zaterdag 31 augustus 2013

Levinas en Habermas


Een belangrijke trek die de Duitse filosoof Jürgen Habermas en Levinas met elkaar gemeen hebben, is hun grote liefde voor de rede, dat wil zeggen voor het menselijke denkvermogen. Bij Habermas komt dat tot uitdrukking doordat zijn boek Theorie van het communicatieve handelen - dat wel als zijn magnum opus wordt beschouwd - gaat over de vraag hoe mensen, geleid door de rede, hun communicatie kunnen optimaliseren. Bij Levinas is dat zichtbaar in zijn gehechtheid aan de verworvenheden van het Westerse Verlichtingsdenken zoals democratische staatsinstellingen, rechtspraak en wetenschappelijke instituten. Dat hij als Litouwse Jood burger heeft mogen worden van zo’n samenleving, namelijk de Franse, heeft hij zijn leven lang als een bijzonder voorrecht beschouwd.

Tegelijkertijd hebben beide filosofen zo hun reserves ten opzichte van dat denkvermogen. Habermas ziet scherp de gevaren van op de rede gebaseerde economische en administratieve systemen waarin menselijkheid in het gedrang komt. En Levinas is van mening dat de rede aan de lopende band illusies produceert. Die scepsis werd bij beiden gevoed door hun ervaringen met het twintigste-eeuwse geweld van nazisme en Sjoa waarin zij doorwerkingen bespeuren van het moderne denken. Zowel Habermas als Levinas hebben er veel voor moeten doen om uiteindelijk hun liefde voor de rede te laten prevaleren boven hun grote scepsis.

De scepsis ten aanzien van de rede werd Habermas indringend bijgebracht door denkers van de Frankfurter Schule als Horkheimer en Adorno, bij wie hij zich in de jaren vijftig aansloot. De Frankfurter Schule stond zeer kritisch tegenover het traditionele idee van een rationaliteit die de maatschappij op een goede manier kan inrichten, zoals men zich dat vanaf de Verlichting tot in de twintigste eeuw voorgesteld had. Horkheimer en Adorno onderzochten de redelijkheid van de rede zelf en kwamen tot ontluisterende conclusies. De rede heeft gefaald en de rationaliteit en haar idealen zijn in haar tegengestelde omgeslagen: in fenomenen als de Sjoa toont het Westen zijn ware gelaat, dat van onderdrukking en geweld.

Habermas onderschreef veel van de ideeën van het Frankfurter duo, maar worstelde tegelijkertijd met de consequenties ervan. Hun filosofie had iets zelfvernietigends en was ontoepasbaar. Zij bestreden de status quo, maar geloofden niet in verandering. Habermas wilde in het nazisme niet het definitieve failliet zien van de op rede gebaseerde beschaving. Hij hervond geleidelijk aan zijn vertrouwen in de menselijke rede door een eigen, wel toepasbaar antwoord te formuleren op de inktzwarte analyse van de Frankfurter Schule.

Levinas op zijn beurt zocht na de oorlog, waarin zijn gehele Litouwse familie was uitgemoord, steun in de Joodse traditie en vond die daar. Onder leiding van de geniale Chouchani – een mysterieuze combinatie van clochard, wandelende Jood en groot geleerde – ging hij de Talmoed bestuderen. Door hem kreeg Levinas naar eigen zeggen het vertrouwen in de boeken weer terug.

De verschillende manieren waarop de twee filosofen hun scepsis hebben overwonnen leidden uiteindelijk tot twee nogal van elkaar verschillende posities ten opzichte van de rede.

Habermas vond een toepasbaar uitgangspunt in zijn humanistische geloof dat de intermenselijke dialoog een mogelijkheid biedt om te komen tot beter begrip tussen mensen. Dit bracht hem onder meer tot de stelling dat er, naast de door de Frankfurter Schule diepgaand geanalyseerde doel-middel-rationaliteit, zoiets is als de ‘communicatieve rede’, die wezenlijk anders van aard is. De rede van de doel-middel-rationaliteit gaat instrumenteel te werk en beschouwt alles wat zij tegenkomt, inclusief menselijke wezens, als middelen voor het bereiken van haar doel. De rede van de communicatieve rationaliteit gaat uit van de eigenheid van de menselijke communicatie zelf. Wanneer mensen in gesprek met elkaar treden, doen ze immers meer dan de ander louter als middel of instrument gebruiken, want ze veronderstellen dat ze te maken hebben met rationele personen, en die zijn doelen in zichzelf.

Voortbouwend op dat uitgangspunt is het volgens Habermas mogelijk een methodiek te ontwerpen voor het goede gesprek: een gespreksethiek. Habermas claimt dat een goed uitgewerkte gespreksethiek voor alle mensen bruikbaar is, en dus universele geldigheid heeft.

Levinas zocht zoals gezegd aansluiting bij de Joodse traditie. Zijn interpretatie daarvan gaf hem in dat de beperkingen van de rede niet volledig met behulp van de rede te repareren zijn. Want volgens hem heeft alle rede iets blinds en eenkennigs, er is geen speciale rede te vinden die op die regel een uitzondering is, zoals Habermas claimt. Dus moet het antwoord op het tekort van de rede volgens Levinas iets zijn van buiten de rede, iets geheel anders. Daarmee doelt hij niet op muziek of romantiek. Nee, hij ziet dat primair komen van de ervaring dat de andere mens waarmee wij thuis of op het werk te maken hebben ons regelmatig totaal verrast. Hij of zij is soms geheel anders dan wat wij hadden kúnnen verzinnen, en repareert daarmee onze verzinsels.

Levinas gelooft zeker ook in de kracht van de zoekende dialoog en de corrigerende werking die daarvan uit gaat. Maar niet in dezelfde mate als Habermas. Levinas gelooft niet dat je miscommunicatie en kwetsing in de communicatie vóór kunt zijn. Daarvoor is het autistische en zelf-misleidende karakter van de rede simpelweg te groot. Dus de grootschaligheid en gedetailleerdheid van Habermas’ maatregelen doen vanuit het perspectief van Levinas een beetje grotesk aan. Je kunt een heel eind komen met je eigen maatregelen, aldus Levinas, maar je zult er door de ander toch steeds op betrapt worden dat je, met al je goede bedoelingen, te ver bent gegaan. Communicatie is niet zo maakbaar als Habermas gelooft. Het blijft een waagstuk, zegt Levinas, en dat treft mij soms als zeer juist.

Zie ook Bristol en Lekker irrationeel (2)

donderdag 22 augustus 2013

Zwarte zwaan


Net zoals elders kom je in management en organisatie optimisme en pessimisme tegen. De extreme pool aan de optimistische kant omvat opvattingen over de kans tot ontplooiing die werk biedt, over de kick van perfecte samenwerking en van empowerment en democratie in organisaties.

De extreme pool aan de pessimistische kant heeft een sterk cynisch karakter. Daar heerst de gedachte dat het in organisaties alleen maar gaat om macht en geld en dat daar een hypocriete façade voor wordt gezet van mooie praatjes en zogenaamd mensgericht Human Resource Management.

Tussen die twee polen zitten natuurlijk eindeloos veel tussenposities waar optimisme en pessimisme met elkaar vermengd zijn. Afhankelijk van wat een mens meemaakt op zijn werk kan de positie die hij inneemt in het spectrum uiteraard ook door de tijd heen en zelfs per dag veranderen. Pessimisme kan omslaan in optimisme en omgekeerd.

Nu denk ik dat omslag van optimisme naar pessimisme meer voor de hand ligt dan het omgekeerde. Want het is prettig om aan je werk te beginnen met een positieve instelling, en zo begint men meestal ook. En dan hoeven er vervolgens maar een paar nare ervaringen te volgen om de verwachtingen te temperen of te doen omslaan naar het negatieve. Dan wordt men ‘wijzer’. De door veel management uitgedragen claim dat het bij hen allemaal koek en ei is kan op een gegeven moment redelijk makkelijk worden doorgeprikt.

De andere – dus de pessimistische – claim is veel moeilijker door te prikken. Misschien wel omdat die pretendeert wijzer te zijn, want op levenservaring gebaseerd. En niemand van ons wil te boek staan als naïef. Vandaar de populariteit van de gedachte dat iedereen uiteindelijk alleen maar uit is op eigen gewin, dat de struggle for life de enige constante is in organisaties, en dat er eigenlijk geen ontsnappen is aan het besef daarvan, tenzij je ziende blind bent. Dat cynisme is veel moeilijker te bestrijden, dat heeft de waarheid in pacht. Het laat zich niet zo maar in positieve richting bijstellen.

Dit paradigma heeft de neiging zichzelf te versterken, doordat ieder voorval waar sprake is van zelfzuchtig handelen erin past. Afwijkende dingen worden simpelweg niet meer gesignaleerd. Hier gebeurt wat Popper verificatie noemt: als de stelling voor een onderzoek luidt “Er zijn alleen maar witte zwanen”, en je onderzoekt dat door bewijs te verzamelen vóór de stelling, dan zul je ook witte zwanen vinden. Toegepast op ons onderwerp: als de stelling luidt “In organisaties heerst het recht van de sterkste”, en je gaat ter bevestiging van die stelling op zoek naar ondersteunend bewijsmateriaal dan zul je inderdaad bewijzen vinden van de akeligheid van organisaties.

Maar Popper zegt: die onderzoeksmethode deugt niet, want door bevestiging te zoeken voor de stelling zul je die ook vinden, witte zwanen inderdaad en akeligheid. In plaats daarvan moet je zoeken naar wat die stelling doorbreekt, een zwarte zwaan dus. Want als je dán niets vindt wint de stelling aan waarde.

De stelling van de witte zwanen is voor de meeste mensen al een keer onherstelbaar weerlegd door de signalering van een zwarte zwaan. De stelling “In organisaties heerst het recht van de sterkste” kan daarentegen onweerlegbaar lijken als een ijzeren wetmatigheid, al is het maar omdat de akeligheid je belet om iets anders te zien. Bovendien loop je het risico voor wereldvreemd door te gaan als je iets tegen de stelling in brengt.

Toch is die stelling popperiaans-wetenschappelijk gezien net zo zwak als die van de witte zwanen, want ook de recht-van-de-sterkste-stelling kent zijn zwarte zwanen. Als je, geïnspireerd door het werk van Levinas, aan mensen in organisaties vraagt of ze zich weleens verlegen voelen over hun macht in hun organisatie blijken ze soms ja te zeggen. Een zwarte zwaan. En als je dan vraagt of ze daardoor wat aan hun gedrag veranderden zeggen ze soms ook ja. Nog een zwarte zwaan.

Zie ook Popper en Levinas en Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?

vrijdag 16 augustus 2013

Voor en tegen Bennett


Tot voor kort was de situatie in Israël voor progressief-religieuze Joden misschien niet erg hoopvol, maar wel overzichtelijk. Al tientallen  jaren hadden zij te maken met regeringen die niet veel voortgang wilden maken op twee voor hen wezenlijke thema’s: een oplossing voor het conflict met de Palestijnen door de twee-staten-regeling; en beëindiging van de achterstelling van Liberale en Conservatieve Joden ten opzichte van de Orthodoxen.

Het goede nieuws is dat er met betrekking tot dat laatste punt beweging te bespeuren is. De minister van Religieuze Zaken Naftali Bennett heeft namelijk behoorlijk concrete plannen om een einde te maken aan de bevoorrechte positie van de Orthodoxie. Hij wil gelijke rechten toekennen aan de verschillende religieus-Joodse stromingen. Dat zou betekenen dat Liberalen en Conservatieven in dezelfde mate aanspraak kunnen maken op staatssubsidies, gelijkheid voor de wet en vrijheid van godsdienstuiting. Geen wonder dat hun aanvoerders erg gecharmeerd zijn van Bennett.

Maar diezelfde Bennett neemt met betrekking tot het conflict met de Palestijnen een positie in die veel progressieven moet tegenstaan. Met zijn partij Habajit Hajehudi is hij faliekant tegen de vorming van een Palestijnse staat. Hij bepleit uitbreiding van de nederzettingen van kolonisten en annexatie van de Westoever door Israël en stuurt zo aan op een verscherping van het conflict.

Wat per saldo nu te denken van Naftali Bennett? Je zou als progressief-religieuze Jood bijna terugverlangen naar de overzichtelijke tegenstanders van weleer.

Zie ook Liberale varianten en Stappen

donderdag 8 augustus 2013

Knuffelpaus


Ik vind het wel spannend om te zien hoe het verder zal gaan met deze paus en de Katholieke kerk.

De uitstraling van de man is ontegenzeggelijk betoverend en innemend. Temidden van het geweld en de zelfzuchtigheid die het overgrote deel van de nieuwsberichten beheersen, kunnen de gebaren van betrokkenheid en naastenliefde van deze paus de verzuchting ontlokken: dit is wat deze gekwelde aarde nodig heeft.

Maar precies dat wat Franciscus innemend maakt (het absolute, de onvoorwaardelijkheid van zijn toewijding) is in een gemiddeld leven een stuk moeilijker of onmogelijk. Een gemiddeld leven is altijd schipperen en doormodderen, zowel engel als beest.

Ik heb ze vroeger ook wel gekend: Katholieke priesters met een hoge moraal en grote toewijding. Hartelijk en vrolijk in de omgang, streng voor zichzelf. Een zekere mate van ascetisch sterrendom kon daarmee gepaard gaan, maar de hoofdindruk was toch die van warme, geëngageerde spirituelen. Daar moet de wereld verder mee kunnen komen, zo was mijn associatie bij deze priesters.

Maar ik ben destijds voor mezelf tot de conclusie gekomen dat, hoe inspirerend zulke figuren ook zijn, zij als maatschappelijk en pedagogisch model vrij onbruikbaar zijn. Want hun uitstraling is nauw gebonden aan celibaat en armoede. En als het niet je bedoeling is iedereen armoedig en celibatair te zien dan wordt het plaatje van een betere wereld op slag zoveel complexer en meerlagig dat een dergelijke inspirerende figuur veel van zijn relevantie verliest.

Dat het celibaat voor minder mensen een goed idee is dan vroeger werd gedacht is inmiddels op ontluisterende manier zichtbaar geworden. En dat het wegschenken van bezit niet is aan te bevelen voor ouders die hun kinderen een goede toekomst willen geven of door eigen armoede liever geen last willen toevoegen aan reeds bestaande ellende, dat lijkt me ook vrij duidelijk.

Iedereen arm en celibatair, natuurlijk is dat de bedoeling niet, zegt de Katholieke kerk. Maar dat impliceert dat je precies die dingen kwijt raakt die Franciscus nu (en Jezus destijds) zo innemend maken. En dat impliceert dat je afziet van dit soort sterrendom, en het zoekt in het smoezelige, middelmatige tussengebied waar je levensverzekeringen afsluit en net die mooie hoektuin voor je kinderen probeert te bemachtigen en ondertussen nog aardig probeert te blijven voor de meeste medemensen.

Daar valt minder eer aan te behalen, maar daar moet het wel gebeuren. Als je als religie in die modderpoel oriëntatie wilt bieden aan mensen, zul je het daar moeten zoeken. Maar dat vereist een meer uitgekiend model, je zou kunnen zeggen dat het Protestantisme, de Islam en het Jodendom wat dat betreft beter doorontwikkeld zijn dan het Katholicisme.

Maar innemend blijft het, op zijn tijd.

Zie ook Rome, Mekka en HalsterenDenken doet ertoe en Plato, Bambi en Danneels

vrijdag 2 augustus 2013

Delegitimering


Eerlijk gezegd snap ik het niet helemaal, die diep verontwaardigde reacties vanuit de Israëlische regering en andere Joodse kringen op de aankondiging door de EU van een boycot van produkten uit de nederzettingen. Wat ik met name niet snap is de bewering dat hier delegitimering van Israël in het spel is.

Delegitimering verwijst naar uitspraken van Israël-vijanden die beweren dat de staat Israël op valse gronden gesticht is, dus geen bestaansrecht heeft en eigenlijk zou moeten verdwijnen.

Dat je je zorgen maakt om dat soort uitspraken snap ik wel. Hier is de bestaansgrond van de eigen staat in het geding, en je hoeft niet per se Joods te zijn om een dergelijke fundamentele afwijzing bedreigend te vinden. En bovendien volkomen misplaatst, want Israël is gegrondvest op een beslissing van de Verenigde Naties en staat daarmee als bijna geen ander land stevig gevestigd in de internationale rechtsorde.

Maar juist die laatste constatering maakt het zo onbegrijpelijk dat er van die ‘diep gekrenkte’ geluiden komen uit Israël. Want als je werkelijk wilt blijven meelopen in het internationale rechtssysteem dan kun je daaruit niet selectief gaan winkelen. Je zult de regels van het spel mee moeten spelen.

Gelukkig zijn die regels redelijk genuanceerd: Israëls bestaansrecht staat niet ter discussie, maar de bezetting van de Westoever is illegaal. De conclusies die vervolgens op basis van die uitgangspunten getrokken worden zijn al even genuanceerd:  boycot van Israëlische produkten is niet aan de orde, het gaat over produkten uit de bezette gebieden.

Door boycot van die laatste voor te stellen als een affront voor Israël als geheel maakt Netanjahoe er een alles-of-niets-spel van. Dat is gevaarlijk: Israël verlaat daarmee de juridische arena en speelt zo de delegitimeerders in de kaart. Het is geen toeval dat in de altijd enigszins antisemitisch gekleurde Britse academische kringen ook gekozen wordt voor alles: een totaal-boycot tegen alle Israëlische academici, van buiten én binnen de Groene Lijn. En in de Nederlandse supermarkt kunnen overigens welwillende consumenten voor de zekerheid besluiten om dan maar helemaal niets uit Israël te kopen.

Als je werkelijk delegitimering wilt voorkomen zul je je moeten voegen naar het juridische spel. Dan zul je voortdurend onderscheid moeten maken tussen wat volgens internationaal recht wel kan en wat niet kan. En dus ook tussen produkten die volgens internationaal recht wel of niet koosjer zijn.

Maar soms ben ik bang dat ik het misschien toch wel snap. Namelijk, dat het botte alles-of-niets verhaal minder te maken heeft met de angst voor delegitimering, maar voortkomt uit blinde ideologische gedrevenheid in Israëlische regeringskringen.

Des te belangrijker om binnen het juridische discours te blijven dat door Europa op dit moment redelijk netjes wordt ingevuld.

Zie ook Koosjere wijn en Het dorp Noorwegen

donderdag 25 juli 2013

Bakstenen


Als je er een beetje gevoelig voor bent kan de lelijkheid van onze gebouwde, eigengemaakte omgeving je weleens rauw op het dak vallen. Ik denk daarbij aan bedrijventerreinen, jaren-vijftig wijken, moderne agrarische complexen.

Tegelijkertijd schiet dan de gedachte door mijn hoofd dat die lelijkheid van de gebouwde omgeving een relatief recent verschijnsel is. Op zo’n moment heb ik het idee dat er een periode was, zeg tot pakweg 1800, dat alles wat de mens maakte accordeerde met de omgeving, en dus mooi was. Of het nu ging om bouwsels, gereedschappen, meubels of andere artefacten.

Natuurlijk konden krotten bouwvallig en verwaarloosd zijn en kon het stinken in de steegjes en langs het water. Maar dat is iets anders dan de manier waarop plastic of beton of gegalvaniseerd staal detoneren met de omgeving. Die laatste passen niet meer vanzelfsprekend in de natuurlijke omgeving, er heeft een breuk plaats gevonden. Daar kunnen prachtige effecten uit ontstaan, maar de breuk is ook de oorzaak van de onvoorstelbare lelijkheid waarmee we zijn omringd.

Soms meen ik het al terug te zien op het niveau van een simpele baksteen en de uitstraling die daar vanuit gaat. Eigenlijk heb ik nog nooit een pre-negentiende eeuwse baksteen gezien die niet mooi was, in de zin dat die detoneerde met de omgeving. Maar na 1800 beginnen er lelijke, vlakke, industriële bakstenen te komen. Gelukkig blijven er ook hele mooie bakstenen gemaakt worden, maar door de toenemende inzet van machines en techniek is een baksteen niet langer per definitie mooi: er verschijnen gewoonweg lelijke soorten.

Toch weet ik niet of mijn keurige voor-en-na-1800 schematisme wel houdbaar is. In ieder geval werd het laatst doorbroken toen ik een middeleeuws stadsgezicht zag met daarop de afbeelding van een havenkraan. De afbeelding was waarschijnlijk 15e-eeuws, maar ik vond die kraan een lelijk bouwsel: lomp en kunstmatig, stakerig technisch. Het had kortom alle trekken van lelijkheid. Worden hijskranen dan al ver voor 1800 lelijk? Of zijn ze dat altijd geweest, van het begin af aan?



vrijdag 12 juli 2013

Moreel vacuüm


De meesten van ons, althans buiten de biblebelt, zijn niet meer zo bang voor een albeheersende, straffende God die onze gangen bewaakt. En de almacht van de natuur hebben we, voor ons gevoel, tot aanvaardbare proporties kunnen terugbrengen.

Het voelt als vooruitgang dat we de absolute geboden van die hogere instanties van vroeger meer relativeren, dat er dus niet een massieve set van regels is waar iedereen zich aan moet houden. We geloven nu dat ieder mens recht heeft op eigen inzichten en dat andere meningen gerespecteerd moeten worden, ook al levert dat een veelvoud aan gezichtspunten op.

Maar waar brengt die vooruitgang ons dan? Eindigt deze trend niet noodzakelijkerwijs in een kakafonie van meningen en korte lontjes, of juist in richtingloosheid en onverschilligheid?

Thijs Kleinpaste snijdt die vraag aan. Inderdaad, zegt hij, we accepteren elkaars gelijkwaardigheid, maar veel wijst erop dat we de implicaties daarvan nauwelijks onder ogen willen zien. Echte gelijkwaardigheid zou namelijk inhouden dat we ons bewust zijn van de tragiek die hoort bij de botsing van verschillende tegenstrijdige maar legitieme opvattingen. Pluraliteit van opvattingen houdt in dat onverenigbare meningen pijnlijk tegen elkaar aan schuren en dat je dat toch zo houdt, aldus Kleinpaste.

Michael Sandel bespreekt dezelfde vraag. Hij constateert dat met het wegvallen van de grote morele regelgevers (God en de natuur) ook het morele debat is weggevallen. Men benadert belangrijke kwesties alleen nog maar op een technocratische of bestuurskundige wijze. We zijn ons zo bewust van het feit dat we verschillend denken over wat goed is dat we in het publieke domein proberen om zo neutraal mogelijk te zijn en onze morele overtuigingen af te leggen. Vandaar de omarming van het concept van de vrije markt: die zou ook neutraal zijn.

Maar ondertussen, zegt Sandel, smachten mensen naar publieke discussie over grote vraagstukken en ethische kwesties. Hij merkt dat bij zijn studenten. Tijdens debatcolleges straalt het van hun gezichten dat ze zich door het debat in een gemeenschap voelen opgenomen. Juist door het respectvol uitwisselen van meningen, hoe verschillend ook, ontstaat een gevoel van verbondenheid.

Maar kennelijk gebeurt dat te weinig, denkt Sandel. Je moet misschien vaststellen dat de vooruitgang nog niet ver genoeg is voortgeschreden. We hangen ergens halverwege: God en de natuur kunnen ons niet meer bang maken met een absolutum, ze verschaffen ons geen morele richtlijnen meer. Maar daar is nog niets voor in de plaats gekomen.

Wat zou ervoor in de plaats kunnen komen? Wat is er nodig zodat we weer het gevoel krijgen dat er iets op het spel staat?

In lijn met wat Sandel zegt denk ik dat we elkaar en onze meningen serieuzer kunnen nemen. Zodat we niet alleen meer stilzwijgend ieder zijn mening gunnen, maar elkaar actief bevragen naar elkaars standpunten, niet op een hijgerige of sensationele manier, maar wel nieuwsgierig en gretig. Want raar genoeg creëert dat gemeenschappelijkheid.

Zie ook Heilig vuur, Meerstemmigheid en Seculiere varianten

zaterdag 6 juli 2013

Wereldvreemd


Ik weet niet of het waar is: dat het Christelijke Westen zich altijd verzet heeft tegen wereldvreemdheid en spiritualiserende tendenzen die een godsdienst al snel iets zweverigs kunnen geven.

De filosoof Ger Groot oppert dat in Trouw als hij zegt dat wereldvijandigheid voor de Christelijke orthodoxie altijd een vorm van ketterij is geweest. Maar naar mijn mening levert hij in het betreffende artikel vooral voorbeelden van het tegendeel, zoals de diepgewortelde opvatting over waarheid als eeuwig en onlichamelijk, de voorliefde voor theorie, en de Christelijke hoop op de definitieve overwinning van de materie door de geest. Welke laatste hoop zelfs in geseculariseerde vorm voortleeft in het streven van Stephen Hawking en andere vooraanstaande natuurkundigen om te komen tot een alles overstijgende theory of everything.

Je kunt je afvragen of het niet eerder de Joodse traditie is die staat voor het verzet tegen die alles gelijkschakelende tendens waartoe missionaire religies als het Christendom en de Islam, maar ook het Verlichtingsdenken de neiging hebben. Het is nogal een stelling die ik hier formuleer, daar ben me van bewust, maar een aantal verschijnselen worden er begrijpelijker door.

Bijvoorbeeld het eeuwenlange Christelijke antisemitisme. Dat dankte zijn ontstaan mede aan de weigering van de Rabbijns-Joodse leiders om de in hun ogen bizarre Christelijke claims over een kosmische verlossing over te nemen. Daar moest toch wat meer ondersteunend bewijs bij geleverd worden, redeneerden zij. Deze nuchtere afwijzing van verheven hemelse speculaties werd hen de geschiedenis door niet in dank afgenomen.

Zo bekeken zou het aardse, gewortelde karakter van het Jodendom op dat metafysische niveau nog steeds weleens, juist vanwege de aardsheid, een steen des aanstoots kunnen zijn voor de geseculariseerde opvolgers van het naar verheven theorie strevende Christendom. Dat zou kunnen verklaren waarom Hawking weigert deel te nemen aan de Israëlische Presidentiële Conferentie van wetenschappers. Die weigering gaat namelijk verder dan een boycot van de nederzettingen, waar ik me van alles bij voor zou kunnen stellen. De absoluutheid van Hawkings totaal-boycot getuigt eerder van een metafysisch soort ongemak met waar het Jodendom voor staat.

Dan is er in wat meer obscure Westerse kunstkringen de tendens om het Joodse volk te associëren met de maan – en vandaaruit met nacht en materialisme – en het Christendom met de zon – en daarmee met hemelse sferen en diepzinnigheid. Nu zit daar wel iets in, want de Joodse kalender baseert zich op de maancyclus, en de Christelijke op de zonnecyclus. Maar zo’n thema komt toch vooral voort uit de Westerse neiging om het hogerop te zoeken.

Als tenslotte de huidige Paus bij zijn aantreden waarschuwt dat “de kerk zich verre moet houden van wereldsheid, want wereldsheid is des duivels”, dan sluit dat aan bij grondleggende Christelijke teksten als “Jullie zijn wel in de wereld maar niet van de wereld”. En dan weet ik niet of Groots suggestie houdbaar is, en voel ik mij bevestigd in mijn stelling dat waardering voor het lichamelijke en materiële eerder een Joodse liefhebberij is.

Honderd procent waar is mijn stelling zeker niet, want een bepaald soort idealisme gedijt in de Joodse traditie bij uitstek goed. Namelijk het messianisme, dat wil zeggen de verwachting van een gouden toekomst voor de wereld, juist ook in morele zin. En dat niet per se voorbehouden aan alleen de Joden, maar als bestemming voor de hele mensheid.

Zie ook Koosjere wijn, Verdwijntruc en Trend

donderdag 27 juni 2013

Eng


Dit soort foto’s maakt me bang. Dictators met machtshonger in de ogen die geen gelegenheid voorbij laten gaan om hun macht te vergroten, in binnen- en buitenland.

Het is dat Engeland en Frankrijk nog nucleaire slagkracht hebben, anders zou Poetin zich heel wat brutaler opstellen ten opzichte van ons. En ze lachen in hun vuistje, Poetin en Erdogan, dat Europa zich zo laat verdelen en zich maar zeer traag ontwikkelt tot de economische en militaire wereldmacht die het zou kunnen zijn.

Ons Europese speelkwartier kan weleens zomaar voorbij zijn. Voor Nederland betekent dat dat krakersrellen, paarse tuinbroeken, levensloopregelingen en 5-mei-bevrijdingsfeesten alleen maar stand kunnen houden als we beseffen dat het geen vanzelfsprekendheden zijn. Zelfs Groen-Links lijkt zich dat te realiseren want ik hoorde onlangs Bram van Ojik zeggen dat Europa militair beter uit de verf moet komen en dat dat beter kan met één defensiemacht dan met de vele nationale legers die er nu zijn.

Het schijnt te helpen, voor het opzetten van een goede defensie, dat je beseft dat er een vijand is. Sommige historici menen dat de gepolariseerde situatie van de Koude Oorlog de landen in Europa nader tot elkaar gebracht heeft en gezorgd heeft voor een lange periode van vrede. De overmatige bewapening in die tijd was ook eng, maar we waren ons wel bewust van het feit dat we iets te verdedigen hadden.

Als Turkije zich nu meer richt op Rusland in plaats van op de EU resulteert dat misschien in een nieuw soort polarisatie, met als bijproduct aan onze kant een toenemend bewustzijn van onze verworvenheden en bereidheid om dat te verdedigen.

Nog mooier als het zo ver niet hoeft te komen natuurlijk.

Zie ook De TV houdt ons bij de les

zaterdag 22 juni 2013

Trend


Ze bestaan al lang: Joodse atheïsten.

Zelfs toen, vele eeuwen geleden, atheïsme voor het mensenbrein nog geen fatsoenlijke optie was, waren er Joden die zeiden niet te kunnen geloven in wat de traditie vertelt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de als rabbijn begonnen Elisja ben Aboeja (uit de eerste eeuw van de jaartelling). Over hem gaat het verhaal dat hij begon te twijfelen aan de Tora toen hij zag dat een kind overleed terwijl het bezig was een voorschrift uit te voeren voor uitoefening waarvan de Tora een lang leven belooft – namelijk het laten gaan van de moeder-vogel als je jonge vogels uit een nest haalt (Deuteronomium 22,7). Terwijl een man die niet voldeed aan hetzelfde voorschrift nergens last van had. Elisja lijkt daarna iedere vorm van Jodendom te hebben afgezworen. Maar misschien heeft hij wel een andere godsdienst omarmd, veel is er van hem niet bekend.

Bekender zijn, al meer dan anderhalve eeuw, stromingen en individuen binnen het Joodse religieuze spectrum die zich weliswaar bekennen tot de traditie en een zelfgemaakte selectie van rituelen, maar zichzelf niet gelovig noemen. Ik doel hiermee dus niet op stromingen die de godsdienst en de rituelen bij de tijd wilden brengen en hervormen, zoals de Liberale en Conservatieve stromingen. Want die laatsten behielden nadrukkelijk het geloof in God als de kern van hun denken en doen.

Nee, ik doel bijvoorbeeld op de Reconstructionisten, een Joodse stroming die gebaseerd is op de ideeën van rabbijn Mordechai Kaplan (1881-1983). Kaplan beschouwde het als een grote verdienste van de Joodse traditie dat daarin God niet antropomorfisch, dus in aan de mens ontleende termen, wordt beschreven. Maar hij wilde verder gaan en stelde dat God niet persoonlijk is, in die zin dat hij geen bewust wezen is en niet communiceert met de mensen. Een latere ontwikkeling bracht hem volgens sommigen tot een regelrecht atheïstisch standpunt.

Daarnaast doel ik op de vele Joodse individuen die wel bij God-gerichte sjoels van Orthodoxe of Liberale snit zijn aangesloten en daar volop in mee doen, maar tegelijkertijd nadrukkelijk te kennen geven nergens in te geloven. Dat kan kennelijk, in de Joodse context, en dat al meer dan een eeuw lang.

Het lijkt erop dat die optie nu een trend aan het worden is bij bepaalde van oorsprong Christelijke groeperingen en individuen. Thierry Baudet zegt daarover in de NRC: “Misschien is het daarom toch een goed idee het christendom op een seculiere manier te herwaarderen. Vele Joden doen het ook zo: ze geloven dikwijls geen woord meer van de Torah, maar ervaren niettemin dat in de religieuze traditie veel wijsheid is gelegen; ze zijn trots zichzelf als Joods te zien, en beseffen dat de rituelen en gebruiken ons bestaan op een vreemde manier completeren.”

De filosoof Ger Groot denkt in dezelfde richting, en hij geeft daar ook nog een motivering bij. Het uitvoeren van rituelen komt volgens hem tegemoet aan hedendaagse filosofische inzichten die de eeuwenoude Westerse neiging tot theorievorming en spiritualisering op de korrel nemen. In plaats daarvan pleiten moderne denkers voor meer aandacht voor het aardse bestaan en meer respect voor de oppervlakte en uitwendigheid van verschijnselen. Aandacht voor rituelen past daarin.

Voor de Joodse traditie lijkt het te kunnen werken: de gerichtheid op rituelen en concrete handelingen zit het Jodendom in het bloed. Maar die traditie is altijd al aardser en concreter geweest, dat is waarschijnlijk precies de reden waarom Joden zolang het mikpunt waren van Christelijke minachting.

Het Christendom streefde eeuwenlang naar een meer verheven spiritualiteit, en heeft een veel moeizamere verhouding met het aardse. Dus of de aandacht voor meer praktijk en rituelen daar zo soepeltjes ingang zal vinden als Baudet en Groot hopen zal nog moeten blijken.


vrijdag 14 juni 2013

Voor en tegen schaamte


Het is niet altijd even handig dat Levinas – en ik in zijn kielzog – veel werkt met het begrip ‘schaamte’. Want weliswaar heeft dat woord in de levinassiaanse context per saldo geen negatieve klank – schaamte kan mensen helpen om uit hun illusies en mentale beperkingen te breken –, toch heeft schaamte voor veel mensen wel degelijk een sterk onaangename  gevoelswaarde.

In het alledaagse taalgebruik kán het woord schaamte beslist wel de genoemde positieve  associaties oproepen. Maar minstens even vaak is voor mensen de eerste associatie met het woord negatief van aard. Dan geldt: schaamte, daar wil je vanzelfsprekend vanaf.  In die gevallen is het lastig om dat woord nog te gebruiken als iets met een potentieel constructieve lading.

Een treffende illustratie van de zwaar negatieve lading van het woord geeft Joop Goudsblom in de inleiding van zijn memoires. “Een mooie zomermiddag met een strakblauwe hemel. Op de parallelweg langs de nieuwe Provinciale Weg fietst een moeder met haar zoontje achterop in het mandje. Ze zijn allebei goed gehumeurd; de moeder fietst, het jongetje zingt een vrolijk liedje. Dan passeren ze een paar meisjes die daar aan het spelen zijn. Een van de meisjes zegt: ‘Moet je dat jongetje horen zingen’. Meer zegt ze niet; maar het jongetje heeft er iets schampers in beluisterd, en hij houdt onmiddellijk op met zingen. Hij voelt zich betrapt, zonder te weten waarom”.

Goudsblom opent met deze gebeurtenis zijn memoires “omdat de strijd tegen schaamte een constante is gebleven in mijn leven”. Hier verschijnen schaamte en de vastbeslotenheid om die geen kans meer te geven als een leidend thema en programma voor een heel mensenleven.

Een iets andere benadering van schaamte vind ik terug bij A.F.Th. van der Heijden. Deze schrijver vertrekt eveneens vanuit de negatieve lading van het begrip, maar buigt de negativiteit uiteindelijk om tot iets positiefs. Schaamte is een zoveel mogelijk te vermijden akelige ervaring, maar die kan wel het eergevoel prikkelen en mensen tot bijzondere prestaties aanzetten.

Naar aanleiding van het overlijden van zijn zoon Tonio merkt Van der Heijden op dat hij grimmiger en pretentieuzer is geworden. “Van Tonio’s dood heb ik geleerd om nooit meer iets zomaar te doen. Dat heeft te maken met een proces dat ik ‘verschaming’ noem: dingen waar ik vroeger trots op was, hebben hun glans verloren. Die schaamte daagt mijn creatieve ambitie uit: daar bovenuit komen is wat me nu bezighoudt”.

Een derde, meer positieve, opvatting van schaamte geeft Coen Simon in zijn boek Schuldgevoel. Over de dingen die we niet nodig hebben. Schuld en schaamte zijn bij hem geen ‘zonde’ of iets dat je moet overwinnen, maar met het mens-zijn gegeven en te aanvaarden zaken. Door het ontbreken van een absoluut vertrekpunt weten we nooit hoe we moeten handelen. Maar we doen net of alsof we het wel weten, aldus Simon. En schamen ons. Daar is niks mis mee, het is een manier om de werkelijkheid nabij te komen.

Hoe is het mogelijk dat de associaties van mensen bij het woord schaamte zo sterk uiteenlopen? Ik denk dat de verschillen in benadering voor een groot deel verklaard kunnen worden doordat het over verschillende soorten schaamte gaat. Bij de meer positieve opvattingen van het woord (zoals bij Levinas en Simon) gaat het in feite over denkschaamte: de realisatie dat het denken – dus ook jouw denken – illusies produceert. Betrapt te worden op illusies kan zeker pijnlijk zijn, maar het voelt niet per se als een faal-schaamte, want illusieproductie is daarvoor te zeer gekoppeld aan de aard van het denken zelf, en daarmee aan je eigen goede bedoelingen en, in laatste instantie: aan jezelf. Indringend, maar je betrapt vooral jezelf.

Bij de andere – meer als negatief ervaren – schaamtes gaat het om faal-schaamte: je presteert onder de  maat, in ieder geval onder het niveau dat jijzelf of anderen, maatschappelijk gezien, van je verwachten. Je staat te kijk voor anderen. En dat wil je voortaan per se vermijden.

Ik denk dat het niet verkeerd is om zowel het gevoel van verlegenheid dat kan optreden bij de ontmaskering van een illusie als dat wat optreedt bij onderprestatie aan te duiden met het woord ‘schaamte’. Maar het is wel goed om in de gaten te houden of dat de schaamte is die alleen met negativiteit geassocieerd kan worden, of dat die ook constructief kan worden opgevat.

Zie ook Baas in eigen boekGewaagd en Iets kleins