragiel en voorlopig. Ze is een goedheid zonder getuigen, in stilte voltrokken, bescheiden, zonder triomf. Het zijn de gewone mensen, ‘kwetsbare zielen’, die voor haar opkomen en haar telkens weer voltrekken. Ondanks alle verschrikkingen die de mens veroorzaakt in naam van het ‘grote goede’ blijft de kleine goedheid overeind, zoals een platgetrapt grassprietje dat zich weer opricht. Ze is misschien wel ‘gek’ – een ‘dwaze goedheid’ –, maar ze is tegelijk het meest menselijke in de mens.”

Ik vind het uiteraard interessant dat Levinas erbij wordt gehaald. Maar dat is misschien niet nodig, want het is de vraag wat deze tekst van Levinas toevoegt aan oudere teksten uit de westerse traditie die het kleine gebaar centraal stellen. Vóór het begin van de jaartelling deden de Stoïcijnen dat al door te benadrukken dat een mens maar beperkt in staat is om dingen in de wereld te veranderen. Hij doet er goed aan besef te kweken van het bescheiden gebied waar hij verschil kan maken met zijn handelen en kan zich het beste daarop concentreren. Sommige stromingen in het Christendom namen deze nadruk op bescheidenheid over en voegden daar soberheid aan toe, bijvoorbeeld de Franciscanen van Franciscus van Assisië van wie de uitspraak is overgeleverd: “Geef me de moed om te veranderen wat ik kan veranderen. Geef me de wijsheid om te accepteren wat ik niet kan veranderen. Geef me het inzicht om het verschil tussen beide te zien”.

Op deze wijsheden valt weinig af te dingen. Maar ik betwijfel of Levinas is onder te brengen bij dit gezelschap, zoals het prijsvraagcomité doet. Ik denk van niet want bij Levinas ziet de mogelijkheid om het kleine goede te doen er net wat anders uit dan bij de genoemde richtingen. Dat komt omdat de andere mens – door Levinas soms de Ander genoemd – er anders uitziet. Voor Levinas is de ander niet zozeer het object van mijn goede bedoelingen, dus iemand voor wie ik ook op bescheiden schaal initiatief kan nemen om iets goeds te doen. Levinas draait het om: het initiatief ligt bij de ander, die breekt in bij mij en mijn egoïsme. Het kleine zit erin dat zoiets plaatsvindt in vaak triviale, onooglijke situaties van alledag.

Vaak klein dus, maar wel altijd heftig, en dat is een tweede verschil met de stoïcijnse en Christelijke liefdadigheid. Voor Levinas hoort er altijd de ervaring bij van mijn eigen vanzelfsprekende gedrag tegenover de ander als iets imperialistisch. De ander toont wat ik hem heb aangedaan – ik doe hem pijn, zo direct is het – en daar kan ik me voor schamen. De twee verschillen hangen samen: de heftigheid die schaamte nu eenmaal met zich meebrengt kan verklaren dat ik in actie kom. Maar die actie is vooral te begrijpen als reactie op de kwetsuur van de ander en niet als initiatief van mij. En ja, dat kan dus over hele kleine dingen gaan.

Zie ook Iets kleins en Wie is de ander bij Levinas?

Wil je commentaar geven of zien: klik op La petite bonté en scrol naar beneden door.