vrijdag 20 augustus 2021

Even slikken


Een grote groep Nederlanders vraagt zich steeds vaker af: hoe zijn we in godsnaam in deze politieke situatie terecht gekomen van afbrokkelende werkzekerheid, haperende jeugdzorg, onbetaalbare huren en afkalvend onderwijs? En waar gaat dit eindigen?

Voor het antwoord tasten we dan wat in het duister: het was de neoliberale op de markt gerichte tijdgeest van de jaren tachtig, de Angelsaksische invloed van Margareth Thatcher en Milton Friedman die eigenlijk on-Nederlands was, maar waar we mede door de kwakkelende economie van de jaren zeventig maar aan toegaven. 

Nu denk ik inderdaad dat er tijdens de jaren tachtig grote en deels terechte politieke zorgen bestonden over een onhoudbaar doorschietende verzorgingsstaat. “Nederland is ziek”, zei premier Lubbers naar aanleiding van het uitdijend aantal mensen in de WAO, en PvdA-leider Kok bleek het daarmee eens te zijn. Al eerder waren de sociale partners het eens geworden over loonmatiging en de noodzaak van bezuinigen, en daarover werden afspraken gemaakt in het Akkoord van Wassenaar.

Zo bezien lijkt de politieke koers van de Nederlandse regeringen in de jaren tachtig en negentig vooral pragmatisch van aard geweest te zijn. De verzorgingsstaat stond niet ter discussie, maar was hier en daar uit zijn voegen gegroeid en de politieke ingrepen waren niet meer dan correcties op die scheefgroei. Daar kwam geen ideologie aan te pas en daarom verliep de heroriëntatie in goede harmonie, volgens de beste tradities van het Nederlandse poldermodel. 

Maar klopt dat beeld wel? Ging het echt om alleen maar technische, ideologisch neutrale ingrepen? Hoe kan het dan dat we op dit moment in een regelrechte neoliberale dystopie terecht lijken te komen?

In een interessant NRC interview maakt de politiek socioloog Merijn Oudenampsen duidelijk dat er begin jaren tachtig meer aan de hand was: er werden wel degelijk scherpe ideologische keuzes gemaakt, precies in neoliberale richting. 

Toen Lubbers de verkiezingen won in 1982, vertelt Oudenampsen, lagen er twee rapporten klaar die elk een eigen antwoord formuleerde op de actuele sociaal-economische problematiek. Het eerste rapport, opgesteld onder leiding van de econoom Schouten, bepleitte een keynesiaanse koers. Waar nodig moest de verzorgingsstaat aangepakt worden, maar over het algemeen moest er meer in geïnvesteerd worden. Het tweede rapport was afkomstig van een commissie onder leiding van oud-Shell-topman Gerrit Wagner. Dat rapport stelde loonmatiging, deregulering en hervorming van de sociale zekerheid voor.

Als aantredend premier maakte Lubbers de keuze voor het tweede rapport, hij nam de neoliberale voorstellen van de commissie Wagner integraal over.

Om de desillusie compleet te maken laat Oudenampsen zien dat dat niet eens zo verrassend is: het paste in een Christendemocratische stroming die eigenlijk al vanaf de Tweede Wereld Oorlog neoliberaal geöriënteerd was – met een kort keynesiaans intermezzo van 1965 tot 1975 – en niet veel had met de verzorgingsstaat en een sterke overheid. Bij de eerste tekenen van economische crisis zag je dan ook, aldus Oudenampsen, Christendemocratische ambtenaren en politici als Frans Rutten, Jelle Zijlstra en Nout Wellink zich daarvan afwenden en opschuiven naar de ideologie van de vrije markt.

Ik spreek over desillusie, omdat het mensbeeld achter het neoliberalisme nogal plat is: mensen handelen in die visie vooral vanuit welbegrepen eigenbelang. Dat verwacht je niet direct van Christendemocraten. Waarschijnlijk werd om die reden, toen Lubbers Wagners plan ook daadwerkelijk ging uitvoeren, “het typisch liberale vrijemarktverhaal overgoten met een christelijk sausje van zorgzaamheid en verantwoordelijkheidszin”, aldus Oudenampsen.

De overgang naar neoliberaal beleid verliep dus helemaal niet zo terloops en ideologisch neutraal als we vaak denken. Er is een moment van expliciete keuze geweest. Oudenampsen stelt het scherp wanneer hij zegt dat, als we op dat moment hadden gekozen voor het rapport Schouten, we nu een meer Scandinavisch model zouden hebben in plaats van de huidige liberale verzorgingsstaat. 

Dat is even slikken.

Zie ook Crisis van het geld of van het denken? en Gevaarlijk optimistisch

Wil je commentaar geven of zien: klik op Even slikken en scrol naar beneden door.

dinsdag 10 augustus 2021

Klimaat en leiderschap

Een paar citaten van de voorpagina van mijn krant vanmorgen:

“Rutte voelt weinig voor maatregelen die GroenLinks en PvdA aandragen, zoals een strenge CO2-heffing of inkrimping van de veestapel.”

Het tegengaan van klimaatverandering “kost veel geld, en het vraagt veel van burgers en bedrijven, onherroepelijk met protest en verzet tot gevolg. Dat aspect laat Rutte liever onbenoemd.”

Rutte wees op de kansen die de energietransitie biedt voor de economie. “Nederland kan vooroplopen, want we zijn ook zevende geworden wat het aantal medailles betreft bij de Olympische Spelen. Ik ben ervan overtuigd dat Nederland bij de Olympische Spelen van het Klimaat ook nummer één kan zijn.”

De citaten brengen mij op het thema  ‘leiderschap’. Met tegenzin, want dat vind ik een problematisch concept. Ik heb nooit zoveel met de gebruikelijke verhandelingen over ‘Leiderschap en organisatie’ of ‘Eigenschappen van een echte leider’. Ik weet niet of er zoiets bestaat als ‘de essentie van leiderschap’. Voor mijn gevoel is leiderschap altijd gebonden aan een situatie en toont de één het meer in de ene en de andere meer in de andere situatie. 

Wat ik wel weet is dat Rutte geen leiderschap toont op het cruciale vlak van klimaatverandering. Op dat vlak vraagt leiderschap om het uitdragen van de ernst van de situatie en dat doet hij niet of mondjesmaat, uit angst voor weerstand. Dan wordt het moeilijk om de mensen te vragen om hun bijdrage te leveren, hij denkt dat hij ze moet motiveren als kleine kinderen door er een Olympisch spelletje van te maken. Rutte neemt zo in feite behalve de situatie ook de mensen niet serieus. Dat is een ernstige onderschatting van hun zorgen en hun vermogen tot verandering, en dat betitel ik als falend leiderschap.

De urgentie die ik zoek tref ik eerder aan bij D66 en GroenLinks. En bij de Christen Unie die spreekt van een levensbedreigende situatie, en waarvan partijleider Segers zegt: “Als mensen veroorzaken we opwarming, maar we kunnen ook onze troep weer opruimen”. Hier wordt weinig gelikt naar de kiezers-consumenten en ik denk dat, op dit moment in onze situatie, leiderschap zo’n houding vereist.

Ik weet ook wel dat Segers geen partij is voor Rutte qua kamerzetels. Maar als Rutte niet met GroenLinks en/of de PvdA wil praten (“heel veel klimaat”) kan hij Segers nog nodig hebben. Niet alleen voor een kabinet, maar ook voor leiderschap.

Zie ook Gevaarlijk optimistisch en Leiderschap en energie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Klimaat en leiderschap en scrol naar beneden door.

vrijdag 6 augustus 2021

Eindstrijd


Het is een aardige man, rabbijn Raphael Evers, dus over zijn persoon wil ik het niet hebben. Maar wel over zijn wereldbeeld, want dat vind ik op onderdelen nogal bizar. Het komt aan de orde in een recent interview met Evers in het Nieuw Israëlitisch Weekblad naar aanleiding van zijn aanstaande verhuizing naar Israël. 

De rabbijn vertelt daarin dat hij zich zorgen maakt over het toenemende antisemitisme in Europa, dat zich onder andere via social media voortdurend opdringt. “Er wordt veel gedaan aan antisemitismebestrijding, maar het haalt niets uit.” Bij die uitspraak kan ik me iets voorstellen, net als bij de dreiging vanuit Iran voor Israël waar Evers over spreekt. Maar de conclusie die hij daaraan verbindt is wel erg totaal: “Het lijkt wel alsof de hele samenleving aan het instorten is.”

En dat kan hij verklaren op basis van de Joodse geschriften, wanneer die spreken over Abrahams zoon Jismaël, de stamvader van de Moslims. Evers ziet het al beschreven in Genesis 16. God zegt daar dat Jismaël een wildeman onder de volkeren zal zijn. Evers: “Tot nu was de wereld ingedeeld in twee verschillende rijken: het westen was christelijk, het oosten islamitisch. Die twee waren gescheiden, maar in onze generatie zien we dat Jismaël overal is. Lees je de heilige teksten erop na, dan volgt er een eindstrijd waarin westerse en oosterse volken tegen elkaar strijden. In de Joodse staat zal het zwaartepunt liggen. Ik wil daar dan toch bij zijn. Er staat geschreven dat die eindstrijd maar heel kort zal duren, een paar minuten.”

Hoe wereldvreemd wil je het hebben? ‘De wereld’ opgebouwd te zien uit de componenten Christendom en Islam met het Jodendom daartussen laat zonder blikken of blozen hele continenten van beschaving buiten beschouwing, waaronder miljarden Chinezen, Indiërs en Afrikanen. 

Hoe narcistisch wil je het hebben? Jouw eigen volk met Jeruzalem als centrum tot middelpunt te maken van zowel de mondiale geografie (het zwaartepunt tussen Oost en West) als van de wereldgeschiedenis. 

De wereldvreemdheid en het narcisme van deze opvattingen stuiten me tegen de borst. Vanwege het megalomane en potentieel gewelddadige karakter van zulke fantasieën, maar ook vanwege het totale gebrek aan wetenschappelijkheid ervan. 

Ik weet niet in hoeverre deze opvattingen de pretentie hebben wetenschappelijk te zijn. Evers wijst graag op zijn academische titels ‘meester’ (in de rechten) en ‘doctorandus’ (in de psychologie) maar ik ben bang dat de wetenschappelijkheid in zijn benadering van de geschiedenis ver te zoeken is. Terwijl de ultieme test voor wetenschappelijkheid van veel uitspraken misschien wel ligt in de manier waarop historische feiten en ontwikkelingen erin worden weergegeven. Zorgvuldige benadering van het verleden, en dat het liefst wereldbreed, biedt de mogelijkheid om narcistische en wereldvreemde bias te vermijden.

Ik denk trouwens wel dat de Sjoa van wereldhistorische betekenis is, in de zin dat het een absoluut moreel dieptepunt van menselijk handelen vertegenwoordigt. Maar om vervolgens de hele wereldgeschiedenis om Israël heen te draperen? Dat grenst aan grootheidswaanzin, en vooral: het doet geen recht aan de rest van de wereld. 

Los daarvan: de kans op een klimaatapocalyps lijkt op dit moment groter te zijn dan die op de klassiek-bijbelse apocalyps.

Zie ook God en Psyche

Wil je commentaar geven of zien: klik op Eindstrijd en scrol naar beneden door.

dinsdag 27 juli 2021

Reppen


Ongerepte natuur is mooi. In Nederland hebben we dat niet meer, dus ik denk daarbij al gauw aan beelden van steppes in Tanzania of bossen in Finland.

Maar mooier nog dan ongerept natuurlandschap vind ik ongerept cultuurlandschap. Daarmee bedoel ik een landschap dat door de mens, meestal voor de landbouw, in cultuur gebracht is, maar op een manier die nog nauw aansluit bij het oorspronkelijke natuurlandschap. Denk aan de rijstvelden in Indonesië of aan de wijngaarden van Toscane. 

Onlangs was ik op Texel en zag ik glimpen van de Nederlandse variant daarvan langs de Texelse oostkust: afwisselende lapjes grond van diverse kleuren, omzoomd door heggen en bosschages, met traditionele boerderijen en schuren daartussen verspreid. Prachtig!

Ongerept cultuurlandschap is natuurlijk gewoon gerepte natuur, maar ik noem het toch ongerept omdat het nog een eigen oorspronkelijkheid heeft. Het is nog niet beschadigd door ruilverkaveling en grote stalen schuren. Die reppen pas echt omdat ze het landschap saai en lelijk maken.

Of zou men dat duizend jaar geleden, toen men daar begon met landbouw bedrijven en schuren bouwen, ook beleefd hebben als verlelijking – repping – van het landschap? En is men zich pas in de loop van de tijd gaan hechten aan het cultuurlandschap? Dat zou betekenen dat wij op onze beurt ons nog kunnen gaan hechten aan de stalen dozen en onmetelijke percelen raaigras in ons land.

Maar ik denk niet dat dat kan.

Zie ook Bakstenen en Windmolens

Wil je commentaar geven of zien: klik op Reppen en scrol naar beneden door.

maandag 19 juli 2021

Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie




Je hoort het de laatste tijd wel vaker: organisatiemedewerkers, waaronder leidinggevenden, verlangen van hun werk dat het voor hen persoonlijk van betekenis is. Daar moet de motivatie vandaan komen. Dit in contrast tot andere motiverende aspecten van werk die tot nu toe minstens zo krachtig waren maar aan betekenis zouden verliezen, zoals sociaal  aanzien, maatschappelijke status en gehoorzaamheid aan de autoriteit van anderen. Vandaar de vele verhalen over mensen die met succes een prestigieuze positie hebben verworven maar nu besluiten om hun hart te volgen en iets anders te gaan doen.

Overigens gaat zo’n werkswitch in veel gevallen niet gepaard met een verlies aan inkomsten. Kennelijk is de arbeidsmarkt voor werknemers zo gunstig dat je je innerlijke drijfveren kunt volgen zonder daar materieel veel voor in te leveren.

Over het belang van persoonlijke motivatie kwam in Trouw laatst een interessant interview voorbij met Wiebe Draijer, de bestuursvoorzitter van de Rabobank. “Blijf dichtbij wat je echt drijft, dan ben je tot veel meer in staat dan je denkt én kom je pas echt tot je recht”, zegt Draijer. Hij noemt dat “je diepere motivatie”, die kan zorgen voor inspiratie en houvast. Daar krijgt je overtuiging vorm, begint authenticiteit en transparantie in de communicatie. 

Voor Draijer zelf bestaat de innerlijke drijfveer eruit dat hij maatschappelijk wat wil betekenen. Hij ziet met lede ogen “de grotere afstand tussen arm en rijk, een bepaalde richtingloosheid, gebrek aan moreel leiderschap en de instabiliteit die daar het gevolg van is” en dat motiveert hem tot het volhouden van zijn intensieve leefstijl als CEO, iedere dag opnieuw. 

Draijer meent dat bij een groeiende groep CEOs aandacht is voor diepere motivatie en authenticiteit. Hij denkt te zien “dat er een leiderschapstransitie gaande is waarbij we de persoonlijke motivatie veel meer een eerlijke plek geven. Organisaties en uiteindelijk de wereld gaan er denk ik beter van worden als mensen sneller uitsorteren naar de plek waar ze met hun diepere motivatie het beste tot hun recht kunnen komen. Daar wordt iedereen gelukkiger van”.

Draijer heeft zonder meer een punt als hij zegt dat innerlijke motivatie voor je werk het meest gezonde uitgangspunt is. Dan kom je inderdaad het beste tot je recht, ben je verzekerd van energie en het beste beschermd tegen burn-out. Ik snap alleen niet waarom Draijer denkt dat de wereld er beter van wordt als iedereen zijn eigen drijfveren meer volgt. Want de termen ‘innerlijke motivatie’ of ‘diepste motivatie’ zeggen nog helemaal niets over de aard van die motivatie. 

In het geval van Draijer zit dat wel goed, hij wil graag zijn bijdrage leveren aan grotere gelijkheid en rechtvaardigheid in de samenleving. Dat kun je gerust nobele motieven noemen. Maar zijn verhaal suggereert dat diepere innerlijke motivatie per definitie, als tegengesteld aan uitwendige motivatie, altijd nobel van aard is. Dieper is nobeler.

Ik betwijfel of dat zo is. Bij sommige mensen, bijvoorbeeld Drayer, beslist wel. Maar waarom zouden er deep down van binnen bij andere mensen niet heel andere motieven klaarliggen? Veel geld verdienen bijvoorbeeld, dat is voor een handelsman best een intrinsieke drijfveer te noemen, en het kan zijn dat hoe meer hij naar binnen kijkt, des te meer blijkt dat dat zijn motivatie vormt. Daar gaat hij voor!  

En als Richard Branson, Jeff Bezos en Elon Musk in hun nadagen ‘dieper in hun innerlijk’ duiken willen ze ineens op de meest klimaatdestructieve en geldverspillende manier de ruimte in. Marc Zuckerberg wil naarmate hij ouder wordt alleen maar nog groter groeien. Waarschijnlijk hebben die mannen diep van binnen een grote leegte aangetroffen en drijft bestrijding van de verveling hen tot grote daden.

Motivatie kan dus heel goed van binnenuit komen, maar niet per se die maatschappijbetrokken trekken vertonen als van Draijers motivatie. De termen van persoonlijke diepte en innerlijkheid volstaan daarom niet om uit te komen bij een betere wereld. Daarvoor is eerder het permanente gesprek met anderen nodig over de vraag ‘Wat willen wij voor samenleving zijn?’. Niet zozeer in persoonlijke diepte, alswel in maatschappelijke breedte.

Wat blijft staan van Draijers verhaal: zo’n eigen innerlijke drijfveer waarbij je gedreven wordt door je eigen betekenisgeving en motivatie maakt je krachtig. Je zult niet zo gauw omvallen.

Zie ook Leiderschap en energie en Adrenaline

Wil je commentaar geven of zien: klik op Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 juli 2021

Zijn Joden wit?


Horen Nederlandse Joden historisch gezien nu bij de onderdrukkers of bij de onderdrukten? De vraag komt voort uit een te simplistisch denkkader, maar naar aanleiding van de groeiende belangstelling voor het slavernijverleden van Nederland wordt hij toch regelmatig gesteld.

Het antwoord kan nooit eenduidig zijn. Het is overduidelijk dat Joden in de Nederlandse geschiedenis te maken hebben gehad met juridische achterstelling (tot 1800), met maatschappelijke discriminatie (negentiende en twintigste eeuw) en uitroeiingsmaatregelen. Dus dat ze hun portie onderdrukking wel gehad hebben.

Maar historisch onderzoek naar de slavernij maakt ook duidelijk dat van de zeventiende tot de negentiende eeuw Joden een flink aandeel hadden in de Surinaamse en Antilliaanse plantages en daar slaven hielden. Ze hebben daar opgetreden als onderdrukkers.

Om die laatste reden worden Joden in de huidige racismediscussie, die zich versmalt tot de vraag of je wit/onderdrukker bent of zwart/onderdrukt, regelmatig in het witte kamp ondergebracht. De tentoonstelling ‘Zijn Joden wit?’ in het Joods Cultureel Kwartier probeert in die zwart/wit-discussie wat tussenschakeringen aan te brengen. Niet door feiten over het slavernijverleden te verdoezelen of te ontkennen dat Joden soms inderdaad geprivilegieerde posities van macht konden bekleden. Maar door te laten zien dat het voor Joden als de eeuwige ander ook zo maar, ineens, onvoorspelbaar afgelopen kon zijn met iedere macht of positie. En dat vanuit die ervaring, gevoegd bij de eeuwenlang liturgisch herdachte bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij, Joodse groeperingen een bijna vanzelfsprekende solidariteit hebben gevoeld met emancipatiebewegingen van anderen, zoals de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw en de Black Lives Matter beweging nu.

Wat mij opvalt, naar aanleiding van een artikel van historicus Karwan Fatah-Black, is dat op een gevoelig punt de Nederlandse Joden en de Nederlandse nazaten van tot slaaf gemaakten een onmiskenbare gelijkenis vertonen. Waar mainstream Nederland, zoals vertegenwoordigd door opiniemakers, politici en kunstenaars, het wel een beetje heeft gehad met de ‘enge focus’ in het herdenken van historische rampen van het slavernijverleden en de Jodenvervolging en de aandacht wil uitbreiden naar ‘moderne slavernij’ of ‘universeel onrecht’, maakt zowel de Joodse als de zwarte gemeenschap daar ernstig bezwaar tegen. En zij gebruiken dezelfde woorden om hun bezwaren te formuleren: de verbreding betekent ‘verwatering’ en leidt af van waar het de herdenkers om gaat: de ramp die hun voorouders trof. Die is te groot om te vermengen met andere rampen, hoe gerechtvaardigd de aandacht daarvoor ook is.

‘Haal er niet van alles bij’ als je gaat herdenken. Dat is kennelijk wat onderdrukking – van welke aard ook – als impact achterlaat bij de onderdrukten. Je kunt het er gewoon niet bij hebben.

Zie ook 4 Mei 2012, Humane slavenhouders en Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zijn Joden wit? en scrol naar beneden door.

donderdag 1 juli 2021

De mensenrechten revisited


In allerlei blogberichten heb ik me weleens sceptisch getoond over de manier waarop universele mensenrechten functioneren in onze samenleving.

Ik vond bijvoorbeeld de kritische analyse van Hannah Arendt over het recht op asiel wel realistisch. Dat mensenrecht is sinds de jaren vijftig uitgewerkt in diverse vluchtelingenverdragen, maar Arendt dacht dat formulering en toekenning ervan weinig bescherming zouden kunnen bieden aan de mensen die het nodig hebben. In de praktijk, zag ze en wist ze uit eigen ervaring, zijn mensenrechten in feite burgerrechten. Burgers van nationale staten kunnen succesvol rechten claimen. Maar als je om wat voor reden dan ook stateloos bent is er geen claimadres. Dan blijkt zo’n mensenrecht een hol en abstract begrip.

Daarnaast had ik het een keer over de weerzin van veel ontwikkelingslanden tegenover  propaganda voor de mensenrechten door westerse landen. Het opgeheven vingertje wordt beleefd als neokoloniale betutteling door de voormalige kolonisatoren. Veel Afrikaanse landen hebben daarom liever te maken met China omdat Chinese hulp niet gepaard gaat met opdringerige ideologie. De evidente machtspolitieke motieven nemen ze daarbij maar voor lief.

Verder kan het iconische plaatje van de waardigheid van het individu in de Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 de indruk wekken dat totale vrijwaring van iedere inbreuk daarop gegarandeerd kan worden. Die combinatie van geloof in maakbaarheid en absolute rechten van het individu kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in de definitie van het recht op gezondheid door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit de jaren vijftig. Gezondheid werd daarin omschreven als ‘a state of total physical and mental well-being’ waar ieder mens recht op zou hebben. Het leidde tot uitbundig claimgedrag van zelfbewuste individuen en tot een lawyers paradise, en liet wat mij betreft zien hoe pervers formulering van ‘totale’ mensenrechten kan uitpakken in een ik-gerichte samenleving. Ik vond daarom het absolute karakter gedateerd aandoen, als product van een idealistische humanistische traditie die aan herijking toe is.

Al die bedenkingen bij de mensenrechten snijden ongetwijfeld enig hout, maar mijn achting voor het fenomeen mensenrechten is de laatste tijd met sprongen gegroeid. Dat heeft te maken met de rechtszaken voor milieubescherming tegen Shell, tegen nalatige overheden en binnenkort misschien ook tegen financiers als het ABP. Daarbij wordt een beroep gedaan op de fundamentele rechten op leven, gezondheid, voedsel van huidige en toekomstige generaties. Dat is beslist mensenrechtenjargon, maar het werkt! “Mensenrechten en bescherming van de leefomgeving blijken een bruikbare juridische basis voor klimaatzaken”, zo meldt de krant deze week. 

Laten mensenrechten dan absoluut geformuleerd, abstract of neokoloniaal zijn, een kniesoor die daar nog op let met zulke resultaten. Misschien gloort er opnieuw een paradijs voor advocaten, maar dan van de goede soort.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 25 juni 2021

Paradoxaal


Het klinkt paradoxaal, maar soms denk ik wel eens dat het meedogenloze politieke en militaire beheersingsbeleid van de staat Israël per saldo een gunstig effect heeft op het imago van Joden in de wereld. Zij doen ook gewoon aan machtspolitiek!

Het is niet verheffend wat we zien: het landjepik op de Westbank, het afknijpen van een overbevolkt reservaat in Gaza, en een buitenlandse politiek die coalities met Saoedi-Arabië en andere duistere regimes niet schuwt.

Maar met dit soort Realpolitik voegt Israël zich in het bekende machiavellistische machtsspel van raison d’état dat al eeuwen gespeeld wordt door westerse grootmachten, en waar we allemaal vertrouwd mee zijn.

Heel anders dan de bevreemdende rol die de Joden ongeveer tweeduizend jaar, tussen de eerste en de twintigste eeuw, gespeeld hebben. Namelijk die van een volk dat op militair onbeschermde wijze, verspreid over de continenten, afhankelijk van de voortdurend wisselende luimen van anderen, overleefde door zich vast te houden aan zijn spirituele erfenis zoals vastgelegd in Tenach en Talmoed.

Misschien een hele prestatie, maar niet goed voor het Joodse imago. Want wat waren dat voor mensen die dit hachelijke bestaan verkozen? Luftmenschen! Dat is toch niet normaal? Daar moest een steekje aan los zijn! Of beschikten ze over geheime duistere krachten? De bevreemding riep complottheorieën op, en agressie. En dat bleek meermalen in de geschiedenis levensgevaarlijk te zijn. 

Dan kun je beter, net als de anderen, een eigen land hebben. Dat heeft ook beslist nadelen voor je imago, want je gaat vuile handen maken en het roept nieuwe conflicten op. Maar per saldo zal dat toch beter begrepen worden dan een schimmig ontworteld bestaan, zo is de redenering. Paradoxaal genoeg.

Zie ook Acceptabel cynisme en Houdt het dan nooit op?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Paradoxaal en scrol naar beneden door.

donderdag 17 juni 2021

Het meest misbruikte woordje


Er is bijna geen woord zo vaag als het woordje ‘echt’. Of de equivalenten ervan zoals ‘authentiek’, of ‘werkelijk’. En misschien ook wel: ‘transparant’. 

Dichter des vaderlands Lieke Marsman ziet politici die woorden veel gebruiken (“dit gaan we nu eens écht aanpakken”), en zij leidt daaruit af dat echtheid, authenticiteit en transparantie in die kringen juist ver te zoeken zijn. “Politici zijn de grip op de werkelijkheid kwijtgeraakt. Dat dit inderdaad zo is, valt af te lezen aan hoe vaak ze het woord ‘echt’ gebruiken.” Columnist Stevo Akkerman vat de omgang daar met authenticiteit samen via de vuistregel ‘Zodra je dat (authenticiteit) kunt nadoen, ben je binnen’. 

Maar niet alleen politici ge- of misbruiken die woorden. In de volle breedte van het maatschappelijke en culturele leven kom je het woordje ‘echt’ opvallend veel tegen. 

Neem de discussie over het ‘ontlezen’, dat wil zeggen het probleem dat de huidige scholieren en jongeren veel minder lezen dan voorgaande generaties, onder andere als gevolg van het overvloedige social media gebruik. Akkerman zegt daarover: “Het echte lezen – dat draait om wat de tekst met je doet, hoe die je raakt, ergert, ontroert, verveelt, bedrukt, aanvuurt, overtuigt of tegenstaat – heeft natuurlijk een onpraktisch trekje: het laat zich lastig toetsen”.

Opmerkelijk vaak gaat het ook over het ontbreken van dialoog of menselijke ontmoetingen in onze samenleving. TedX presentator Sira Abenoza maakt dat tot expliciet onderwerp van haar Ted Talks, ze wil haar publiek laten ervaren wat werkelijke dialoog is. Die belangstelling komt voort uit de twee studies die ze ooit naast elkaar deed. ’s Ochtends volgde ze college aan een Business School tussen studenten die alleen maar geïnteresseerd waren in zo snel mogelijk rijk worden. ’s Middags zat ze tussen de filosofiestudenten die eindeloze gesprekken voerden over het verbeteren van de wereld. Die moesten dus met elkaar in gesprek komen. “Maar weten we eigenlijk wel wat een echte dialoog is?”

Schrijver Abdelkader Benali kan ook niet om echtheid heen als hij het over communicatie heeft: “Ik ben ongemak in het contact gaan zien als voorwaarde voor een echt gesprek, het startpunt voor toenadering en wederzijds respect”. En: “Wanneer je denkt dat je iets van elkaar weet en bij de ontmoeting ontstaat door die verkeerde aannames het ene na het andere kleine conflict, dan is er echt sprake van een gesprek. Dan komen we ergens”.

Communicatiedeskundige Betteke van Ruler zegt: “Het moet in onze tijd meer gaan over het echte verhaal: meer verbindende communicatie, die meer de menselijke ervaringen meeneemt. Hoe we kunnen doorgaan. Niet als doelgroep of draagvlak maar als mensen”.

Deze voorbeelden (met mijn markeringen) laten wat mij betreft zien dat het wijdverspreide gebruik van het woordje ‘echt’, anders dan Marsman suggereert, meer is dan windowdressing of de maskering van een tekort. Ze getuigen beslist wel van een tekort, maar dan in combinatie met een diepgevoeld verlangen om het tekort aan echtheid op te heffen, of liever: om te zetten in een weldadige overvloed van echtheid.

Maar het is nog niet zo makkelijk om de vinger te leggen op die echtheid. Misschien weten we eigenlijk vooral wat het niet is: echtheid dreigt ons te ontglippen bij een teveel aan beheersingsdrang. Als we per se grip willen houden (bij leesonderwijs: via toetsen; bij dialoog: het uit de weg gaan van pijnpunten en ongemak; in de politiek: via afvinkbare protocollen) dan slaat de onechtheid toe.

Dat is een veelgehoorde, bijna unanieme conclusie, maar toch ben ik er niet helemaal van overtuigd dat het zo eenduidig ligt. Stel, om even aan te sluiten bij de situatie van Abenoza, dat iemand is opgegroeid in diepe armoede, en zij krijgt de kans om te gaan studeren aan een Business School. Zij zal misschien alle informatie over zakendoen en businesscontrol fanatiek in zich opzuigen als weldadige moedermelk, en de uitwisseling over het opbouwen van een verzekerd materieel bestaan beleven als een zaak van primair existentieel belang. Contact daarover zal aanvoelen als beantwoording van een diepe behoefte.

Dat contact, ook al gaat het over grip of beheersing, zou ik dan ook echt of authentiek noemen, in de zin van betekenisvol. Net zoals het politieke programma dat Lodewijk Asscher voor de PvdA in zijn hoofd had (en helaas niet kan uitvoeren) om de behoefte aan zekerheid tot speerpunt van de politiek te maken. Zekerheid en grip dus als kern van zijn aspiraties, maar toch ben ik geneigd dat streven en het contact daarover echt te noemen.

Het punt van die vaststelling is: bij de business-student en Asscher gaat vervulling van de aspiraties kennelijk wél samen met beheersingsdrang, die is er zelfs voor vereist. Hier lopen echtheid en de behoefte aan grip dus heel natuurlijk parallel, anders dan in de veelgehoorde conclusie die suggereert dat ‘echtheid pas mogelijk is door het loslaten van beheersingsdrang’.

Blijft staan dat, voor andere levensterreinen, de critici van de beheersingsdrang voor een groot deel gelijk hebben: het streven naar grip en maakbaarheid staat voor aspiraties zoals leesplezier, erotische relaties, artistieke prestaties en betekenisvolle contacten de echtheid in de weg. 

Wellicht kan op dit punt de piramide van Maslow verhelderend werken. De piramide beschrijft een ordening van fundamentele menselijke behoeften en aspiraties in opklimmende volgorde. Die volgorde loopt van fysiek-economische bevrediging via sociale en psychologische veiligheid tot aan erkenning, zelfrespect en zelfexpressie.

Het gaat mij hier niet om de inhoud van de piramide, ik haal die er alleen maar bij vanwege de verschillende niveaus die hij onderscheidt. Want de mate waarin aspiraties wel of niet kunnen samengaan met beheersingsdrang zou wel eens kunnen verschillen per behoefteniveau; in sommige lagen van de piramide worden aspiraties eerder onecht dan in andere.

Grofweg kun je onderscheiden tussen de onderste lagen van de piramide en de rest. Het lijkt erop, voor de aspiraties op het lichamelijke en economische terrein, dus aan de voet van de piramide, dat echtheid goed samengaat met beheersingsdrang. Voor wie niet zeker is van zijn dagelijks brood, zijn arbeidscontract, geen pensioen opbouwt of niet uitkomt met zijn uitkering is het niet zo moeilijk om betekenis te geven aan echte verbetering. Die ziet eruit als een gedekte tafel, een vaste baan, een pensioen of een ruimere toelage. En hoe meer goed georkestreerde en beheerste organisatiekracht daarvoor wordt ingezet, hoe beter. Echt is maakbaar, voor de vakbond.

Maar voor de hogere lagen in de piramide geldt dat niet op dezelfde manier. Op het vlak van persoonlijke ontmoetingen, artistieke expressie en cultuur kunnen de aspiraties te lijden hebben van dat maakbaarheidssyndroom. Daar wordt het beheersingsstreven makkelijk contraproductief. Dat kan verklaren waarom diegenen van ons voor wie de meeste basisbehoeften al lang en breed bevredigd zijn, zo’n punt maken van echtheid. Die is bovenin niet zo makkelijk te vinden als in de onderste regionen, in ieder geval niet door inzet van de maakbaarheid en beheersing die onderin zo goed werken.

Helaas is deze voorstelling van zaken iets te schematisch. Want ook op dat basale niveau van economisch-politieke organisatie, aan de voet van de piramide, kan de beheersingsdrang contraproductief worden. De complexiteit ervan kan namelijk gigantische vormen aannemen met als gevolg een overmaat aan regulering. Een totaal gebrek aan speling kan zet zaken onbeweeglijk vast. Dat lijkt in onze samenleving een serieus probleem te zijn voor allerlei, vooral uitvoerende, overheidsorganisaties zoals UWV, Belastingdienst en de Jeugdzorg. Er wordt hard gewerkt daar en ze presteren veel, maar soms niet helemaal volgens de bedoeling. Je kunt dat ook een gebrek aan echtheid noemen: niet meer voldoen aan de oorspronkelijke bedoelingen waarvoor je bent opgericht.

Kennelijk stuit ieder menselijk streven, ook het basale economisch-politieke, op een grens aan maakbaarheid en afdwingbaarheid. Als je toch doorgaat, voorbij die grens, gaat dat ten koste van de oorspronkelijke authenticiteit, of echtheid. 

Als er dan toch nog een verschil is tussen de verschillende niveaus van de piramide, dan zal het zijn dat de grenzen van de maakbaarheid in de hogere regionen beter bekend zijn dan aan de basis. Zo bezien kunnen politici en bedrijfskundigen nog altijd iets opsteken van schrijvers, dichters en gewone mensen.

Zie ook Liefde en passie op het werk en Herkantelen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het meest misbruikte woordje en scrol naar beneden door.

donderdag 10 juni 2021

De meeste mensen deugen, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien


Eventjes was het motto voor de overheid: ga uit van vertrouwen in de burger, stop met het geïnstitutionaliseerde wantrouwen. Dit uiteraard vanwege de excessen van de Toeslagenaffaire en de vele onschuldige burgers die daardoor getroffen werden.

Maar de slogan is nu een beetje bijgesteld: vertrouw iedereen, behalve medewerkers van ING en Rabobank want die probeerden eind 2020 voor enkele tientallen miljoenen euros’s extra hypotheekrenteaftrek aan te vragen, zonder dat zij daar recht op hadden. En Sywert van Lienden, die natuurlijk ook niet. Ongetwijfeld allemaal van het type hardwerkende Nederlander, maar ze flikken het toch maar.

De pendule van vertrouwen/wantrouwen is alweer op weg naar de andere kant, en dat is logisch want blind uitgaan van vertrouwen in de medemens is best extreem. In ons dagelijks leven doen we dat toch ook niet? Bijna als vanzelf peilen we bij een wat meer gewichtige transactie wat voor vlees we in de kuip hebben. Welke indruk maakt die mobiele telefoonverkoper op me, hoe klinkt die vrouw als ze haar financiële product aanprijst? Heeft dit huis geen verborgen gebreken?

Wat me verbaast is dat we in ons persoonlijk leven grosso modo een aardige balans weten te vinden tussen vertrouwen en gezond wantrouwen, maar dat dat in de politiek gepaard gaat met heftige schommelingen. De hype gaat nu eens naar ultiem wantrouwen (Bulgarenfraude, frauderende gastouders) en dan weer naar onverantwoord blanco vertrouwen (de huidige stemming). Althans voor wat de volksvertegenwoordiging en spraakmakende politici, inclusief premier Rutte, betreft. Het zal wel te maken hebben met de uitvergrotende werking van de media die er bovenop zitten in combinatie met de profileringsdrang van politici. Gemakzuchtig onnadenkend, zou Hannah Arendt zeggen.

Des te knapper dat sommige politici zich niet van de wijs laten brengen en een aardig midden weten te houden. Zoals bijvoorbeeld minister Koolmees, die in het NRC interview van afgelopen weekend benadrukte dat zowel onbestrafte fraude als onzinnige fraudejacht de democratie ondermijnen. 

De meeste mensen deugen, maar wat heb je aan die wijsheid als je aan de buitenkant niet kunt zien wie wel en wie niet?


Wil je commentaar geven of zien: klik op De meeste mensen deugen, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien en scrol naar beneden door.

donderdag 3 juni 2021

Zo moet dat gevoeld hebben


“Natuurlijk gaat het niet lukken om vaccins internationaal eerlijk te verdelen. Volstrekt logisch toch? We zijn het zat, die pandemie, en terecht want de economie lijdt eronder en onze geestelijke gezondheid staat op het spel.”

“Je doet wat je kunt, en gelukkig kunnen wij in het Westen heel veel. In de voorraadschuren van de VS liggen inmiddels tientallen miljoenen doses overtollige vaccins opgehoopt, binnenkort zelfs honderden miljoenen. Het land houdt een strategische reserve aan, omdat nog niet duidelijk is wanneer er eventueel boosters nodig zijn. Logisch toch?” 

“Je neemt je verantwoordelijkheid, en daarom heeft Canada nu ongeveer tien keer zoveel vaccins als nodig zijn om zijn bevolking in te enten. In de EU bestaat druk op politici om de eigen bevolking voorrang te geven, en dat werd tijd want die Europese overheden sukkelden overal maar een beetje achteraan.”

Dit type van redenering moet de welgestelde zeventiende-eeuwse Hollandse burger ook gevolgd hebben als hij bezig was met de opstapeling van zijn voorraden en verzameling van rijkdommen. Hij wist heel goed dat hij en zijn familiekring tot de paar procent van de maatschappelijke bovenlaag behoorden, en dat meer dan 95 procent van zijn medeburgers moest sappelen of bedelen om überhaupt in leven te blijven. Hij kon in weelde leven en zag op straat de mensen creperen. 

Maar wat wil je anders? Dat gemak is nu eenmaal gekoppeld aan je stand. Zo is het verdeeld, dat is vanzelfsprekend, daar hoef je niet eens veel voor te doen. Je hoeft geen mensen in bedwang te houden of zo, je zit als vanzelf aan de goede kant van de lijn. Logisch toch?

Zie ook Burgerpaleizen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zo moet dat gevoeld hebben en scrol naar beneden door.