vrijdag 15 januari 2010

Vooruit, vooruit


Balkenende is geen echte leider, meent Hans Goslinga gisteren in Trouw. Want, zegt hij, een echte leider schept ruimte voor tegenspraak, is bereid zijn eigen opstelling van een afstand te bekijken en gebruikt in het openbaar bij voorkeur enigszins relativerende taal.

Maar ik weet niet of dat waar is. Balkenende voldoet namelijk precies aan het leidersprofiel dat in mijn jeugd – en waarschijnlijk ook in de zijne – als ideaal werd gepresenteerd. Dat kwam zo uit boeken als De Scheepsjongens van Bontekoe, vermengd met uit de levensbeschouwing afkomstige deugden. Trefwoorden in dat profiel waren vastberadenheid, onverstoorbaarheid, frontaal in de aanval, niet terugkijken maar doorgaan.

Balkenende heeft zich dat profiel met overtuiging eigen gemaakt. Ferm zal hij zijn, en monter in zijn strijdlust. Hij laat zich niet afleiden van de gigantische opdrachten die voor hem liggen. Vooruit, vooruit met de blik op de steven gericht, zoals voorheen de pioniers van de VOC dat deden. Daarmee voldoet hij bijna voorbeeldig aan het leiderschapsideaal van vijftig jaar geleden.

Voor de beoordeling van Balkenende als leider hangt dus veel af van het leiderschapsmodel dat je hanteert. Want dat er sinds de jaren vijftig en zestig ook andere opvattingen over leiderschap zijn bijgekomen is wel duidelijk voor iedereen die daar ooit een boekje over gelezen heeft. In de meeste huidige managementboeken over dat onderwerp wordt veel aandacht besteed aan het vermogen tot empathie, zelfrelativering, fouten durven toegeven en echte communicatie. Meer dus van de kenmerken die Goslinga noemt. En het is waar dat Balkenende daar niet goed op scoort. De nieuwe leiderschapopvattingen lijken voor een groot deel aan hem voorbij te zijn gegaan.

Waarschijnlijk zit zijn met de paplepel meegekregen leiderschapsmodel hem daarbij in de weg. Er zijn een zekere reflexiviteit en rust voor nodig om je de nieuwe opvattingen eigen te maken. En als het een deugd is om juist niet om te kijken, wordt dat moeilijk. Reflectie houdt je dan alleen maar af van belangrijkere zaken.

Wat hem ook in de weg kan zitten, is een in Nederland bijna zeldzaam geworden overtuiging van levensbeschouwelijke oorsprong. Het geloof namelijk in een dieperliggende, sluitende en rechtvaardige goddelijke ordening van deze wereld. Dat hij daarin gelooft straalt hij uit. Hij is zich van geen kwaad of existentiële onrust bewust. Hij is er oprecht van overtuigd dat als je maar van goede wil bent, uiteindelijk alles goed zit. En hij is van goede wil, dus dan niet meer moeilijk doen over de 4993 Irakese doden van 2009.

Waarschijnlijk geeft dat hem de kracht om maar door te buffelen waar anderen allang afgehaakt zouden hebben. Maar het maakt ook dat hij zo weinig reflexief is dat anderen dat niet meer kunnen pruimen. Zijn kracht is zijn zwakte.

Intrigerend is, dat dat gebrek aan reflexiviteit al eerder aan de dag is getreden. Bijvoorbeeld in de manier waarop hij kritische journalisten afhoudt, of de instelling van een Irak-onderzoekscommissie traineerde. Maar dat heeft Nederland niet belet om Balkenende al acht jaar aan het roer te laten van de Nederlandse samenleving. Wat zegt dat over dit land met al zijn vrijgevochten individuen, die intuïtief een behoorlijke afstand voelen tot Balkenende’s stijl en wereldbeeld? Zijn we, met onze weerzin daartegen, ondertussen wel zo pragmatisch dat we deze niet kapot te krijgen jongen van Jan de With graag het werk laten doen?

Of hebben we deep down allemaal nog een soort heimelijke verwantschap met, of verlangen naar de diepere wereldorde die Balkenende zo onwankelbaar maakt? Hoe dan ook, hij belichaamt waarden uit een vervlogen tijdperk en we maken er met zijn allen dankbaar gebruik van. Want wie wil er nu Balkenende zijn en doen wat hij doet?

Zie ook Individualisering en Bos, Balkenende en Calvijn


zondag 10 januari 2010

Out of place


Het heeft soms wel wat om geheel out of place te zijn. Om woorden en zinnetjes te gebruiken die voor de toehoorder aanvoelen als niet passend bij de activiteiten of het gesprek waar men mee bezig is. En dan niet omdat je niet begrijpt waar die activiteiten of dat gesprek over gaan, maar omdat je heel bewust andere woorden en zinnetjes wilt zeggen. Levinas deed dat in zijn uiteenzettingen met andere filosofen, omdat hij nieuwe taal de filosofie wilde binnenbrengen.

Ik zelf probeer dat te doen in de workshop Denken voor een ander. Daarin komt ter sprake dat de taal die in arbeidsorganisaties wordt gesproken vaak voorbijgaat aan fundamentele ervaringen van medewerkers. Vervolgens heb ik het over het ‘geweld’ dat organisatoren op die manier hun medewerkers aandoen. En over de ‘kwetsuur’ die dat aanricht en het ‘verdriet’ van mensen die dat ondergaan.

Soms zie ik dan aan de deelnemers van de workshop dat dit hen te veel wordt. Kom op man, we hebben het over organisaties en over in alle vrijheid en redelijkheid aangegane arbeidsverhoudingen! Daar hoort een ander vocabulaire bij. Het vocabulaire van professionaliteit, redelijkheid, volwassenheid. En als we dan per se iets ethisch of moreels in organisaties willen doen, dan doen we dat wel met morele codes en procedures.

Probleem is dat dat laatste niet zo veel effect lijkt te hebben. Van procedures word je niet warm, ook al is de verontwaardiging over bonusjagers en gesjoemel nog zo groot. “Dat moet toch niet kunnen” zeggen mensen, en vervolgens nemen ze hun toevlucht tot procedurele taal, tot fatsoensnormen en wetjes. Ze laten zichzelf erbuiten.

Vroeger had je rijkere taal om met elkaar over zulke dingen te praten, zegt de ethicus Theo Boer. Want binnen de zuilen heerste een zekere consensus over het goede leven. Dat bood een bepaalde beschutting en zo konden woorden gebruikt worden die bij moraal horen. Na het omvallen van de zuilen staat er alleen nog maar een soort cascomoraal overeind, een bijna technocratisch minimum voor iedereen, waarin zelfs woorden als respect en tolerantie al gauw lege kreten of soms commando’s worden.

Ik snap wat Boer bedoelt: over moraal moet je praten, je moet met verhalen kunnen komen, en je moet kunnen botsen met elkaar. Maar zijn nostalgie naar vroeger deel ik niet, want binnen de zuilen waren ook een heleboel verhalen juist niet welkom, zoals die van homosexuelen of van gescheiden mensen. De minimale cascomoraal voelt voor velen van hen waarschijnlijk nog steeds aan als een bevrijding.

Blijft staan dat binnen de zuilen wel woorden gebruikt werden die je, volgens filosoof Edith Brugmans, niet kunt missen als je het over moraal wilt hebben: “Morele woorden als pijn en offer hoor ik niet vaak meer” Er is volgens haar op dit vlak veel vocabulaire onmacht, want met de procedurele taal alleen red je het niet.

Vandaar die eigenzinnige taal van mijn workshops. Ik denk dat er niks anders op zit dan dat we woorden als ‘geweld’, ‘pijn’, ‘verdriet’, ‘kwetsuur’ leren gebruiken in gewone alledaagse situaties. Dus ook binnen organisaties, want ze zitten vol van geweld, pijn, verdriet en kwetsuren.

Zie ook Lekker irrationeel

zaterdag 2 januari 2010

Overmoedige Verlichting


Engelse openbare aanklagers deden vorige maand een arrestatiebevel uitgaan tegen de Israëlische ex-minister van Buitenlandse Zaken Tzipi Livni. In voorgaande jaren bevalen Spaanse magistraten de aanhouding van onder andere Chileense en Israëlische (oud-)politici. Maar het Spaanse parlement heeft in Juni aangekondigd het principe van de universele jurisdictie uit zijn juridische systeem te gaan verwijderen. In het Spaanse besluit wordt bepaald dat de grensoverschrijdende jurisdictie slechts geldt in gevallen waar Spanjaarden bij zijn betrokken.

Grensoverschrijdende of universele jurisdictie komt erop neer dat binnen een particularistisch, nationaal rechtssysteem alle misdaden tegen de menselijkheid aan de orde kunnen worden gesteld. Ook als het misdrijf buiten dat land heeft plaats gehad, of als de verdachten burgers zijn van andere landen.

Universele jurisdictie behoort tot de mogelijkheden van de rechtspraak in onder andere Engeland, België en Spanje, maar dat laatste land wil er nu dus vanaf. Als motieven voor het afschaffen ervan worden vooral praktische zaken genoemd, met name het gevolg dat je politieke problemen kunt krijgen met min of meer bevriende landen. Bijvoorbeeld in haar relatie met Israël had de Spaanse regering daar last van.

Maar zijn er alleen bezwaren van pragmatische aard aan te voeren tegen universele jurisdictie? Die gedachte suggereert dat in het Spaanse besluit een lofwaardig principe het onderspit delft onder de druk van ordinaire politieke en praktische motieven. Want dat de achterliggende gedachte achter universele jurisdictie lofwaardig is valt niet te ontkennen. Universele jurisdictie heeft als doel om de zwakken en kwetsbaren van deze wereld te beschermen door te verzekeren dat oorlogsmisdadigers berecht kunnen worden. Zelfs als zij leven in landen met een zwak ontwikkeld juridisch systeem. Het is en blijft een mooi principe.

Toch is er naar mijn idee bij dat mooie principe een principiële kanttekening te maken. Al op het eerste gezicht zit er iets ongerijmds in de combinatie van een natiestaat en universalisme. De natiestaat is namelijk per definitie iets willekeurigs, een door vele historische grilligheden gevormde afbakening, die botst met universalisme dat, in het verlengde van het Verlichtingsenthousiasme, ongeacht plaats en tijd algemeen geldig wil zijn.

Verder uitgediept komt de ongerijmdheid aan het licht door de historie van het stelsel van natiestaten nader te bekijken. Zowel de natiestaat als de markteconomie vindt zijn oorsprong in een principe van concurrentie en het najagen van strategisch voordeel ten opzichte van derden. Dat werkt bijvoorbeeld nog steeds door in zaken als het milieu waarin die combinatie van natiestaten enerzijds en marktwerking anderzijds een mondiaal antwoord op de vervuiling in de weg staat.

Daar hoeven we niet laatdunkend over te doen, daarvoor is die zelforganisatie via elkaar beconcurrerende nationale eenheden te vanzelfsprekend. En we hoeven het aan de andere kant uiteraard ook niet op te hemelen en alle Verlichtingsstreven tegen te houden die over grenzen heen kijkt. Universele gerechtigheid blijft een goed idee en het moet prachtig zijn om dat mee te maken.

Maar het wordt problematisch als dat universalisme zo euforisch en triomfalistisch wordt, dat het de oorsprong van natiestaten en de ongerijmdheid van particulier universalisme uit het oog verliest. Met name in West-Europa is dat risico reëel. De tientallen jaren van stabiele vrede in Europa – onder vooral Amerikaanse bescherming – kan ons het zicht benemen op de onderliggende, nog steeds werkzame aspecten van het systeem van rivaliserende natiestaten. We vergeten onze eigen oorsprong en komen in de illusie terecht.

Het kan er bovendien toe leiden dat we niet meer begrijpen hoe het is, als land, als je je nog niet in die luxe positie bevindt. De aanspraak op universele gerechtigheid kan aanmatigend worden en het begrip verliezen voor landen waar de rivaliteit vijandiger aan de oppervlakte treedt dan bij ons. Natuurlijk moet je de vraag stellen of zo’n land wel genoeg doet om vrede binnen bereik te brengen. Maar het verkeren in een fase van vijandschap met andere landen is, op zichzelf genomen, legitiem – gegeven de willekeur van ons stelsel van nationale afbakeningen. Het is niet anders dan de fase waarin de West-Europese naties honderd jaar en twee wereldoorlogen geleden nog verkeerden. En reken maar dat bijvoorbeeld 'disproportionaliteit' er heel anders uit ziet als je erin zit of er buiten staat.

Een eerlijke beoordeling van regimes in oorlog moet daarom die strijdsituatie tot uitgangspunt nemen. Dus: zo’n land is in oorlog en hoe gaat het daar vervolgens mee om. Volgens de rechtsgeleerde Kamminga doe je er bij zo’n beoordeling goed aan om niet te gauw je eigen rechtssysteem in stelling te brengen. Het blijft een paardenmiddel, en waar het even kan is het beter om oorlogsmisdadigers in hun eigen land aan te pakken. Zeker als een rechtssysteem daarvoor goed is toegerust, wat volgens hem bijvoorbeeld in Israël het geval is.

Zie ook Veranderingsporno

maandag 28 december 2009

Onttakelen


Op de tentoonstelling Cézanne, Picasso, Mondriaan in het Haags Gemeente Museum werden in de toelichting opmerkelijke woorden gebruikt om aan te duiden wat die drie schilders nu precies deden.

Zo werd bijvoorbeeld over Picasso gezegd dat hij zijn voorstellingen ‘onttakelde’. Waar voordien landschappen en – zeker in de klassieke humanistische traditie - vooral mensen gepresenteerd werden als één en ondeelbaar, ging Picasso over tot het accentueren van onderdelen. Dat deed hij door oren, neuzen, borsten en ledematen binnenste buiten te draaien en uit te klappen.

De portretten waarin Picasso dit doet zijn wel op te vatten als treffende, levende verbeeldingen van een nieuwe kijk op de mens. Ze doen denken aan anatomische exercities, maar dan veel drastischer dan Rembrandt ze geschilderd heeft. Hier gaat het niet om lijken, maar om portretten van levende mensen die in hun onderdelen uiteengelegd worden.

Je kunt zeggen: dit is een soort anti-creativiteit, het tegendeel van scheppingswerk. Maar dan vat je ‘scheppen’ op als: het ‘maken’ van iets. Daar tegenover kun je volhouden dat ‘scheppen’ en ‘uiteenrafelen’ niet zover uit elkaar hoeven te liggen, of sterker, juist samengaan. Dat is de stelling van Ellen ten Wolde, een theologe die veel studie heeft gemaakt van het woordgebruik in het bijbelse scheppingsverhaal. Zij meent dat daarin het maken en het scheiden elkaar afwisselen en alleen in combinatie met elkaar een kosmos mogelijk maken die pluraliteit kent.

De uiteenleggende actie die behoort bij het scheppen wordt volgens Ten Wolde aangeduid met het Hebreeuwse woord bara. Dat woord wordt traditioneel vertaald met ‘scheppen’ in de zin van ‘maken’, maar ‘scheiden’ zou volgens haar een betere vertaling zijn. Daarnaast blijft de traditionele opvatting van scheppen als ‘maken’ intact, en daarvoor wijst Van Wolde het woord asa aan.

Asa en bara wisselen elkaar af, bijvoorbeeld bij de schepping van hemel en aarde. Het donker is er al, het water is er al, die zijn al ‘gemaakt’. Door vervolgens de watermassa te ‘scheiden’ ontstaat er ruimte tussen de hemelboog en de aardschijf en daarin ‘maakt’ God het licht.

De gedachte dat scheppen een scheidingsaspect heeft lijkt mij filosofisch interessant. En wel vanwege het punt dat Ten Wolde aanroert. Namelijk dat – naast de massieve, mystieke eenheid van het Al – (onder-)scheidingen mogelijk worden tussen schepselen. En daarmee, paradoxaal genoeg, relaties en verbondenheid.

Langs die weg neemt Ten Wolde – nu eens niet via de natuurwetenschap, maar op een tekstwetenschappelijke manier – afstand van een interpretatie van de schepping die lang dominant is geweest in het Westen. Namelijk de opvatting van de schepping als een eeuwige, statische en stabiele eenheid, die zijn pendant op aarde heeft in de gedaante van kerkelijke en bestuurlijke hiërarchieën.

Er ontstaat dan ruimte om in de mensenwereld anders met elkaar om te gaan. Als scheiding en onderscheiding inderdaad al in het taaleigen van het scheppingsverhaal besloten liggen, dan hoeft het niet te verbazen dat daar zoiets als een Joodse traditie uit kan groeien. Want de discussiecultuur is daarvan misschien wel het belangrijkste kenmerk.

Zie ook Kant avant la lettre

donderdag 17 december 2009

Bekvechten


Opmerkelijk is dat veel traditionele, godsdienstgebonden bezwaren tegen Joden een overeenkomst vertonen met bezwaren die, vanuit diverse hoeken, worden ingebracht tegen het democratisch bestuurssysteem zoals de meeste Westerse landen dat tegenwoordig kennen.

Traditionele anti-Joodse bezwaren komen bijvoorbeeld van het Christendom. Daar werd, onder verwijzing naar de heftigheid waarmee Joden tegen elkaar tekeer konden gaan, de uitdrukking gemunt ‘Het lijkt hier wel een Jodenkerk’ om aan te geven dat er ergens veel tumult was. En verder gebruiken Christenen wel de uitspraak ‘twee Joden, drie meningen’, een stelling overigens die door Joden niet wordt weersproken. Integendeel, alle belangrijke debatten en meningsverschillen zijn in de Talmoed uitvoerig gedocumenteerd bewaard gebleven. Met evenveel aandacht voor de winnende als voor de verliezende partijen.

Voor zover de Koran zich negatief uitlaat over Joden, heeft dat volgens de Amerikaanse Islamkenner Frank Peters in belangrijke mate te maken met de Joodse discussiecultuur. Het Jodendom kreeg daardoor het negatieve imago van een religie die ten onder ging aan schisma’s en sektarisme.

Deze bezwaren tegen intern bekvechten lijken veel op de weerzin die je op gezette tijden hoort uiten tegen de democratie: die is omslachtig en traag, die zet aan tot manipulatie en gekissebis en genereert niet de eendrachtigheid die nodig is om de toekomst tegemoet te treden. Dit soort kritische geluiden over de democratie komen van alle kanten. Van minder opgeleide burgers tot aan reactionaire gegoede kringen, die gehecht zijn aan gezag en orde.

Ik kan me er wel iets bij voorstellen. Als je gesteld bent op een zekere orde – en dat ben ik zelf bepaald wel – dan voelt veel politiek gedoe inderdaad al gauw als ontregelend. Het ziet er vaak niet verheffend uit. Neem nou de koehandel die er kennelijk nodig is om Obama’s zorgverzekeringsstelsel door het Amerikaanse Congres aangenomen te krijgen, en dan waarschijnlijk nog in zwaar gehavende vorm. Of dichter bij huis: het partijpolitieke gemarchandeer over verlenging van ons verblijf in Afghanistan of over het Irak-onderzoek.

Het eindeloze woord en wederwoord van democratisch politiek bedrijven krijgt makkelijk het imago van bezoedelend, smerig en platvloers te zijn. Het is ook zeker niet iets waar iedereen met evenveel plezier aan mee doet. Het is meer iets voor het type Churchill ("democracy is a bad system but it’s the best we’ve got”) dan voor het type Van Agt, die er niet voor niets na de formatie van zijn derde kabinet als premier de brui aan gaf en als commissaris van de koningin graag zijn eigen gang ging.

Maar het punt is: is er een alternatief voor democratie? En hoe zou dat alternatief eruit moeten zien?

Als traagheid, gekissebis en onvoldoende uitrusting voor de toekomst de democratie uiteindelijk waardeloos maken, dan zou het antwoord gezocht moeten worden in gecentraliseerd bestuur dat via strakke, snelle besluitvorming voortvarend te werk kan gaan. Een dictatuur dus.

Maar – hoe groot mijn hang naar orde ook is – daar geloof ik niet in. Voor de godsdienst niet, omdat dan een strenge hiërarchie en denktucht de dienst zouden gaan uitmaken. En om te zien hoe dat uitpakt valt te verwijzen naar de Rooms-katholieke kerk waar op last van Rome gezwegen moest worden over het misbruik van Ierse kinderen door Ierse priesters. En Rome kon dat kennelijk afdwingen. Dat lijkt me niks.

En voor de politiek geloof ik evenmin in een dictatuur. Over de toekomst gesproken, het is niet helemaal toevallig - zoals Willem Breedveld onlangs aangaf in Trouw - dat in dictatoriaal geleide landen het klimaat tot voor kort helemaal geen issue was. Dat we zover zijn dat we er überhaupt over praten, hebben we aan de democratieën te danken. Ook al staat daar tegenover dat, juist vanwege de democratie en de angst voor de kiezers, politici nog niet ver genoeg durven gaan.

Kiften hoort er gewoon bij, zeg ik dan maar tegen mezelf.

Zie ook Wel logisch

woensdag 9 december 2009

Wel logisch


Dat is wel logisch, dacht ik, toen een krantenkop meldde dat Moskou en het Vaticaan hun onderlinge band willen verstevigen. Want, toen ik dat las, vatte ik ‘Moskou’ op als een aanduiding voor de ‘Russische ziel’. En die staat vooral voor mystieke ervaring en niet voor een politieke of diplomatieke instantie. Met die interpretatie zat ik er niet zo ver naast, want het blijkt in het bericht te gaan om toenadering tussen de Russisch-orthodoxe kerk – de hoeder van die ziel – en de Rooms-katholieke kerk.

En inderdaad hebben de Russisch-orthodoxe kerk en de katholieke kerk heel wat met elkaar gemeen. Ze zijn allebei van de warme muziek en de geborgen mystiek. Dat is niet raar, want hun culturen stammen beide uit een tijd waarin de rede nog niet zo oppermachtig was als zij vanaf de zeventiende eeuw werd. Zij hebben de kaalslag overleefd die het verstandelijke denken heeft aangericht en die het protestantisme zo kil en schraal kan doen aanvoelen. Die gedeelde oude warmte maakt de liturgieën van Rome en Moskou zeer genietbaar en hun mystiek - wat die ook waard is - zo echt. Waarschijnlijk herkennen zij dat in elkaar en waarderen ze dat van elkaar.

Daarbij zijn ze beide niet erg weg van verlichting en democratie. In Rusland zijn ze daar ze soms verrassend open over. Veel nationalisten, onder wie Solzjenitsyn, menen dat de autonomie van het individu vloekt met de mystieke beleving van de eenheid van God en vaderland in Rusland. En volgens de Russische filosoof Alexandr Tsipko kunnen de Russen zich niet helemaal vinden in het liberale gedachtengoed.

De katholieke kerk is daar niet zo open over, daarvoor is die kerk inmiddels te veel geworteld in de moderne Westerse samenleving. Ze heeft in sommige landen zelfs veel baat gehad bij moderne liberale ideeën over godsdienstvrijheid. In Nederland maakte dat bijvoorbeeld het herstel mogelijk van de kerkelijke hiërarchie in 1853.

Toch zitten naar mijn inschatting inspraak en democratie niet in het DNA van de katholieke kerk, zij heeft er gewoon niet zo veel mee. Ze is er niet tegen en ze heeft best oog voor de zegeningen die democratie en rechtstaat met zich mee gebracht hebben. Maar echt warm loopt ze er niet voor. De verbindingen hebben vooral de trekken van een verstandshuwelijk.

Nederland biedt ook daarvan een goede illustratie. Want vanaf het moment dat er in de jaren zestig geëxperimenteerd werd met invloed van onderop, met meer begrijpelijke liturgie en een plaats voor de leek en de vrouw, ging het met de kerk bergafwaarts. De Nederlandse volkskerk lijkt de interne democratisering niet te overleven. Wat overblijft zijn de meer conservatieve katholieke groeperingen. Die zijn klein, maar wel vitaal. Het echte katholicisme, zo blijkt, is sterk gebonden aan hiërarchie en klassieke vroomheid, in traditionele stijl. Precies zoals aartsbisschop Eijk het weer wil hebben.

Dan geef ik toch de voorkeur aan een traditie waarin democratisch denken en scherpzinnig redeneren in de genen zitten, gecombineerd met warme muziek en oeroude riten.

Zie ook Plato ontzenuwd?

vrijdag 4 december 2009

Weerbarstige woorden


Het valt op als doorgewinterde lezer-schijvers blijven haken aan bepaalde teksten. Zij zijn gewend om grote hoeveelheden letters soepel tot zich te nemen dan wel te produceren. Dan is het wel interessant om te zien waar dat even stokt.

Ik meende dat stokken laatst een paar keer waar te nemen, bij Ger Groot en bij Bert Keizer, die beide naar mijn idee gerekend kunnen worden tot die categorie van productieve lezer-schrijvers.

Ger Groot besprak een tijd geleden in Trouw Karl Barths De brief aan de Romeinen. Hij stuitte daarin naar eigen zeggen op een werkelijkheid die hij niet begrijpen kan, maar ook niet kan negeren. Hij noemt het een even schandalig als onmisbaar boek. De Romeinenbrief is fascinerend en schrikwekkend, zegt hij, daarmee zijn toevlucht nemend tot bijna bijbelse karakteriseringen. In ieder geval is het iets anders dan de vele filosofisch-literaire teksten of – vaak Spaanse – romans die hij met een zekere regelmaat bespreekt.

Een tijdje later beschreef Groot een soortgelijke ervaring, nu bij het lezen van Kierkegaards Het begrip Angst. Kierkegaard presenteert daarin aanstootgevende gedachten op een onaangepaste, vreemde manier, aldus Groot. Verrassing levert het wel op, maar het lezen ervan is een ongemakkelijk avontuur.

Bert Keizer werd onlangs, zo beschreef hij, naar de strot gegrepen door een biografie: die van Kafka, geschreven door Reiner Pach. Het lezen van dat boek, in combinatie met een bezoek aan de Pinkassynagoge in Praag, viel hem zo zwaar dat hij overwoog om het boek weg te leggen. Totdat hij bedenkt: er zijn dingen die je niet mag vergeten.

En ergens anders spreekt hij over waarheid als iets wat zich niet negeren laat; als iets waar je nog last van kunt krijgen als je het wel negeert. En hij voegt daaraan toe: dat onverbiddelijke nee van de werkelijkheid, daar zijn theologie, filosofie en ook veel literatuur slechts matig mee bekend. Die genres zijn daardoor niet op slag waardeloos, maar het ontbreekt daar wel aan de pittige mogelijkheid van een realitycheck. “Wat men daar beweert maakt in belangrijke mate niks uit”.

In deze gedachte – dat de genoemde genres een fundamentele existentiële ervaring buiten beschouwing laten – ligt naar mijn mening een aanknopingspunt met een discussie die al enige tijd gevoerd wordt, vooral in de NRC. Namelijk over de vraag naar de relevantie van veel van onze literatuur.

Een terugkerende constatering in dat debat werd onlangs samengevat door Margot Dijkgraaf onder de kop: "Westerse literatuur is meestal vrijblijvend". Zij stelt vast dat geëngageerde, op de maatschappij betrokken romans zeldzaam zijn in de hedendaagse Westerse literatuur. Bloeden, strijden en vechten doen wij literair het liefst uit de tweede hand, via Multatuli of Bertold Brecht. Voor ons fungeert een boek in belangrijke mate in de functie die boeken voor A. F. Th. van der Heijden naar eigen zeggen hadden toen hij in zijn tienerjaren aan zijn literaire carriere begon: zij bieden ontsnapping uit de werkelijke wereld door het verblijf in een fantasiewereld.

Dat is in andere delen van de wereld wel anders, zegt Dijkgraaf. Dat heeft veel of alles te maken met de kwalijke politieke en burgerrechtelijke situatie in veel andere landen. Terwijl Westerse auteurs het zich kunnen permitteren in hun werk enigszins vrijblijvend te zijn en hun eigen belangstelling kunnen volgen, hebben schrijvers in een groot deel van de wereld die vrijheid niet of nauwelijks.

Maar de geëngageerde Indonesische schrijfster Ayu Utami wil ook eigenlijk niet anders: “Ik vind het erg moeilijk mijn angsten, mijn rusteloosheid te behouden zonder geëngageerd te zijn in een of ander sociaal gevecht. Je moet altijd bronnen buiten jezelf vinden om je drive tot het schrijven te bewaren”.

Misschien ligt daar wel een sleutel tot interessante literatuur.

Zie ook: Leiderschap

vrijdag 27 november 2009

Grand Design


Slimme mensen hebben het moeilijk tegenwoordig. Want slimme mensen denken graag groot. Zij houden van het Grand Design.

Dat was tijdenlang geen probleem. Integendeel: zolang het geloof in maakbaarheid de boventoon voerde konden groots opgezette plannen niet groot genoeg zijn. Want ze droegen per definitie bij aan de verbetering van de wereld. Grand design op tal van gebieden was tegelijkertijd een uitdaging aan het intellect én een bijdrage aan een betere wereld. Zo vonden slimme denkers emplooi in de politiek, in de stedenbouw, in de ICT en in de financiële wereld. Zij ontwierpen daar verzorgingsstaten, massale uitbreidingswijken, complexe automatisering en ingewikkelde financiële producten.

Maar de verzorgingsstaat blijkt minder houdbaar dan gedacht. En volgens bouwkundig ingenieur Rudy Stroink lopen stadsplanners en ingenieurs tegenwoordig – en al vóór de kredietcrisis – vast in hun plannen. De stappen die ze willen nemen zijn te groot, vergen te veel kapitaal en te veel vergunningen.

In de ICT zijn we het bouwen van grote, integrale geautomatiseerde systemen – denk aan het UWV en de Belastingdienst – aan het afleren. Ze blijken te megalomaan, te overmoedig; het zijn recepten voor mislukking. Niet voor niets werd in Amerika het Grand Design in de automatisering al in 1996 bij wet verboden. En in de moderne agile aanpak van automatisering moeten de denkers zich inhouden. Ze kunnen minder vooruit ontwerpen en via voortdurend overleg met de toekomstige gebruikers zijn ze meer tijd kwijt aan het managen van verwachtingen.

En voor zover de bedenkers van de complexe financiële producten niet door hebzucht werden gedreven, maar door een oprecht geloof in de creatie van een risicoloze economie, zijn ook zij op ruwe wijze uit de droom geholpen. Bankieren moet weer saai worden.

Maar wat moeten al die ambitieuze, slimme mensen dan, als Grand Design niet meer kan?
Stroink pleit voor ‘klein denken’: straten en pleinen beter verzorgen, we moeten als het ware gaan tuinieren. En de voorstanders van agile automatisering wijzen op het belang van aandacht voor de basale processen en eenvoudige interacties tussen gebruikers, ontwikkelaars en systemen.

Ik ben daar erg voor, maar ik betwijfel of die benadering wel genoeg uitdaging biedt aan slimme mensen. Komen zij daarmee aan de nodige adrenaline? Als ik naar mijn Amsterdamse werk kijk ben ik daar niet zo optimistisch over. Want daar zie ik dagelijks hoe veel hoger opgeleiden en beleidsmakers zich liever terugtrekken in hooggestemde vergezichten dan in te gaan op de triviale details die wel veel meer de werkelijkheid bepalen.

Aan de andere kant: er zijn werkterreinen waar groot denken wel degelijk nog hard nodig blijft. Bijvoorbeeld dat van de milieubescherming. Als we daar niet gecoördineerd en op grote schaal alles uit de kast trekken zou het wel eens helemaal mis kunnen gaan. Bescheidenheid is daar niet op zijn plaats, dus wellicht een goed terrein voor de liefhebbers van het Grand Design?

Zie ook Adrenaline en Verstrikt in slimheid

dinsdag 17 november 2009

Gezag


De Engelse socioloog Frank Furedi had het over gezag vorige week, maar hij kwam er niet goed uit - vond ik. Niet tijdens zijn Thomas More-lezing van woensdag en ook niet in zijn NRC-artikel van zaterdag. Ik vond het verwarde stukken.

De teneur van zijn bijdragen is overwegend somber. Pessimistisch wordt Furedi van de constatering dat de samenleving tegenwoordig iets kwijt is wat je niet missen kunt, namelijk gezag. Geen enkele maatschappij kan immers voortbestaan zonder de werking van gezaghebbende instellingen, een vorm van collectief gezag is noodzakelijk. Vroeger bestond dat gezag in het zelfvertrouwen van de professionals – leraren, rechters, wetenschappers en artsen – en het vertrouwen dat de bevolking als geheel in hen had. Daar kon je een samenleving op bouwen. Die stevigheid is nu zoek. Professionals geloven niet meer in zichzelf, zij verschuilen zich liever achter procedures en 'deskundigen'. En de bevolking vertrouwt de professionals niet meer. Vandaar de wildgroei aan regels en procedures. Die moeten het gezagsvacuüm vullen, maar hollen eigenlijk het gezag alleen maar verder uit.

Maar tegelijkertijd wijst Furedi erop dat die deskundigenadviezen maar een wankele status hebben. Dat blijkt “uit de voortdurend felle discussies over onderwerpen als opvoeding, gezondheid, levensstijl”. Veel burgers hebben lak aan de doorgeschoten regelgeving en een procedurele samenleving. Zij geloven liever in zichzelf. Dat heeft weliswaar tot gevolg, dat traditioneel gezag erodeert maar als - volgens Furedi’s eigen formulering – gezag te maken heeft met geloven in jezelf, dan is die burgerlijke mondigheid te beschouwen als een nieuwe vorm van gezag. Dat zou Furedi toch optimistisch moeten stemmen?

In die laatste gedachte word ik gesterkt door de ophef rondom de inentingscampagne tegen de Mexicaanse griep. Volgens de pessimistische opvatting verloopt die campagne niet goed. Er is reden tot zorg want het ministerie en de medische stand slagen er maar moeilijk in om grote groepen mensen aan de prik te krijgen. Zij hebben onvoldoende gezag.

Maar gezag, omschreven als de uitstraling van geloof in jezelf en daar het respect voor krijgen, is er wel degelijk. De prikweigeraar kan gezien worden als de zelfbewuste persoon die de zo door Furedi verfoeide betuttelende samenleving en doorgeschoten regelgeving afwijst. Hij gelooft in zichzelf en komt van daaruit tot relativering van de regels.

En dokter Coutinho en zijn collega’s geloven niet minder in zichzelf. Ze staan voor de boodschap die ze brengen en schuiven het gebrek aan respons niet af op falende communicatiestrategieën of domheid van de burger. In die zin zijn ze niet minder gezagsvol dan de weigeraars. Zo bezien is er bijna een surplus aan gezag, althans volgens het criterium van gezag als staan voor waar je in gelooft.

Wat er duidelijk ontbreekt, zeker ten opzichte van vroeger, is gezag in de betekenis van controle over de hele samenleving. Als iets waar een heel collectief naar luistert. Als Furedi vasthoudt aan dat idee – bijna instemmend haalt hij Odysseus en Plato aan die pleiten voor collectief gezag onder één leider – dan heeft hij reden om pessimistisch te zijn. Maar de vraag is of dat niet een achterhaald idee is. Tot halverwege de moderniteit konden natiestaten daarmee vooruit, op nationaal niveau schaarden burgers zich toen achter hun leiders. Nu werkt dat niet meer.

Thijs Jansen en Loet Leydesdorff (Trouw van 11 november) denken dat we in de situatie gekomen zijn dat nooit meer de gehele bevolking van een land overtuigd kan worden van bijvoorbeeld een inentingscampagne. Dat lukt hooguit nog bij kleinere, overzichtelijke gemeenschappen. Verschillen van inzicht zullen ons, mede dankzij de voortschrijdende wetenschap, blijven vergezellen. Immers, zo zeggen zij, het besef heeft zich diep gevestigd dat kennis toch vaak alleen maar voorlopig is. Van die gedachte had men vroeger geen last.

Daar wil ik nog een andere factor aan toevoegen, die niets te maken heeft met wetenschap of (post-)moderniteit. Die factor is zo oud als de wereld en bestaat erin dat mensen gewoon nee kunnen zeggen. Het is al vaker gebleken dat de inhoud van een onderhavige kwestie bij zo’n weigering geheel geen rol speelt. Zelfs kan het zo zijn dat mensen het met de inhoud van een plan wel eens zijn en dan toch nog weigeren. Simpelweg omdat een ander het voor je heeft bedacht.

Zie ook Parrèsia

zaterdag 14 november 2009

Een enkel zinnetje


De betovering van de rede kan groot zijn. En de kracht ervan is misschien wel het beste voelbaar als we ons laten meevoeren door een helder, sluitend, rationeel betoog, van onszelf of van een ander. We ondervinden de weldaad daarvan totdat we ergens, half verstopt, een subversief, ongemakkelijk zinnetje tegenkomen. Met als effect dat het idee waar we geheel in op gingen leegloopt als een lekgestoken ballon.

Vaak zijn het korte zinnetjes die zo’n effect teweegbrengen, veelal een beetje aarzelend en bedeesd van karakter.

De econoom Keynes maakte zo’n korte, maar dodelijke aantekening bij het verhaal van de klassieke economie. Dat verhaal, sinds de negentiende eeuw verteld door economische filosofen en gretig omarmd door praktizerende economen, is een schoolvoorbeeld van een sluitend, rationeel betoog. Het betoog komt erop neer dat een economisch systeem altijd vanuit zichzelf naar evenwicht beweegt. Er kunnen zich crises voordoen, maar die laten zich gemakkelijk verklaren als veroorzaakt door een inefficiënt aanbod. Want in de klassieke theorie vindt spaargeld op een of andere manier altijd een bestemming zodra de prijs klopt. Het kan enige tijd duren, maar evenwicht zal als vanzelf weer ontstaan. En dan komt Keynes en die zegt: mensen en instituties kunnen simpelweg, los van de prijs, stoppen met investeren en consumeren, bijvoorbeeld omdat ze onzeker zijn. Raadselachtig misschien, maar consumenten kunnen nee zeggen. En weg is de zekerheid van het sluitende model.

Een soortgelijke plotselinge overgang van zekerheid naar onzekerheid voltrekt zich in het artikel over de economische crisis dat Frank Ankersmit laatst presenteerde in Trouw. Hij voert je mee in zijn uiteenzetting van de modellen die werden opgesteld tijdens de financieel-economische hype. Je voelt de geruststelling die uitgaat van de gedachte dat alle variabelen in kaart gebracht zijn: toekomstige opbrengsten, risico’s en de invloed van die risico’s op de opbrengsten. Maar dan zegt hij ineens: “Er is altijd de mogelijkheid dat een belangrijke variabele buiten beschouwing bleef”. Zo’n zinnetje is vernietigend want het trekt in één keer de absolute zekerheid onderuit. Immers, als één steen wankelt kan het hele bouwwerk instorten. En dat is ook wel gebleken.

In de filosofie zijn eveneens vaak alomvattende ideeën omarmd. Bijvoorbeeld de gedachte dat alle mensen ‘ten diepste’ hetzelfde zijn, en dat iedere ethiek vanuit die gedachte moet vertrekken. Maar wat, zegt de filosoof Hillary Putnam, als soms iemand gelooft dat sommige anderen nét niet ‘echt’ hetzelfde zijn? Dat zet, zegt hij, de deur open naar een holocaust. Weg betoog, weg ethiek, met dat ene zinnetje als boosdoener. De veronderstelde, en gezochte universaliteit is ineens verdwenen, er sluipt onmiddellijk willekeur in het verhaal. Ons houvast is weg.

Je kunt er verdrietig van worden, dat onze sluitende verhalen vaak niet houdbaar blijken te zijn. Maar is het dan een oplossing om, zoals het Handvest voor compassie recent deed, nog eens extra de intentie te benadrukken om "een ieder, zonder enige uitzondering, te behandelen met volstrekte waardigheid, billijkheid en respect". Of is zo'n uitspraak eigenlijk totalitair? En kan die eigenlijk niet anders dan cynisme in de hand werken, en daarmee de ethiek als geheel op het spel zetten, omdat het gewoon onmogelijk is?

Het is de verdienste van onder andere Levinas geweest om erop te wijzen dat die verstorende zinnetjes ook positief te duiden zijn. Ze doorbreken het totalitaire karakter dat onze ideeën al gauw krijgen als ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

donderdag 5 november 2009

Ontzettend fout


Ik kan er niks aan doen, maar ik word er een beetje vrolijk van. Van die barokke Zaanse geveltjes, tot hoog in de lucht gestapeld als aankleding van de nieuwe gebouwen die in het centrum van Zaandam verrijzen. Zij maken deel uit van het plan Inverdan van Sjoerd Soeters voor een nieuw stadshart bij het station van Zaandam. 

Dat mijn vrolijkheid esthetisch incorrect is weet ik heel goed. Zoals Abram de Swaan onlangs vaststelde in de NRC leven wij sinds het begin van de twintigste eeuw onder het regime van het functionele bouwen. Om sociale en technische redenen (de noodzaak en mogelijkheid van massabouw) deed men versieringen in de bouw in de ban en concentreerde men zich op een nieuwe norm. De constructie moest getoond worden en die moest de functie verhelderen in de vorm. Zo komt de naakte waarheid aan de oppervlakte.

Dit kan ook esthetisch heel bevredigend zijn. Het is onmiskenbaar waar dat die functionele focus zijn eigen schoonheid met zich meebrengt. Er zijn genoeg gebouwen uit die school die zeer te genieten zijn, bijvoorbeeld van Mies van der Rohe of Frank Lloyd Wright.

Maar tegelijkertijd heeft die kraakheldere functionaliteit iets bits en steekt als reactie daarop een verlangen naar ornament en decoratie de kop weer op. De Swaan constateert dat dat bijvoorbeeld geldt voor veel Turkse en Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders. Zij trekken in onze strakke, onversierde huizen, maar zo gauw ze de kans krijgen brengen ze wat boogjes aan in de hal of stuccen ze de woonkamer met allerlei profielen. In die trend voegen zich nu de Zaankanters met gekleurde collages van trap- en klokgeveltjes.

Je riskeert natuurlijk wel om in levengrote kitsch terecht te komen, en ik ben er, ondanks mijn vrolijkheid, nog niet helemaal van overtuigd dat dat in Zaandam niet gaat gebeuren. Maar, zoals Joep Schrijvers onlangs zei, brutaal is het wel, en over the top. Ze durven het toch maar.

In die sprong is meer in het geding dan alleen nostalgische heimwee naar vroeger. Er zit ook een soort verzet in tegen het modernistische smaakdictaat. Want je kunt weliswaar genieten van de helderheid daarvan, maar de afstandelijkheid creëert vervreemding. Het kan in zijn genadeloze soberheid een totalitair karakter krijgen. De stadsvisionair Charles Landry was laatst in Amsterdam en vertelde daar dat, als je verbinding met een plek wilt creëren, zintuigen en emoties mogen concurreren met technische en functionele kwaliteiten. Desnoods voorbij het punt van de functionaliteit.

Zie ook Kitsch is al best oud