vrijdag 12 april 2013

Antizionisme en antisemitisme


Wat Bob Smalhout afgelopen week schreef in het Nieuw Israëlitisch Weekblad is helemaal waar: het antisemitisme van hoger opgeleiden is soms venijniger dan dat van sommige Turkse en Marokkaanse jongeren, waarover laatst veel ophef was. Waarschijnlijk precies vanwege die hoge opleiding: als zo’n ontwikkeld iemand blíjft spreken over Joden als viespeuken en afdankertjes moet dat wel in zulke duistere diepten geworteld zijn dat er geen licht of opleiding tegen opgewassen is. Echt dreigend is het natuurlijk pas als die twee verschillende groepen elkaar zouden vinden en versterken.

Maar wat betreft de verhulling van antisemitisme in de gedaante van antizionisme ligt het ingewikkelder. Smalhout merkt op dat hoger opgeleiden de neiging hebben om hun afkeer van Joden te presenteren als antizionisme: dat zou politiek correcter zijn. Smalhout vindt dat niet zuiver en hij redeneert daarmee in het verlengde van de veel gehoorde gedachte dat het onterecht is om Joden in de diaspora in verband te brengen met Israël. En dat wat er in Israël gebeurt vooral niet terug mag slaan op Joden in de rest van de wereld.

Ik ben er erg voor om dat onderscheid te blijven maken, maar dan zullen we toch primair zelf voor minder verwarring moeten zorgen. Moeten we dan op onze Joodse bijeenkomsten de kinderen wel laten rondlopen met Israëlische vlaggetjes? Moeten we in de kramp schieten bij soms terechte kritiek op Israël? Zoals Esther Voet laatst zei: als wij er zelf al niet in slagen om Jodendom en Israël uit elkaar te houden, hoe kunnen we dan van buitenstaanders verwachten dat ze dat wel doen?

Maar misschien kúnnen we dat onderscheid wel helemaal niet maken, eenvoudigweg omdat Israël te belangrijk is voor ons. De wereld zou er voor Joden immers een stuk grimmiger uitzien zonder Israël.

Ik ben bang dat er niets anders op zit dan blij te zijn met Israël en staande te houden dat voor een land in oorlog (dus geen Nederland of België) Israël het heel behoorlijk doet. Daarmee bedoel ik geen schone handen, maar een functionerende samenleving met een redelijk  rechtssysteem, een degelijke economie en een bloeiende cultuur.

En dat we tegelijkertijd op geen enkele manier vergoelijkend spreken over dingen die echt niet kunnen. Zoals de discriminatie van de Arabische inwoners, de sluipende illegale terreinverovering en de vernedering van Palestijnen.


donderdag 4 april 2013

De dominante economie


Ik ben opgegroeid in een gezin waarin de mannen (behalve ik) econoom waren en de vrouwen vooral filosofisch of maatschappelijk geïnteresseerd.

Een spontane aansluiting met het economische terrein heb ik nooit gehad, maar het was van meet af aan duidelijk dat de economie een relevant aspect van het menselijk bestaan vertegenwoordigde. Ik heb de gesprekken over het belang van marges en rendement en van robuust financieel beheer wel leren waarderen. En toen ik zelf geen werk kon vinden in het verlengde van mijn historische belangstelling was de afstand tot het economische terrein klein genoeg om de sprong te wagen naar een zekere baan in de accountancy. Voor niet langer dan nodig was natuurlijk.

Maar, dominant is het wel, dat economische denken. En het vervelende is, het is zo vanzelfsprekend waar. Het nu-weer-even-met-beide-benen-op-de-grond pretendeert de nuchterheid in pacht te hebben en het laatste woord te zijn. Daar moet iedere poging om de wereld wat breder te definiëren het al gauw tegen afleggen.

Daar had ik vroeger thuis last van, maar vorige week maakte ik het weer mee in het op de Nexus-conferentie met als thema “How much is enough?”. Of eigenlijk, ik maakte mee dat anderen die onmacht meemaakten.

Op de conferentie in het Muziekgebouw Aan Het IJ sprak de Brit Robert Skidelsky (econoom) naar aanleiding van het boek dat hij samen met zijn zoon Edward (filosoof) heeft geschreven en dat nu in het Nederlands verscheen onder de titel Hoeveel is genoeg? Geld en het verlangen naar een goed leven. Daarin houden ze onder meer een pleidooi voor een kortere werkweek voor iedereen (15 tot 20 uur) en meer gelegenheid om te doen wat je zelf belangrijk vindt. En ze vragen zich af waarom we ons te pletter werken voor het vergaren van steeds meer rijkdom.

Na Skidelsky’s lezing volgde een paneldebat onder leiding van Rick van der Ploeg met als deelnemers Skidelsky,  Hans Hoogervorst, Wim van den Goorbergh en Jeroen Kremers. Van der Ploeg legde aan de deelnemers vragen voor als “Wat doet de crisis jou persoonlijk?” en “Wat moet er gebeuren om hem op te lossen?”

De antwoorden bleken al gauw technisch-economisch van aard. Het ging meer dan een half uur lang over herkapitalisatie, versterking van de balansen en nog tien jaar saneren voordat het zou verbeteren. Misschien wel logisch met een debatpanel dat is samengesteld uit economen en bankiers, maar, zo bleek, daar was niet iedereen voor gekomen. Het publiek wilde meer vergezichten in de geest van Skidelsky, denk ik.

In ieder geval, terwijl ik nog bezig was me te realiseren dat ik het allemaal maar matig interessant vond, werd een collectieve irritatie voelbaar in de zaal, alsof die economische praatjes aan de kern van de zaak voorbij gingen of verbonden moesten worden met een bredere kijk op de samenleving.

Iemand schreeuwde vanaf het balkon haar onvrede naar beneden. Ik kon haar niet verstaan, ook niet toen ze de tweede keer een soort roeptoeter gebruikte. Maar zoveel was duidelijk, dit beviel haar niet, en blijkens het applaus een flink deel van het publiek ook niet.

Hier schrok de panelvoorzitter toch wel even van. Dat had als effect dat de eerste wachtende achter de interruptie-microfoon de beurt kreeg. Maar na behandeling van zijn vraag moest de volgende wel tien minuten geduld oefenen omdat de panelvoorzitter weliswaar nu nadrukkelijk filosofische thema’s aansneed maar daarbij vooral zijn eigen belangstelling volgde. Toen was de tijd ineens op. Dat was natuurlijk te gek voor woorden, en dus mocht de man zijn vraag alsnog stellen, met nauwelijks tijd voor een antwoord.

Daar lichtten nog even een paar interessante thema’s op, zoals de vraag waarom economie en verplicht werken en loonarbeid van die benauwende associaties opleveren. Misschien, suggereerde Skidelsky, moet je onderscheid maken tussen werkinhoud die anderen voor jou bepalen en werkinhoud die je zelf bepaalt. En misschien gaat het bij minder werken niet om een verdeling tussen werk en ledigheid, maar tussen werk dat een ander voor jou bedenkt en werk voor jezelf.

Het werd alleen maar even aangestipt. Maar daar had ik die economen wel wat meer over willen horen zeggen.

Zie ook Bellen blazen, Statusangst en Smeken om feedback

donderdag 28 maart 2013

De Joodse messias


Het is niet zo moeilijk om het gedweep en het kinderlijke enthousiasme rondom de nieuwe paus als enigszins simplistisch neer te zetten. Dat heb ik vorige week op mijn site dan ook vol overtuiging gedaan.

Maar ik moet zeggen dat ik zulke collectieve euforie ook wel kan begrijpen. Er zit zonder meer iets aantrekkelijks in de opflakkerende hoop dat één figuur alles kan veranderen. Op het verlangen daarnaar met betrekking tot Israël betrap ik mezelf ook wel eens. Zou Obama toch niet iets in beweging kunnen zetten, of Yair Lapid misschien, van binnenuit?

Uiteindelijk is de deus ex machina ons beslist niet onbekend, de messiaanse figuur die door zijn komst ineens alles anders maakt. Daarvoor zetten wij in deze Pesach-dagen toch onze deur op een kier en een beker wijn op tafel voor Eliahoe.

Het kostte nog best moeite trouwens, om Pesachwijn van binnen de Groene Lijn te vinden.

Zie ook De Groene en de Rode Lijn


donderdag 21 maart 2013

Denken doet ertoe


Denken is niet onschuldig. Soms lijkt dat wel zo te zijn temidden van alle euforie rondom de nieuwe paus. Hij leeft zo sober. Hij communiceert zo goed. Hij lacht. Hij durft zich Franciscus te noemen!

En tja, verder is hij recht in de leer en conservatief in zijn denken, maar dat lijkt er niet veel toe te doen. Op grond van al die andere, positieve, eigenschappen van de nieuwe paus wordt door velen al gehoopt op een herstel van het imago van de kerk en van een Katholiek reveil.

Maar waarom is dat dan eerder Johannes Paulus niet gelukt, die over die positieve eigenschappen ook ruim beschikte? En waarom lukte dat Johannes XXIII kennelijk niet, ja waarom lukte dat eigenlijk Franciscus van Assisië niet, door wie de huidige paus zich laat inspireren.

Ik denk dat voor het antwoord op die vraag juist de kerkleer wel eens een belangrijke verklaring kan vormen. Want die is samen te vatten als een staaltje van dualistisch denken dat de tegenstelling tussen het hoge leven van de geest en het zondige leven van de wereld tot uitgangspunt neemt. In de woorden van Franciscus volgens het Journaal: “De kerk moet zich verre houden van wereldsheid, want wereldsheid is des duivels”. Engelachtige seksloosheid versus bezoedelende begeerte, edelmoedige armoede versus hebberig materialisme, dat is het Evangelie in zijn pure notedop.

Kom daar in een moderne wereld eens om, waar het dagelijks leven grotendeels gestructureerd is op basis van het mogen en kunnen uitoefenen van bezitsrechten, seksuele begeerte en geldingsdrang. En waarbij alle inspanningen erop gericht zijn om dat op acceptabele wijze te laten gebeuren. Afwijzing van die impulsen kan moderne mensen niet anders dan als wereldvreemd voorkomen, het gaat erom ze in goede banen te leiden. En voor dat doel hebben burgers tegenwoordig andere en betere middelen tot hun beschikking dan de goede raad van de paus.

In werelddelen met minder burgerlijke vrijheden dan in het Westen zal de simplistische kerkelijke boodschap nog wel landen. Maar zo gauw zich ergens een zelfbewuste middenklasse van betekenis ontwikkelt en burgerlijke vrijheden worden gekoesterd zal het traditionele dualisme gaan aanvoelen als achterhaald. Het loopt dan al gauw uit op een maskerade of een Vaticaans bankschandaal of seksueel misbruik of alles tegelijk. Je zult er doorheen moeten, door die wereld.

Wie dat als eerste doorzagen in het zich ontwikkelende Westen waren de Protestanten. Niet voor niets waren die vanaf de beginperiode van de Reformatie, zeker in de Vlaamse en Nederlandse gebieden, afkomstig uit de stedelijke burgerij. Dat waren mensen die voor de regulering van hun bestaan al gewend waren voor een groot deel te steunen op hun eigen denkvermogen en organisatietalent. De ene, voorgeschreven, simplistische kerkelijke leer werd door velen als te knellend ervaren. Deze mensen zochten naar eigen formuleringen van de leer, die op onderdelen ook meer werelds leven moest toelaten. Zo werden de leden van de kerkeraden democratisch gekozen en mochten ambtsdragers in de Protestantse kerk gehuwd zijn.

Dat in essentie het oud-kerkelijke schema van objectief vaststelbaar goed tegenover fout in het Protestantisme niet werd verlaten kan blijken uit het feit dat binnen de nieuwgevormde kerkgemeenschappen de denkdwang niet minder heftig was dan voorheen in de Una Sancta. Maar er waren wel meerdere kerkgenootschappen naast elkaar. Er viel, in tegenstelling tot de tijd ervoor, iets te kiezen. Je mag de Protestantse scene dus behalve wat volwassener ook wel pluralistischer noemen.

Mijn punt is dat deze historische verschijnselen en ontwikkelingen een trend zichtbaar maken, namelijk van meer naar minder simplisme en van minder naar meer complex en volwassen denken. En dat dat voor het succes van een religieuze gemeenschap in het Westen een niet verwaarloosbare factor is. Dat laat zich niet zomaar meer terugdraaien.

Als ik tegelijkertijd vaststel dat de Rooms-Katholieke kerk zich – met een hoog gehalte aan evangelisch dualisme en simplisme – nog steeds aan het primitieve einde van dat denkontwikkelingsspectrum bevindt, en dat de nieuwe paus zich daartoe bekent; dan vind ik die groepjes juichende adolescenten en nonnen misschien wel ontroerend maar ik zie ze ook een beetje buiten de geschiedenis staan. Dolgelukkig dat de nieuwe uitverkorene van de Heilige Geest hún denkwerk gaat verrichten.


vrijdag 15 maart 2013

Beetje dom


Wat opvalt in veel vormen van hedendaags antisemitisme is dat het geïnspireerd is door misstanden in Israël. Maar in veel gevallen is de formulering zodanig dat de bevooroordeeldheid ten opzichte van Joden in het algemeen eraf spat. Als je zegt dat bepaalde toestanden in Israël goed laten zien dat “ze” niet deugen, dan is duidelijk dat je vertrekpunt al was dat ze niet deugen en dat Israël daar nu het zoveelste bewijs voor levert.

Een beetje dom vind ik zulke opzichtige bevooroordeeldheid in die richting. Net zo dom trouwens als die andere vooringenomenheid: “Goh, van joden had ik dit niet verwacht want die hebben zelf zoveel meegemaakt”. Tegenover al dit soort vooringenomenheden zou ik willen zeggen: noem de dingen bij hun naam. Het deugt gewoon niet om olijfgaarden te vernielen, illegale nederzettingen te bouwen en om anderen te vernederen. En zo denken veel Israëliërs er ook over.

In het rijtje domheden vond ik nog zo’n uitspraak. Ditmaal van de Israëlische vice-premier Eli Yishai naar aanleiding van het Nederlandse voornemen om producten uit de bezette gebieden van een apart etiket te voorzien in plaats van het etiket Made in Israël. “Het is vreemd dat Nederland geen stappen onderneemt om Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog alles hebben verloren volledig te compenseren, maar het wel nodig vindt om Joodse producten van een stempel te voorzien”.

Wat haalt hij er allemaal wel niet bij, zijn uitspraak gaat alle kanten op. Ook hier zou ik zeggen, beperk je tot de zaak in kwestie. Maar dan zou Yishai misschien weinig te zeggen over hebben, want de bezette gebieden behoren volgens internationaal recht nu eenmaal niet bij Israël.

Een beetje dom, die voortdurende onterechte uitbreiding van associaties en vooroordelen, ze frustreren iedere zinvolle uitwisseling van argumenten. Ik ben er een beetje allergisch voor.

Zie ook De Groene en de Rode Lijn en Koosjere wijn


vrijdag 8 maart 2013

Smeken om feedback


Laatst las ik dat we voorlopig niet moeten rekenen op revolutionaire nieuwe technologische vindingen. Technologische innovatie zal vooral moeten voortbouwen op bestaande technologie en de productiviteitsstijging op basis daarvan zal dus bescheiden van omvang zijn.

Nee, dan valt er meer winst en snellere productiviteitsstijging te verwachten van sociale innovatie. Daarmee doel ik op het dichten van het energielek dat in veel organisaties bestaat omdat mensen niet of te weinig met elkaar samenwerken. En op de aanpak van de verspilling van geld, tijd en talent die het gevolg zijn van dysfunctionele opvattingen over management.

Dat energielek en die verspilling bestaan meestal niet omdat medewerkers of managers van kwade wil zijn, maar omdat de organisatie via budgetten en bevoegdheden soms zo ingericht is dat mensen tegen elkaar opgezet worden in plaats van bij elkaar gebracht. En dat komt weer omdat we opgescheept zitten met verouderde, dysfunctionele opvattingen over management en organisatie. Die beperken, bewust of onbewust, onze ruimte tot beweging en verbetering.

Neem de opvattingen over management en leiderschap. In de meeste organisaties zijn het nog steeds hoofdzakelijk vormen van hiërarchisch denken en bevelsstructuren die bepalen welke begrippen men associeert met management. Daar horen begrippen bij als macht, bevoegdheden, de mogelijkheid om anderen te overrulen. En veel minder – uitzonderingen daargelaten – een dienende en faciliterende houding.

Wat je dan krijgt: managers die kicken op hun beslissingsmacht en er op intieme momenten geen geheim van maken dat ze op die plaats zitten omdat ze er niet tegen kunnen dat anderen hen vertellen wat ze moeten doen. Maar die tegelijkertijd van anderen niet anders verwachten dan dat ze daar wel tegen kunnen.

En je krijgt relatief veel bange medewerkers, die effectief monddood gemaakt zijn.

Dat wringt natuurlijk, en dat ontgaat ook die managers niet. Ze krijgen, ondanks hun formele macht, bij lange na niet voor elkaar wat ze beogen. En ze voelen dat er meer nodig is, en vooral iets anders: ze moeten echt in overleg met “hun” mensen. Maar daar begint ook de onmacht in het verhaal: ze moeten gaan luisteren maar door de manier waarop ze het georganiseerd hebben en hun karakterstructuur lukt dat niet goed. Ze smeken om feedback, maar wat volgt is een doodse stilte. Inderdaad aandoenlijk.

Dit los je niet meer op door nog meer gedragswetenschap en communicatietrucjes top down de organisatie in te slingeren. Hier is een andere manier van sociale omgang vereist. Dat noem je met recht: sociale innovatie.



donderdag 28 februari 2013

Zwerven en thuiskomen


Afgelopen sjabbat hebben we afscheid genomen van Rabbijn David Lilienthal. Bij die gelegenheid werd gememoreerd dat het gezin van deze rabbijn invloeden van meerdere culturen en nationaliteiten heeft ondergaan. Oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland en Zweden, volgden zij studies in Engeland, werkten veertig jaar in Nederland en gaan nu door naar Israël.

Zo’n opsomming van invloeden vind ik altijd indrukwekkend, het geeft het idee van een grote culturele rijkdom. Journalist Wim Boevink beschreef zijn fascinatie daarvoor onlangs naar aanleiding van een gesprek met een Joodse vrouw uit Rostock, “van gemengd Oekraïens, Litouwse afkomst, haar vader een Algerijnse moslim”. Hij laat dat uitlopen op een lyrisch  pleidooi voor alles overbruggende gemengde huwelijken.

Zover ga ik niet, al herken ik zijn fascinatie. Maar het komt me voor dat de buitenwacht, waartoe Boevink en ik behoren, van die veelheid van invloeden meer onder de indruk is dan de betrokkenen zelf. En dat die laatsten het beslist niet alleen maar als rijkdom benoemen, maar ook als verkniptheid, of ontheemdheid, als een gevoel van nergens thuis te zijn.

Hoe meer je familie – al dan niet noodgedwongen – heeft gezworven, des te minder ben je daarvan onder de indruk, lijkt het wel. Amos Oz meent, zo las ik laatst in een interview met hem naar aanleiding van de overwinning van Jaïr Lapid, dat in het hart van veel Israëliërs – bijeengeraapt uit Rusland, Zuid-Amerika, Europa – een diep verlangen leeft naar een normaal, gevestigd leven. Zelfs in het kosmopolitische Tel Aviv “Israelis want to be like Holland”.

Jacob Israël de Haan zei het al: “Die te Amsterdam vaak zei ‘Jeruzalem’ en naar Jeruzalem gedreven kwam / Hij zegt met een mijmrende stem: ‘Amsterdam, Amsterdam’”.

Nog sterker: zelfs naar Zaandam kun je verlangen: “Wat is de Zaan een mooie brede stroom / Ik ben een jongen te Zaandam geweest”.

Zie ook Ontzettend fout en Baas in eigen boek

vrijdag 22 februari 2013

Verzet


Onder de noemer “Ontdek wat poëzie met je doet” presenteerde Trouw een week lang allerlei versregels in groot formaat. Eenregelige, pakkende zinnetjes, afkomstig van diverse Nederlandse dichters.

“Ik slaap maar mijn hart slaapt niet” (Judith Herzberg).

“Wat er geweest is is er steeds nog even” (Gerrit Kouwenaar).

Er stonden op een dag ook de bekende woorden van Remco Campert: “Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden”.

Wat me nu trof, komend vanuit de poëzie, is de vanzelfsprekendheid waarmee in zo’n vers ‘verzet’ als iets goeds wordt neergezet. Daar acht Campert geen inleiding voor nodig, het openingswoord ‘verzet’ verschijnt zonder enige toelichting als iets waardevols, krachtigs en deugdzaams en de rest van het vers is vooral een uitspraak over hoe je tot verzet kunt komen.

Hoe is het mogelijk, dacht ik. Want fungeert verzet in ons dagelijks doen en laten ook als zoiets moois, of juist niet? Ik heb de indruk van niet.

Een tijdje geleden maakte ik verzet mee op mijn werk, en dat verzet was verre van gewenst. Het betrof een boekhoudkwestie. In het kader van de oplevering van de jaarrekening moest inzicht gegeven worden in de besteding van de middelen. Op een gegeven moment was er nog een miljoen Euro niet correct verantwoord. De baas van de boekhouding liep tegen zijn deadline aan en gaf zijn medewerkers opdracht om geen aandacht meer te besteden aan dat miljoen. De meest betrokken boekhoudkundige medewerker had net een gemeentelijke integriteitscursus achter de rug en verzette zich tegen die instructie. Zij stond erop dat de verantwoording van dat geld correct zou plaatsvinden. De baas stelde haar opstelling niet op prijs en dreigde dat haar carrière eronder zou lijden als ze “niets aan haar  houding zou doen”.

Nu zullen er best mensen zijn voor wie het goed is om wat aan hun houding te doen. En de  romantische jaren-zestig ophemeling van verzet om het verzet van de rebel without a cause heeft me nooit aangesproken. Maar deze vrouw had een punt en haar verzet was meer dan terecht, maar de poëzie was ver weg.

Wat me hierin vooral intrigeert is de tegengesteldheid van de lading van een en hetzelfde woord, uitgesproken in verschillende contexten. Wat in de ene context (het gedicht) een vanzelfsprekende wenselijkheid is, is in het andere geval (het werk) op zijn minst twijfelachtig. Kennen wij binnen de sfeer van zo’n gedicht een geheel andere waardering toe aan verzet dan in management en organisatie?

De discrepantie is wel erg groot.

Zie ook Constructief  nee zeggen

vrijdag 15 februari 2013

Zoeksuggesties


Ik las laatst, onder de titel Oerwoudgeluiden van Google, over de automatische zoeksuggesties waarmee Google je zoekvraag aanvult. “Die ongevraagde suggesties zijn, zacht gezegd, nogal suggestief”, vermeldde het NRC-artikel.

Dat kun je inderdaad wel zeggen. Typ het woord ‘Jood’ in, en Google maakt het af met ‘slecht’, ‘gevaarlijk’, ‘varkens’. En ‘rijk’ natuurlijk. Gelukkig staan Joden niet alleen, ook Marokkanen, negers, homo’s en honden kunnen rekenen op prompte negatieve associaties.

Opmerkelijk is dat Google op andere terreinen goed in staat is om onwelgevallige associaties eruit te filteren. Zo leverde het trefwoord ‘gratis downloaden’ niets op. En seksueel getinte trefwoorden vangen ook bot. De auteur probeerde ‘Ik wil por…’ en kreeg ‘Ik wil Portugees leren’.

Dit patroon ken ik ergens van. Namelijk van vroeger, van de Rooms-Katholieke Kerk. Als de kippen erbij om het eigen instituut uit de wind te houden, in de kramp schieten bij de minste toespeling op seks. En geneigd om andere dingen – sociale ongelijkheid, stereotypering en discriminatie van minderheden en andere levensstijlen – maar even aan te zien of te laten lopen. Het patroon is dus de combinatie van acute reactie op het ene, en een lauwe of geen reactie op het andere. Terwijl dat andere in mijn ogen juist een veel hardere reactie verdient.

Zou het iets diep (massa-)menselijks zijn? De weerspiegeling en versterking van wat onder mensen aan vooroordelen leeft. Zoals het zich ook manifesteert bij de aanhangers van de Jeruzalemse voetbalclub Beitar die oerwoudgeluiden schreeuwen tegen de Arabische tegenstanders.

Gaat het hier om een soort Algemeen Menselijk Patroon, de zwaartekracht van ons menselijke bestaan, waar massale instituten zich bijna als vanzelf door laten meesleuren? En waarbij het van het tijdsgewricht en de mate van secularisatie afhangt of dat instituut een volkskerk is of een wereldwijde zoekmachine als Google?

Het blijft oppassen voor minderheden.

Zie ook Waarom Heidegger ons niet verder brengt

vrijdag 8 februari 2013

Voetbal en oorlog


Ook al is sport niet mijn ding, soms kun je er niet omheen. Zelf doe ik niet meer dan een beetje schaatsen en hardlopen maar ik heb het altijd een prima zaak gevonden dat veel mensen er wel wat mee hebben. Om te doen of om naar te kijken. 

Ik vind dat goed omdat sport op een acceptabele manier allerlei menselijke neigingen kan reguleren. Een mens moet toch ergens heen met zijn prestatiezucht, geldingsdrang, agressie,  testosteron. Daar kun je een heleboel van kwijt als deelnemer in sportieve competities, maar ook als toeschouwer of supporter. 

Sport is trouwens niet uniek in de mogelijkheden die het heeft om prestatiezucht en dweperij te reguleren. In feite geldt voor ieder terrein van menselijke activiteit dat men er zijn competitiedrift en prestigebegeerte kan uitleven. Op het gebied van wetenschap net zo goed als op dat van de muziek, het bankwezen of de filosofie. 

Sport is wel uniek vanwege het grote aantal mensen dat erbij betrokken is. Aan dat gegeven ontleent de regulerende werking van de sport vooral haar belang. Immers, alternatieve uitlaatkleppen voor massale agressie en dweperij namen vroeger al gauw de gedaante aan van onderling geweld of oorlog. Je zou de stelling kunnen verdedigen dat door sport er minder onderling geweld is, en misschien zelfs minder oorlogszuchtigheid. 

Totdat de drijfveren die sport met oorlog gemeen heeft zo sterk aan de oppervlakte komen dat de sport zelf op oorlog begint te lijken. Hooligans legden die verbindingen al eerder bloot, de wielrennerij en nu het voetbal vertonen trekken van vooral geheime oorlogsvoering, die niettemin zeer schokkend kan zijn.

Toch heb ik duizend keer liever hooligans, vieze wielrennerij en corrupt voetbal dan de oorlogen van Syrië, Mali of Afghanistan.

Zie ook Fair play

vrijdag 1 februari 2013

Geëngageerd roddelen


Lasjon hara, oftewel kwaadsprekerij, is in de Joodse traditie nadrukkelijk verboden.

Maar dat geldt niet voor roddel, want als dat verboden zou zijn worden grote stukken tekst uit de Bijbel, de Misjna en de Talmoed plotseling onbegrijpelijk. Op veel plaatsen in de teksten gebeurt immers niets anders dan dat. Naar mijn idee is roddel zelfs een kernelement van het Joodse lernen.

Maar dan moet roddelen wel goed begrepen worden. Ik versta daaronder: je opwinden over het gedrag van een ander, zeggen dat iets écht niet kan, verontwaardigd zijn, iets niet eerlijk vinden – of juist wel – en dat op een hartstochtelijke manier. En hardop.

Volgens mij zijn veel stukken Joodse tekst en commentaren geboren uit dat soort gevoelens, opgewekt door het gedrag van aartsvaders of andere volksgenoten. Er wordt uitgebreid de tijd genomen om dat gedrag en die daden van commentaar te voorzien, instemmend of afkeurend. Ik noem dat roddel, maar ik heb daar helemaal geen negatieve connotatie bij. Integendeel, een beetje gemeenschap kan niet zonder. In goede familieverbanden of sociale clubs móet het gedrag van de leden ervan over de tong gaan. Want hoe kom je anders te weten wat je waardevol of slecht vindt. Hoe kom je anders tot morele helderheid? Waar haal je anders je profeten vandaan?

Er wordt behoorlijk wat geoordeeld over sommige Bijbelse figuren, en dat begint al in Tenach. Jacob bijvoorbeeld prijst een aantal van zijn kinderen. Zo noemt hij Josef een vruchtbare wijnstok, Jisachar is een sterke ezel en Naftali een hinde in vrijheid. Maar hij spreekt minder vleiend over een aantal andere zonen. Dan handhaaft het recht, maar is als een adder op het pad. Benjamin heet een verscheurende wolf en over Simon en Levi: zij beramen niets dan geweld.

Dat laatste triggert dan weer de ene na de andere commentator. Ze raken niet uitgepraat over de vraag hoe je dit op moet vatten. Zo bijvoorbeeld Nechama Leibowitz in haar commentaar op Genesis: “Jacob vatte het gedrag van die twee zonen ernstig op. Vele tientallen jaren na de slachting in Sjechem verweet de aartsvader, op zijn doodsbed, Simon en Levi hun afschuwelijke daad, hoewel de hele familie nu veilig en wel gevestigd was in Egypte. Zijn verontwaardiging over de misdaad lijkt niet minder te zijn geworden met het verstrijken van de tijd. Integendeel, het lijkt erop dat Jacobs aanvankelijke reactie vooral pragmatisch was. Zijn zonen hadden de hele familie in gevaar gebracht, aangezien zij immers een minderheid waren, omgeven door vijandige stammen die hen in aantal ver overtroffen. Maar op zijn doodsbed was er geen ruimte voor dat soort overwegingen. Het huis van Israël was veilig nu het de bescherming genoot van de Egyptische onderkoning. Zijn woede is nu gericht op de wreedheid en onrechtvaardigheid van hun daad”.

Een ander fragment waarover veel te doen is betreft een aantijging in Exodus aan het adres van de Israëlieten bij hun uittocht uit Egypte: “Zo beroofden ze de Egyptenaren”. Dat is nogal een uitspraak, daar kunnen commentatoren niet licht aan voorbijgaan. Dus daar is veel over geschreven en gezegd. En gelukkig biedt de tekst allerlei aanknopingspunten voor een relativering van de diefstal, al heb ik soms liever de ongezouten aantijging dan ongeloofwaardige vergoelijkingen van latere generaties.

Maar duidelijk is wel dat de inzet in veel van de discussies de vraag is: is het nou netjes gegaan of niet? Als roddel zo opgevat wordt, dan mag het. Ik noem het geëngageerde roddel.

Zie ook Bekvechten en Geschiedenis in het kwadraat