donderdag 14 juni 2012

De Groene en de Rode Lijn


Hij was lekker, de Efrat wijn die we hadden met Pesach, althans de rode van de Hema. Maar ik doe het niet meer. Want ik wil wel graag de economie van Israël stimuleren, maar dan aan de goede kant van de Groene Lijn.

Nu is het probleem dat je van een heleboel Israëlische producten niet kunt zien of ze uit de bezette gebieden komen of niet. Maar bij deze wijn kun je dat heel goed zien, die loopt ermee te koop. Efrat is de naam van een nederzetting op de Westbank. En dat soort nederzettingen wil ik beslist niet sponsoren.

Moet je daar nu zo’n punt van maken? Er vindt – anders dan veel Israëlbashers hardop willen zeggen – in allerlei landen om Israël heen toch geweld plaats op veel grotere en afschuwelijkere schaal? Wat Israël doet lijkt vergeleken daarmee toch peanuts?

Met de voormalig Knessetvoorzitter Avraham Burg deel ik de mening dat je er een groot punt van moet maken. Als Israël pretendeert ‘de enige democratie in het Midden-Oosten’ te zijn en fundamentele waarden zoals democratie, gelijkheid, de rechtsstaat, secularisme en moderniteit wenst hoog te houden, dan is iedere inbreuk op het land van een ander daarmee in strijd.

Hij gaat ver, Burg, en hij is streng als een profeet uit Tenach. Hij stelt dat het bezetten van Palestijnse grond aan de overkant van de Groene Lijn het slechtste in de Israëliërs naar boven haalt: het genereert fanatieke, nationalistische, fundamentalistische en ondemocratische krachten die alle fundamenten van de Israëlische samenleving bedreigen. Ik ben bang dat Burg gelijk heeft en dat we zijn woorden ter harte moeten nemen: respecteer de Groene Lijn.

Brandschoon word je nooit, en waarschijnlijk klopt het gezegde dat iedere staat is gesticht op een misdaad. Maar toch drink ik volgend jaar Pesach liever wijn uit Latrun, van dezelfde Hema trouwens. Strikt genomen deugt dat ook niet want Latrun viel tot 1967 onder het beheer van Jordanië. Maar de grenscorrectie die daar plaatsvond was te logisch om tegen te kunnen zijn, zeker omdat de verbindingsweg tussen Tel Aviv en Jeruzalem regelmatig onder Jordaans vuur lag vanuit Latrun.

Als Abraham Burg zegt dat ook díe overschrijding van de Groene Lijn niet onschuldig is, dan zij dat maar zo. Ik kan dat rijmen met mijn en zijn Rode Lijn, die gaat over fatsoen en democratie. Daar wil ik niet overheen.

Zie ook Koosjere wijn en Schuiven

donderdag 7 juni 2012

The Devil is voortdurend in the Detail


“Dat moet toch lukken, een beetje stroomlijnen van de vergunningverlening? Het is werkelijk te gek: wekelijks zijn wij uren kwijt aan de publicatie van vergunningsaanvragen. Al die bijlagen en bouwtekeningen moeten full colour gekopieerd worden en aan de balie ter inzage gelegd worden. Als we dat nu eens zouden afschaffen?”

“Ja, maar de politiek wil dat zo. En de burger waarschijnlijk ook, om te kunnen zien wat de medeburgers van plan zijn”.

“Nou, dan doen we dat toch gewoon digitaal, dan zijn we van al dat papierwerk af. Dan kunnen de mensen de aanvagen ook thuis raadplegen via internet en hoeven ze niet meer naar de balie te komen”.

“Goed idee. Dan moeten we alleen wel de privacygegevens uit de aanvragen en de bijlagen filteren want je mag niet zomaar namen en adressen van privé personen publiceren”.

“Ok, dan moeten we gewoon uitsplitsen wat vertrouwelijk is en wat openbaar en een applicatie dat laten filteren”.

“Ja dat zullen we eerst moeten testen. En wat er niet uitgefilterd kan worden moeten we handmatig onleesbaar maken”.

“Ja, ja…”

Zie ook Smeken om feedback, Listig en Lucht en daadkracht

vrijdag 1 juni 2012

Parrèsia


Als parrèsia een deugd is dan mag het Joodse volk gerust een deugdzaam volk genoemd worden. Want parrèsia kun je vertalen met vrijmoedigheid, of – als Wilders die kreet geen eigen draai had gegeven – ook wel als ‘zeggen wat je denkt’. Wel, dat gaat Joden over het algemeen goed af.

Toch komt het woord niet uit de Joodse traditie maar uit de Griekse. Het woord parrèsia verschijnt voor het eerst bij Euripides en blijft vanaf het einde van de vijfde eeuw vóór de jaartelling voorkomen in de geschriften uit de klassieke Griekse oudheid.

In onze tijd is het woord weer in omloop gebracht door de Franse filosoof Michel Foucault die in 1983/84 colleges gaf over parrèsia als het fenomeen waarbij een spreker zich vrijmaakt en zich vrijmoedig uitspreekt. In de moderniteit, waarin de mens steeds meer op zichzelf is teruggeworpen, acht hij het van belang om trouw te kunnen zijn aan zichzelf en zijn eigen gedachten.

Het meest recente pleidooi voor parrèsia las ik in Trouw en is afkomstig van de Britse hoogleraar Frank Furedi. Hij pleit voor parrèsia onder de aansporing “Mens durf te oordelen”. Hij keert zich daarmee tegen de neiging tot lauwe tolerantie in onze samenleving, als een krachteloos instrument van vooral-niet-oordelen, veilig op afstand blijven. Met Hannah Arendt ziet hij de onwil om te oordelen als een teken dat men geneigd is zich terug te trekken uit het publieke leven. Terwijl door wel te oordelen een dialoog ontstaat met een ander.

Het is waar, zegt Furedi, het uitspreken van een waardeoordeel kan een vorm zijn van psychisch geweld – maar een complexe samenleving kan nu eenmaal niet zonder oordeel en vergelijking. Daar is wel durf voor nodig, want vrijheid van meningsuiting en de zucht naar kennis gaan gewoonlijk hun eigen onvoorspelbare gang.

In het oude Athene, de bakermat van de democratie, durfden ze dat: daar kreeg die riskante houding volgens Furedi voor het eerst waardering. “Durf en vrijheid waren voor de Grieken waarden die elkaar versterkten. Iets dergelijks zien we in het Italië van de Renaissance, waar ideeën over vrijheid gepaard gingen aan durf en ontdekkingsijver”.

Wat me irriteert aan een presentatie van zaken als die van Furedi is de aanbidding van Griekendom en Renaissance in combinatie met de totale afwezigheid van aandacht voor de Joodse bijdrage aan vrijmoedigheid in de loop van de geschiedenis. Dat is een onevenwichtigheid in de presentatie van ons culturele erfgoed die mij al stoort vanaf mijn middelbare schooltijd. Ook toen tierde de adoratie voor de klassieke oudheid welig en had ik het gevoel dat er iets ontbrak.

Immers, op het stuk van de vrijmoedigheid hadden de Joden hun sporen al verdiend toen de Atheners hun democratie nog moesten vestigen. Abraham had al gemarchandeerd met God over Sodom en Gomorra, en Jacob had gevochten met de engel.

En de Joden hielden daar niet mee op toen in Athene de democratie ter ziele ging en Socrates en Plato pleidooien hielden voor censuur op poëtische en andere zielsuitingen die de pure moraal maar zouden ondermijnen. De schrijver van het boek Job laat zijn gemoed vrij spreken en gaat ver in het plaatsen van vraagtekens bij de rechtvaardigheid van God.

In de Misjna en de Talmoed gingen de rabbijnen door met de beloning van intellectuele moed door Joods-wettelijke beslissingen te nemen bij meerderheid van stemmen en de weggestemde opvattingen en hun auteurs toch op te nemen in de teksten en voor eeuwen te bewaren. Heel anders dan om hen heen waar de dissidenten van Katholieke concilies uit de annalen werden geschreven.

Het is misschien wel waar dat ten tijde van de Renaissance de balans verschoof. Toen kwamen in de omringende wereld de vrijmoedige en kritische humanisten op, terwijl de rabbijnse traditie dreigde te verzanden binnen een steeds formalistischer keurslijf.

Maar de parrèsia, om niet te zeggen de brutaliteit, die Eli Wiesel beschrijft in zijn verhaal over de rabbijnen in een concentratiekamp die God een proces aandoen voor de ellende die hij laat passeren heeft oude papieren. Van vóór de Griekse democratie.

Zie ook Griek en Jood en Gezag

zaterdag 26 mei 2012

Windmolens


Windmolens zijn lelijk, ze verpesten ons landschap, vinden sommige tegenstanders van de molens. De Groningse hoogleraar Gert de Roo is het daar niet mee eens. “Het landschap verandert altijd. We zijn zijn ook gewend geraakt aan de elektrische draden die door het landschap lopen”.

Dat laatste is me nooit gelukt. Ik ben erg gevoelig voor mooie landschappen en in mijn beleving doet iedere elektriciteitsmast en iedere hoogspanningskabel daarop een aanslag. Maar bij windmolens lijkt het wennen me opmerkelijk genoeg wel te gaan lukken.

Dus dat is voor mij anders dan voor een aantal andere mensen. Van verschillende kanten hoor je allerlei bezwaren als het gaat over windmolens. In Australië bijvoorbeeld is men bezorgd over aantasting van de gezondheid door windmolens. Je zou er onder andere hoofdpijn, evenwichtstoornissen en concentratieproblemen van krijgen (de Waubraziekte), ook als de molens op grote afstand staan.

Voor zover er in Nederland klachten zijn gaan die vooral over de aantasting van het landschap, horizonvervuiling en teloorgang van de leefomgeving.

Is het te verklaren dat ik, ondanks mijn liefde voor landschappen, met windmolens geen probleem heb? Het kan te maken hebben met de aanblik ervan: de molens zijn altijd rank en gestroomlijnd van vorm, heel anders dan elektriciteitsmasten. Maar voor mijn gevoel is nog belangrijker dat ik me wel veilig voel bij de aanblik van een molen: ze zijn schoon, toekomstbestendig en energiek, ze stellen me gerust.

Ik geloof wel dat wonen in de directe nabijheid van een windmolen stress oplevert, door het constante geluid en de slagschaduwen. Is het daarom niet een idee om voor de vele molens die we nog bij willen bouwen te kijken naar de overmaat aan bedrijfsterreinen die de laatste tien jaar zijn aangelegd en niet gevuld worden? Over het algemeen wonen daar geen mensen vlakbij.

Zie ook Lucht en Daadkracht

donderdag 17 mei 2012

Eigenzinnig


Het blijft me verbazen hoe eigenzinnig de positie was die de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas innam temidden van de intellectuele modes van zijn tijd. Je kunt, met Ger Groot, zeggen dat in de eeuw van Levinas, de twintigste eeuw, het Franse denken beheerst werd door twee stromingen: structuralisme en existentialisme. Ten aanzien van beide stromingen hield hij afstand.

De belangrijkste stelling van het structuralisme, zoals verwoord door zijn belangrijkste vertegenwoordiger Claude Lévi-Strauss (zie foto), is de gedachte dat de wereld om ons heen gevuld is met netwerken. Bij netwerken kun je denken aan taal, of aan muziek of aan de natuur, stuk voor stuk verbanden van bij elkaar horende elementen zoals woorden, noten, of planten en dieren. Met voor Lévi-Strauss als belangrijkste kenmerk dat de betekenis ervan voor de mens niet gelegen is in de individuele elementen (de woorden, noten of planten), maar in de relaties die die elementen met elkaar hebben. De betekenis ligt dus in het netwerk.

Waar deze gedachte toegepast wordt op de menselijke samenleving vloeit daaruit voort dat mensen individueel minder van betekenis zijn dan de relaties die zij met elkaar hebben als leden van een netwerk: van een stam of een familie of een dorp. De omgeving van de mens bepaalt wat hij kan zijn.

Het existentialisme vertrekt vanuit een tegenovergesteld uitgangspunt. Daar is de gedachte dat de individuele mens ten diepste vrij is en geheel los van allerlei, als oppervlakkig beschouwde, banden van geboorte of stand zijn eigen leven moet ontwerpen. Het existentialisme is vooral uitgedragen door Sartre. Diens nadruk op de noodzaak voor iedere mens om zijn eigen bestemming te bepalen formuleert Ger Groot als volgt: “niets dat van buiten kwam mocht hem in die authenticiteit hinderen”.

Het is mogelijk om de posities van Lévi-Strauss, Sartre en Levinas uit te drukken met behulp van het begrippenpaar heteronomie en autonomie.

Als heteronomie staat voor de gedachte dat wie of wat een mens is voor een groot deel wordt bepaald door krachten die van buiten de individuele mens komen, dan neemt Lévi-Strauss een heteronome positie in. Immers, de mens is in zijn visie primair geconditioneerd door het netwerk waarin hij functioneert.

Als autonomie de gedachte aanduidt dat het de mens gegeven is om zijn eigen leven geheel vanuit zichzelf vorm te geven – of dat hij daartoe gedoemd is – dan zal duidelijk zijn dat Sartre een autonome positie inneemt.

Levinas is minder eenduidig aan een van beide polen te koppelen, maar het begrippenpaar autonomie/heteronomie laat zich wel gebruiken om Levinas’ positie te bepalen. Enerzijds breekt hij een lans voor autonomie van het individu: dat moet zich losmaken van knellende of diffuse verbanden en naar individueel bewustzijn groeien. Maar Levinas vindt het prachtig als juist dat geëmancipeerde autonome individu zich laat raken door andere mensen en zich door hun nood – van buitenaf – laat gezeggen. Toch weer heteronomie dus, maar dan anders.

Zie ook Il-y-a en Iets kleins

donderdag 10 mei 2012

Ongeneeslijk religieus


Onlangs is mijn schoonvader overleden. Een rechtvaardige man die mij dierbaar was en aan wie ik het gegund had dat hij meer uit de verf had kunnen komen dan zijn achtergrond en tijdsgewricht hem toestonden. De begrafenis was een indrukwekkend gebeuren, mede door de grote opkomst die weer direct samenhing met de omvang van het Protestantse boerengezin waar de overledene uit stamde.

Wat nog dagen na de begrafenis bij me bleef hangen was de indruk van diepe religiositeit die mijn schoonfamilie aankleeft. Er werd in de kerk uit volle borst meegezongen, ik dacht eerst dat er een kerkkoor ingehuurd was. En de een na de ander had het wel over een lied of een psalm of een woord waardoor zij of hij was geraakt. En ook mijn schoonvader deed daar nog volop aan mee. Een aantal van de gebruikte teksten had hij zelf al verzameld voor deze gelegenheid.

Die diepe religiositeit herkende ik, namelijk vanuit mijn eigen familie. Zowel aan mijn vaders kant als aan mijn moeders kant nam het geloof een grote plaats in, maar dan de Katholieke variant ervan. Vroomheid was een dagelijks ingrediënt in de vorm van kerkgang (ook door de week) en maaltijd- en avondgebeden. Wat uit Rome kwam woog zwaar en diverse ooms en tantes hadden zich door intreding in een kloosterorde geheel aan God en kerk gewijd.

Ongeneeslijke religiositeit, dat hebben mijn vrouw en ik, vanuit onze respectievelijke familieachtergronden, in elkaar herkend. Over alle verschillen van sociaal-culturele aard heen, en die verschillen waren (en zijn soms nog) groot.

Die ongeneeslijkheid heeft er voor gezorgd dat we religieus bleven, ook toen we met de Jezus-verering niet meer uit de voeten konden. Wij konden niet, zoals veel anderen, om die reden dan maar alle geloof uit ons leven bannen. We wilden gewoon van de dogmatische ballast af en terugschakelen naar een meer oorspronkelijke geloofskern. Zo kwamen we uit bij de Joodse traditie.

De rabbijn die wij benaderden met onze wens tot aansluiting bij de Joodse traditie was niet direct overtuigd. Hij wees naar ons en zei: jíj bent protestant, jíj bent katholiek, en nu hebben jullie zeker het compromis gevonden. Gelukkig waren we zelf wel overtuigd.

Zie ook Ongerijmd

donderdag 3 mei 2012

4 Mei 2012


Auke Siebe Dirk de Leeuw schreef een gedicht waarin onder andere zijn oudoom Dirk Siebe herdacht wordt. Het gedicht was bedoeld voor 4 mei, ook al had Dirk Siebe in de oorlog voor de SS gevochten, anders dan vier van zijn broers en zussen die voor het verzet hadden gekozen.

Maar het CIDI, het Auschwitz-Comité en uiteindelijk het Nationaal Comité 4 en 5 mei maakten bezwaar tegen het gedicht. Herdenking van een dader zou te kwetsend zijn voor de nog levende slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog voor wie de herdenking primair bedoeld is.

Even dacht ik: waarom staan we dit gedicht nu niet toe? In eerste instantie kon ik me wel vinden in de suggestie van het Trouw-commentaar dat dit gedicht uit het oogpunt van ‘leren van de oorlog’ zeer adekwaat is. Het gaat over persoonlijke dilemma’s en keuzes, het is niet zo vaag als veel herdenkingsteksten maar heel concreet, het komt dichtbij. En de werkelijkheid was toch vol grijstinten?

Maar, besefte ik daarna, dat hing er maar vanaf. Voor veel slachtoffers was er niets grijs aan, was de werkelijkheid letterlijk zwart wit. Zoals overlevende Hans Zilversmit het verwoordt: “Nuances werken bij mij als een rode lap. In die dagen als je vervolgd werd waren er geen grijze tinten…alles was verdomd zwart/wit. Het was destijds leven of dood…niks grijs!!”

Zo herleerde ik wat ik Harry Mulisch al eens eerder had horen zeggen: de Tweede Wereldoorlog leeft voort voor mensen die hem bewust hebben meegemaakt. Voor hen is de herdenking primair bedoeld en als de herinnering inktzwart is moet de herdenking dat ook zijn.

Het is waar dat voor leren in het algemeen nuanceringen en grijstinten van groot belang zijn. Want met behulp daarvan kun je leren begrijpen hoeveel toevalligheid en willekeur er komt kijken bij beslissingen die mensen nemen en bij gebeurtenissen die ons overkomen. Daarom is het goed om ons door het jaar heen met die grijstinten bezig te houden. Maar daarna moeten we kennelijk weer herleren dat er ook zoiets is als pikzwart. Daar is die ene dag voor.

Zie ook De Dam 2011

woensdag 25 april 2012

Dubbel tragisch


Job Cohen is een paar maanden te vroeg vertrokken. Want in de politieke situatie van nu, na de mislukking van de Catshuisgesprekken, had ik hem graag als politiek leider van de PvdA gezien. De kans op een constructieve uitkomst van het te verwachten politieke gekrakeel in het komende half jaar had ik met hem erbij redelijk groot ingeschat. En dat is nu maar afwachten. 

Daarmee krijgt het vertrek van Cohen iets dubbel tragisch. Het is waar dat hij niet uit het goede hout gesneden was voor de permanente media-oorlog die oppositieleiders kennelijk moeten voeren. Hij was te secundair, te netjes, te constructief. Zijn persoonlijkheid verdroeg zich niet met zijn rol. Tragisch genoeg, zeker voor de man zelf.

Maar het is niet ondenkbaar dat de tragedie zich nog eens gaat herhalen, die van een PvdA-leider die door zijn hoogst persoonlijke eigenschappen de verkeerde man is op het verkeerde politieke moment.

De nieuwe leider, Diederik Samson, heeft alles wat Cohen niet had: assertiviteit, profileringsdrang, snelheid, brutaliteit. Maar het zou best kunnen dat die eigenschappen nu alleen maar de kakafonie versterken en de (nu nog) grote PvdA-fractie laten verworden tot een van de onmachtig kakelende kippen in het kippenhok. Dat zou dubbel tragisch zijn, voor de PvdA, en voor de rest van Nederland.

vrijdag 20 april 2012

Schuiven


Zie ik dat nu verkeerd of is het inderdaad zo dat de posities die weldenkende mensen innemen ten aanzien van het Israëlisch-Palestijnse conflict aan het schuiven zijn of vloeiender worden? Dat wil zeggen, van de mensen die ik tot nu toe als weldenkend en verhelderend heb beschouwd.

Als exponent van deze groep beschouw ik Dow Marmur, emeritus rabbijn uit Toronto, onderhoudend columnist en voor een deel van het jaar woonachtig in Jeruzalem.

Sceptisch over de kansen tot vrede in het Midden-Oosten is hij altijd geweest. Maar tot een half jaar geleden was de belangrijkste teneur in zijn columns een stug volgehouden overtuiging dat een terugtrekking van Israël uit de bezette gebieden en de vestiging van een Palestijnse staat op de Westbank en Gaza onvermijdelijk deel uit zouden moeten maken van een oplossing, en een beetje snel ook.

Nu de onderhandelingen geheel zijn vastgelopen of zelfs compleet gestopt zijn, weet hij het niet meer zo precies. “It’s never quite clear how it’s to be done, but moderates call for more intensive negotiations that would lead to the establishment of a sovereign Palestinian state living in peace with Israel, albeit probably as cold a peace as with Israel’s other neigbors. Others who claim to be realists say that as long as Hamas and its allies are on the scene, with Iran as paymaster, a Palestinian state would be Hamastan and make things infinitely worse. Both sides have powerful arguments and I’m among those who find it increasingly difficult to hold consistent opinions on the subject”.           

In zijn recente columns lijkt zich een soort berusting van hem meester te maken, hij schikt zich in de status quo. Alsof er door de stagnatie en door facts on the ground een soort onomkeerbaarheid is ontstaan. “But as things are at present, the status quo is sufficiently tolerable for both sides to leave things alone: despite the Iranian threat, Hamas rockets, Palestinian acts of terror, the very problematic Arab Spring, Israeli occupation, Jewish settlement expansion and settler violence, and countless other potential and real danger points”.

Laatst deed hij verslag van een uitstapje met de nieuwe Jeruzalemse lightrail die directe en relatief snelle verbindingen verzorgt tussen de Arabische en Joodse wijken van de stad. Door de effectiviteit van deze verbindingen is de Israëlische regering op het idee gekomen om er een railnetwerk in de Westbank aan vast te knopen. “Whatever the explanations, the real reason is obvious: it’ll bring the occupied territories closer to the rest of Israel and make the ‘two-state solution’ even less realistic than it already seems to be”.         

Vervolgens vraagt hij zich af wat de toekomst ons zal brengen. “Probably more of what we’ve lived with since the Six Day War. If neither side is prepared to accept a divided Jerusalem, the side with more clout will carry the day. Israel’s determined effort to reduce geographic divisions through urban transportation is yet another sign of its upper hand. Though there’re cogent reasons to be unhappy about the situation, we may have to concede that the alternative would be much worse for all concerned, including the Arab residents”.

Het kan allemaal waar zijn. Maar iets in mij verzet zich tegen een te gemakkelijk mee gaan met de loop die de geschiedenis en de gebeurtenissen nu eenmaal hebben. Iets zegt mij dat de volkenrechtelijke verdeling van het grondgebied zoals vastgesteld door de VN uitgangspunt moet blijven, wil niet louter het recht van de sterkste bepalend worden.

Zie ook Palestijnse staat en Dezelfde mensen?


vrijdag 13 april 2012

Gewaagd


Managementgoeroe Gary Hamel doet in de (papieren) www.managementboek.nl van april een paar interessante uitspraken. Hij vraagt zicht bijvoorbeeld af waarom de organisatiekunde er maar niet in slaagt om een volwaardige wetenschap te worden. De managementliteratuur noemt hij “over het algemeen zwak”, en hij is niet de enige die er zo over denkt. 

Hamel geeft ook een verklaring voor dat gebrek aan wetenschappelijke ontwikkeling van de organisatiekunde. Waarlijk wetenschappelijk denken is volgens hem namelijk alleen maar mogelijk als je gefascineerd bent door een probleem dat oprecht de moeite waard is. Het uitwerken van een tegendraads concept gaat gepaard met een grote mate van persoonlijk risico, en de meeste onderzoekers zijn daar alleen maar toe bereid als ze bezig zijn met vraagstukken die echt van belang zijn. Welnu, zo’n gewaagd probleem is in de managementwetenschappen nog niet gevonden.

In andere wetenschappelijke disciplines is een dergelijke motivatie allang gemeengoed, zegt Hamel. De grootste menselijke prestaties zijn stuk voor stuk resultaat van een enorme toewijding aan gewaagde problemen. Daarbij denkt hij bijvoorbeeld aan de zoektocht naar een geneesmiddel voor aids of de ontcijfering van het menselijk genoom. In deze ploeteropvatting van wetenschap wordt hij bevestigd door de nieuwe voorzitter van de KNAW Hans Clevers: “Je zwoegt zonder dat je weet of het iets oplevert. En dan springt er ineens een raam wijd open”. In het verlengde van die gedachte vraagt Hamel zich af: wat is de maanmissie voor managementdenkers?

Ik ben het gedeeltelijk eens met deze gedachtegang. Ik denk ook dat zo’n obsederend thema nodig is, maar ik denk niet dat het ontbreekt. Naar mijn idee is zo’n ‘gewaagd probleem’ in organisaties al lang gevonden, maar misschien is het wel iets té gewaagd. Waar ik op doel is het verschijnsel van schaamte en verlegenheid. Dat verschijnsel speelt volgens mij een grote, maar nauwelijks onderzochte of besproken rol in onze interactie, terwijl het levensgroot aanwezig is, ook in organisaties.

En misschien is de rol van dat verschijnsel, maar ook het gewaagde karakter ervan, wel extra groot, juist omdat het onbesproken is. Het kan daardoor gaan woekeren en zorgen voor stagnatie die vervolgens onbegrepen blijft. Zoals Brené Brown zegt in haar tedtalk: als we stagnatie willen doorbreken, als we werkelijk creatief en innovatief willen zijn, zullen we moeten praten over schaamte.

Gewaagd is het zeker, onder meer om de volgende twee redenen. Allereerst zou het niet wetenschappelijk zijn om het over emoties en gevoelens te hebben. Om voor wetenschappelijk door te gaan volgens de gangbare codes moet je je, aldus hoogleraar wiskunde Ronald Meester, onthouden van woorden als emotie, zin, ethiek en dus ook schaamte. Hij verzet zich daartegen maar de codes zijn taai.

Daarnaast kan alleen al het ter sprake brengen van schaamte en verlegenheid schaamte en verlegenheid teweeg brengen. En dat is eng.

Maar als Hamel gelijk heeft in de gedachte dat je voor wetenschap gewaagde problemen nodig hebt, dan ligt juist in dit onderwerp misschien een mooi perspectief. De wijze waarop dit thema angstvallig ontweken wordt in organisaties zou precies de wetenschappelijke prikkeling kunnen wekken die een onderzoeker nodig heeft. Gewaagd kun je dit probleem beslist noemen, gewaagder dan veel problemen van natuurwetenschappers die zich kunnen terugtrekken in hun laboratoria.

Het bedoelde probleem is als volgt te formuleren: hoe combineer je de voor het management noodzakelijke menselijke eigenschappen van profilering en planmatig denken met de onvermijdelijkheid van tekortkomingen, schaamte en verlegenheid? En die vraag heeft weer veel weg van een centrale vraag die Hamel formuleert: hoe maak je organisaties net zo menselijk als de mensen die er werken? Me dunkt, dit lijkt me gewaagd en fascinerend ineen, een maanmissie waardig. Daar moet wetenschap van te maken zijn. 

Ik ga binnenkort een poging wagen, in de DeLimes workshop van 11 mei aanstaande. Daarin breid ik het thema ‘Schaamte en verandering’ uit tot ‘Schaamte en organisatie’. Mede aan de hand van het boek De Prooi. Blinde trots breekt ABN Amro van Jeroen Smit verken ik daar de Griekse en Joodse wortels van ons denken over trots, eer en schaamte en de doorwerking daarvan in onze organisatieculturen. Inschrijven kan ongetwijfeld tot 1 mei.

Zie ook Jaap GoudsmitCommunicatie is een waagstuk en Iets kleins

donderdag 5 april 2012

Stereotypen


Soms ben ik er niet gerust op. Doet de (voormalig Christelijke) samenleving nu alle Christendom de deur uit, behalve de negatieve stereotypen die daarbij horen? Ik doel op het nieuwe verschijnsel van massale opvoeringen van het passieverhaal over het lijden en sterven van Jezus. De aankondiging vertelt ons dat de opvoering van The Passion dit jaar vanuit Rotterdam zal worden uitgezonden op Nederland 1 en grootser zal zijn dan vorig jaar. Toen keken er bij de uitvoering in Gouda bijna een miljoen mensen, maar door de inzet van nieuwe acteurs en artiesten en bekende (pop)nummers zal de uitzending van deze week veel spectaculairder zijn en nog meer kijkers moeten trekken.

Het is niet ondenkbaar dat door dit soort voorstellingen voor een groot publiek nieuw leven wordt geblazen in oude vooroordelen over Joden. Jezus’ boodschap was misschien wel vaag en een beetje vreemd, maar hij was toch de onschuld in persoon. En het was toch maar mooi de botheid van het Joodse volk waardoor hij uiteindelijk de dood vond.

Voor een grotendeels ontkerkelijkt publiek, dat blijkens peilingen nog nauwelijks weet waar het Christelijke paasfeest voor staat, wordt zo de vage notie in stand gehouden dat er met het Joodse volk iets niet in de haak is. Want vroeger gedroegen ze zich ook al niet zoals het hoort.

Het blijft iets ongemakkelijks houden om in de grote verhalen van anderen te figureren als de bad guy. Ook al zegt Jezus-vertolker Danny de Munk grootmoedig: “Het mooist vind ik de passage waarin Jezus bidt: ‘Vergeef het ze, het zijn maar mensen’. Dat hij zijn bloed heeft laten vloeien om ons te redden, zeg maar. Jezus was echt een prachtig persoon”.

Die anderen wat minder.

Zie ook Aaibaar leed