vrijdag 17 juli 2015

Klopt de wereld?


In een krantenartikel met gesprekjes met diverse vluchtelingen kwam onlangs de Iraniër Pouya Zarchin aan het woord. Hij vluchtte in 2011 van Iran naar Nederland met een vals Spaans paspoort en hij vertelt hoe bang hij was. “Als ik gestraft en teruggestuurd zou worden, wachtte in Iran gevangenisstraf. Of erger. Nederlanders kunnen die angst niet begrijpen.”

Een ander, maar toch verwant verhaal was dat van Wanda Reisel, naar aanleiding van de vervolging waaronder haar familie tijdens de Tweede Wereldoorlog te lijden had. Zij ziet zichzelf daardoor een dubbelleven leiden. “Mijn fantasieleven is net zo belangrijk als, nee misschien wel belangrijker dan het echte leven. In mijn hoofd is alles op orde, veilig, maar de buitenwereld is bedreigend en onbetrouwbaar: voor je het weet word je verraden, opgepakt en afgevoerd. Omdat je hebt laten zien wie je bent”.

Wat uit beide citaten opklinkt is een opvatting van de wereld als bedreigend, chaotisch, onbetrouwbaar. De angstaanjagendheid ervan is hooguit te overkomen door een sterk innerlijk leven daartegenover te zetten. Van een objectief bestaande, kloppende ordening van de wereld, waar wij deel aan zouden hebben, is in het levensgevoel van de citaten in ieder geval geen sprake.

Nee, dan is het levensgevoel dat de filosoof Ger Groot onlangs verwoordde wel geheel andere koek. Bij hem is er sprake van orde, deep down klopt het allemaal. “We zijn er, ondanks de schijn van het tegendeel, diep in ons hart van overtuigd dat de wereld klopt, dat ons bestaan harmonisch is, dat geluk de grondstof van de werkelijkheid vormt.”

Groot staat in die wereldbeleving niet alleen, hij is daarmee een exponent van wat je gerust het ‘Westerse orde-denken’ kunt noemen. Het sterkst komt dat orde-denken tot uitdrukking in de Christelijke wereldvisie. De clue daarvan is de gedachte dat, hoe verdorven het hier op aarde ook toe kan gaan, de wereld in feite al verlost is, en dat de resultaten van die verlossing ons ter beschikking staan in de vorm van sacramenten en ander geobjectiveerd heil.

Nu is dat laatste niet zo besteed aan Ger Groot, want hij is atheïst. Maar de onderliggende grondstemming is wel degelijk ook de zijne: ten diepste is er ordening in de wereld, de wereld klopt. En dat je daar niet per se Christelijk voor hoeft te zijn, kan blijken uit de wereldvisie van zelfs de meest sceptische Griekse denkstroming, de Stoa. De filosofie van de Stoa is gebaseerd op het idee dat alles in de natuur op noodzakelijke wijze verloopt. Daar kun je niets tegen doen, maar met je rede kun je alles een plaats geven en negatieve emoties onschadelijk maken. Door je op die manier in te voegen in de heersende orde word je alsnog gelukkig.

Als het zo is dat beide stromingen, het Christendom en de Stoa, teruggaan op het Griekse denken, geeft dat aan hoezeer het idee van een kloppende wereld een Grieks idee is. Eén van de krachtigste recente verwoordingen van dit orde-denken – met opnieuw een beroep op Griekenland – is afkomstig van Heidegger. Hij ontleent daaraan, met al zijn pessimisme over de technocratische koers van de Westerse beschaving, een diep vertrouwen en een intense vreugde. Maar hij hield die altijd half verborgen, wat reden was voor Cornelis Verhoeven om eens naar Heidegger te verwijzen als ‘die smiecht’.

Hoe anders klinkt dan bijvoorbeeld weer de Israëlische schrijver David Grossman, in een recent interview voor Ikon-huis. “Wij Joden zijn op zoek naar een andere manier van zijn in deze wereld. Zonder dat je gedefinieerd wordt door angsten en door oorlogen, zonder vijand. Om te gaan vertrouwen op ons Zijn. Eén van de simpelste definities van ‘Jood’ door de eeuwen heen is: iemand die zich, collectief of individueel, nooit thuis voelde in de wereld.”

Je kunt die laatste gemoedstoestand verklaren doordat Joden eeuwenlang in de diaspora hebben moeten leven, in voortdurende afhankelijkheid van de grillen van anderen. Dus vanuit een soort opgehoopte post-traumatische stressstoornis.

Maar het zou ook zo kunnen zijn dat twijfel over een rechtvaardige wereldorde al veel eerder werd verwoord in de Joodse cultuur. Dat zou dan al eeuwen vóór het begin van de jaartelling zijn weg gevonden hebben naar Bijbelse geschriften, zoals bijvoorbeeld het boek Job.

Welke verklaring je ook kiest, beide verwikkelingen kunnen ons helpen om iets beter te begrijpen waarom in de loop van de geschiedenis Joden voor Christenen en andere ‘Griekse’ denkers een bedreiging vormden: zij plaatsten vraagtekens bij het Griekse en Christelijke basisgevoel ‘dat de wereld klopt’. Van die confrontatie kun je heel chagrijnig worden.

Zie ook Orde, Levinas en Camus en Plato ontzenuwd?

donderdag 2 juli 2015

Griekenland en democratie


Het zou best kunnen: dat Griekenland gewoon niet bij de Europese Unie hoort.

Natuurlijk hoort het daar wel bij doordat het in Europa ligt en zelfs de bakermat is van de Europese beschaving. En doordat we het de Grieken gunnen om te delen in onze welvaart.

Maar het is een serieuze vraag of dat alles reden genoeg is voor lidmaatschap. Het zou heel goed kunnen dat minimale niveaus van staatsinrichting, belastingheffing en corruptiebestrijding ononderhandelbare minimale vereisten zijn waaraan in ieder geval voldaan moet zijn. En dan zakt Griekenland voor de test.

De reden dat Ierland, Spanje en Portugal de weg omhoog uit de economische crisis beter hebben kunnen vinden is waarschijnlijk daarin gelegen dat zij aan die minimale voorwaarden beter voldoen. Omdat die elementen al langer in hun cultuur en mentaliteit te vinden waren.

Zolang aan die – in feite technocratische – voorwaarden niet is voldaan, kan ook een democratisch bestel niet goed functioneren. Althans, het kan meer kapotmaken dan je lief is. De democratische verkiezing van Tsipras en vervolgens het optreden van zijn regering zouden weleens heel slecht uit kunnen pakken.

Het functioneren van de huidige Griekse democratie (“honderdduizend ambtenaren erbij!”) bevestigt daarmee de afkeer die bijna alle oud-Griekse denkers, inclusief Plato en Aristoteles, hadden van de democratische staatsvorm. Zij betichtten die ervan dat ze te wispelturig is, te zeer geneigd de waan van de dag te volgen – met het gevaar dat emoties de overhand krijgen boven doordachte besluitvorming en dat men veel te weinig let op de lange termijn.

De grote antieke Griekse denkers waren nog niet op de hoogte van de bovengenoemde randvoorwaarden. Zij wisten niet dat vervulling daarvan een democratie heel wel mogelijk en levensvatbaar maakt. Ik ben bang dat de huidige Grieken dat ook nog niet weten.

Zie ook Er is over nagedacht en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 26 juni 2015

Bij het vertrek van een hoofdredacteur


Zo vaak hecht ik me niet aan een hoofdredacteur, maar met Maurice Swirc van het Nieuw Israëlitisch Weekblad is dat anders.

Ik vond zijn hoofdredactionele commentaren – hoe kort ook – steevast de moeite waard. Hij behandelde daarin een enorme verscheidenheid aan onderwerpen, bekeek die met ruime, erudiete blik, en dat in een prettige stijl. Controversiële kwesties ging hij niet uit de weg, en hij durfde daarin positie te kiezen.

Over van alles is het gegaan. Bijvoorbeeld over de verhouding tussen Israël en de diaspora, en de Israëlische neiging om kritische diaspora-geluiden te diskwalificeren als verwend geklaag. Swirc maakte duidelijk dat de diaspora een relevante factor is voor de toekomst van de Joodse staat.

Hij maakte uitstapjes naar de Amsterdamse achterstandswijk Overtoomse Veld. Dat hoeft een hoofdredacteur van het NIW helemaal niet te doen, maar hij vond het relevant en constateerde uiteraard de omvang van het antisemitisme dat daar de gewoonste zaak van de wereld is. Hij refereert aan de angst die dat teweeg kan brengen bij Nederlandse Joden. Maar het doet hem niet de ogen sluiten voor de geïsoleerde positie van veel van die achterstandskinderen. Swirc is onder de indruk als blijkt dat geen van die kinderen ooit aan de centrumkant van de ringweg is geweest.

Na de aanslagen van januari in Parijs was er discussie over de vraag of we goede Joodse vertegenwoordigers hebben die kunnen aanschuiven bij actualiteitenprogramma’s en talkshows. Wat moeten ze doen om het goed te doen? Swirc suggereerde dat zij Joods Nederland op waardige en intelligente wijze moesten vertegenwoordigen. Hij zei er direct bij dat dat zo’n beetje de meest onmogelijke opdracht op aarde is.

Toch was het precies dát wat ik zo in hem waardeerde en wat maakt dat ik zijn vertrek betreur. In ieder geval wens ik Maurice Swirc een goed vervolg van zijn carrière.

Zie ook Antizionisme en antisemitisme

vrijdag 19 juni 2015

Directeur ethiek


Naar aanleiding van de Veolia-affaire heeft de NS besloten een ‘directeur ethiek’ aan te stellen. Je moet er toch niet aan denken dat je die functie krijgt. De verzelfstandiging van ‘de ethiek’ kan immers heel goed bedoeld zijn om de andere directeuren weer vrij spel te geven, want formeel is de ethische kant dan veilig afgedekt. Je zult, als directeur ethiek, gedwongen zijn om de andere directeuren in hun ambities af te remmen, terwijl zij voor hun gevoel met het échte werk bezig zijn. Jij bent dan de, waarschijnlijk weinig gerespecteerde, spelbreker.

Ik vat deze maatregel op als een illustratie van onze neiging in het georganiseerde leven om verregaand op te delen wat eigenlijk niet opgedeeld kan worden. Het is maar de vraag of ethiek los verkrijgbaar is, omdat het eigenlijk in alles aanwezig moet zijn. Ín de mensen, ín wat je met elkaar doet, en niet als een aparte categorie.

Betekent die laatste opvatting dat ik uitkom bij de ‘deugdenethiek’? Dat is de ethiek die propageert dat mensen deugden – zoals matigheid, moed, rechtvaardigheid – in hun karakter verankeren. Directeuren en andere organisatiemedewerkers zouden dan geen externe bewakende instantie meer nodig hebben, omdat ze vanuit zichzelf deugdzaam handelen.

Voor deze deugdenethiek is zeker wat te zeggen, in ieder geval kun je er moeilijk tegen zijn. Maar ik ben er geen grote fan van, omdat er een zweem van moeizaamheid omheen hangt. Je moet voortdurend aan je karakter werken, je hele leven lang oefenen. Ook daar is iets voor te zeggen, maar iets meer ontspanning mag wel van mij.

Bovendien: hoe meet je deugden, zonder meteen in de valse categorieën terecht te komen waar de ‘directeur ethiek’ ook een exponent van is? Als je deugden operationeel wilt gaan inzetten is het gevaar groot dat je morele kwaliteiten opnieuw reduceert tot afgebakende eigenschappen en weer buiten je plaatst.

Leuker is het, en ontspannener, om goede verhoudingen gewoon aan te treffen, te vinden in de werkelijkheid. Probleem is: als dat goede geen van te voren afgebakende, vaststaande categorie wil zijn, dan moet het steeds ter plekke nieuw ontstaan in de situaties en configuraties die optreden, in de relaties die zich voordoen. Dus eigenlijk niet zozeer in de mensen en de dingen, maar tussen wat er gebeurt. Dat heeft iets verrassends en onplanbaars.

Maar dat móet het ook wel hebben, want scherpe afbakening van categorieën kan ons vaak niet meer overtuigen. Denk maar aan de ‘directeur ethiek’.

Zie ook Definiëren van de wereld

vrijdag 12 juni 2015

Plato ontzenuwd?


“Van een volmaakte wereld weten we niets. Plato, die er nog in geloofde, hebben we allang ontzenuwd.” Dat schreef Rob Schouten onlangs in Trouw. Schouten beschouwt die afwerping van Plato als een fase van volwassenwording, en ik ben dat met hem eens. Maar ik heb zo mijn twijfels over de achteloosheid en vanzelfsprekendheid waarmee hij die ontzenuwing als een voldongen feit poneert.

In de Joodse traditie is Plato inderdaad niet storend aanwezig, maar hij is dat daar waarschijnlijk ook nooit zo heel erg geweest. Het Jodendom heeft oude papieren als het gaat om een niet-platonische, meer realistische kijk op goed en kwaad in deze wereld, zonder overigens de hoop op een messiaanse tijd te verliezen. Het besef dat het aardse leven ten volle geleefd moet worden, en niet inferieur is ten opzichte van ons geestelijke bestaan, zit van meet af aan diep verankerd in het Jodendom.

Maar andere instituties, die ooit bolwerken waren van platonisch denken, zijn dat naar mijn idee nu nog evenzeer als vroeger. Ik denk aan zulke verschillende grootheden als de Katholieke kerk, de wereld van management en organisatie, en de filosofiebeoefening.

Binnen de kerk gold de superioriteit van het geestelijke boven het lichamelijke vanaf het begin zo sterk, dat het beeld van de volmaakte mens voor de kerk onlosmakelijk gekoppeld was aan seksuele onthouding. Zowel voor mannen als voor vrouwen betekende dit dat de staat van maagdelijkheid verheven was boven de huwelijkse staat. Natuurlijk werd het huwelijk niet verboden, want voortplanting was belangrijk, maar de platonische hiërarchie was duidelijk. Bij mijn weten is dat, anders dan Schouten suggereert, nog steeds de officiële lijn van de RK kerk.

In management en organisatie is steeds, vanaf de periode dat men daar systematisch ging nadenken over organisaties, sterk de nadruk gelegd op een scheiding tussen denken en doen, beleid en uitvoering, met prioriteit in de zeggenschap voor de denkers en beleidsmakers. Voor de grondleggers van de organisatiekunde, zoals Frederick Taylor en Henri Fayol, gold dat als vanzelfsprekend uitgangspunt voor het bereiken van de hoogste efficiency en effectiviteit. In wezen is deze voorrang van het denken over het doen een platonische reflex. En al wordt dat principe regelmatig aangevochten en uitgedaagd, het is zeer sterk verankerd in ons georganiseerde leven.

Wat de filosofie betreft: voor zover die graag ‘ivoren toren’-werk doet, is dat een platonische aangelegenheid. Het zou daar ‘dieper’ en ‘fundamenteler’ toegaan dan in andere wetenschappelijke disciplines, en daardoor een echtere werkelijkheid vertegenwoordigen. De bijbehorende opvattingen van filosofie als ‘een voortdurende geestelijke oefening, waarbij het denken zonder vooropgezet doel over tijdloze vragen nadenkt’ of als het ‘bedrijven van ken-theorie’ zijn nog steeds zeer gangbaar. Ook daar gaan stemmen op die pleiten voor minder platonisch-filosofisch isolement en voor het meer nadenken over concrete zaken. Maar die stemmen hebben het pleit bepaald niet gewonnen.

De ontzenuwing van Plato is dus nog geen gelopen race. Zoals gezegd, ik denk wel dat de Joodse traditie hierin een voortrekkersrol vervult, en dat al eeuwenlang. Dat levert niet altijd keurige ordening of systeembouw op, laat staan een volmaakte wereld. Maar van Plato’s levensvijandige schema’s heb je daar in ieder geval minder last.

Zie ook Saai, saai....Plato op het werk en Bijna

donderdag 4 juni 2015

Het weggeperfectioneerde leven


Minister Bussemaker heeft het goed begrepen: bij professionals zoals docenten aan hogescholen en universiteiten zijn werkplezier en mogelijkheden tot creativiteit van groot belang. “Ik ben geschrokken”,  zegt ze, “van verhalen van docenten die steeds meer tijd kwijt zijn aan bureaucratie; het leidt af van het lesgeven. Er zijn opleidingen die tachtig ordners aanleveren als bewijs dat zij doen wat ze moeten doen. Dat moet je niet willen.”

Toch kreeg ik een acuut gevoel van moeheid over me toen ik de eerste regels van het kranteartikel over dit onderwerp las. “Het toezicht op opleidingen in het hoger onderwijs is doorgeschoten. Sinds de diplomafraude bij Hogeschool Inholland is de verantwoordingsplicht dusdanig gegroeid dat die ten koste gaat van het verbeteren van het onderwijs. Minister Bussemaker gaat daarom de bureaucratie rond de opleidingskeuringen met de helft terugdringen.” Ik dacht: daar gaan we weer in de jojo, nu ongetwijfeld met indicatoren voor werkplezier en creativiteit, en over zes jaar na de volgende megafraude weer de andere kant op.

Dat gevoel van vermoeidheid zal ermee te maken hebben dat onze middelen tot controle, waar en hoe we die ook inzetten, zo waanzinnig perfect geworden zijn. Vroeger waren er ook standaarden en normen, maar daar glipte veel tussendoor. Ten goede en ten kwade, maar daar leefde je mee. De huidige middelen tot controle van elkaar – technisch, sociaal-psychologisch, bureaucratisch – zijn zo omvattend en vervolmaakt dat voor je gevoel soms alle leven uit ons bestaan wordt geperst.

Op een of andere manier dringt zich hier een vergelijking op met een ontwikkeling in de schilderkunst. Dat gevoel van levendodende perfectie krijg ik namelijk ook bij het bekijken van laat-negentiende eeuwse realistische schilderkunst. De beheersing van schildertechnieken was dusdanig dat de plaatjes meer dan fotografisch echt lijken (zie bijgaand schilderij uit 1889 van Eugène Buland). Dat is een vorm van perfectie, maar van een andere soort dan bijvoorbeeld Rembrandts perfectie. Rembrandt betrapt het leven en raakt iets wezenlijks. Uit de bedoelde realistische schilderkunst daarentegen is het leven weggeperfectioneerd, waardoor er iets onwezenlijks ontstaat.

Precies dat gevoel van onwezenlijkheid krijg ik soms bij onze bureaucratieën, mede als gevolg van onze volmaakte beheersingstechnieken. Valt daar nog te leven?

Nu ben ik de laatste om te ontkennen dan onze beheersingstechnieken ons veel goeds gebracht hebben, zoals een veilig land en een functionerende samenleving. En de jojo-beweging van meer naar minder controle en weer terug heeft ook zijn eigen logica, daar is misschien niets mis mee.

Maar tóch, er is dat gevoel van vermoeidheid. Als veel van de betrokken docenten dat gevoel ook kennen, dan is er wél iets mis. Dan voelen zij zich waarschijnlijk als pionnen waarmee op een beheersende manier geschoven wordt. Of als parameters in een systeem dat vooral bestaat uit indicatoren en stuurvariabelen. Of ze nu wel of niet hun eigen professionaliteit moeten/mogen inzetten, wel of niet bergen papier moeten invullen, alles wordt teruggebracht tot knoppen in een systeem, waar woorden als ‘eigenheid’, ‘reflectie’, ja zelfs ‘leven’ een moeizaam, zo niet verboden bestaan leiden.

Dit los je niet meer op door om de zes jaar te schuiven van meer naar minder bureaucratie en weer terug. Dit vraagt om een fundamenteel nieuw inzicht. Namelijk het inzicht dat een ander mens misschien wel eens écht anders, en totaal anders kan zijn, op een manier die jij niet kunt verzinnen en de minister ook niet. Daar worden woorden als ‘beheersen’ en ‘controleren’ ineens betekenisloos.

Probleem: een dergelijk inzicht druist wel zeer in tegen de tweeënhalfduizend jaar van Grieks-Westers autonomie-denken, waarin een mens geacht wordt alles te kunnen verzinnen en vanuit zichzelf te doorgronden. We zijn gedrenkt in dat denken, onze verantwoordingssystemen zijn erop gebaseerd. Het voelt als onverantwoord om daar een gaatje in te prikken.

Zie ook Meetbaarheid en Is veranderen uit?

vrijdag 29 mei 2015

Het draagbare vaderland


De Esten maken zich zorgen. Zij voelen zich kwetsbaar omdat hun grote buur Rusland, die hen in het verleden regelmatig onder de voet liep, opnieuw agressief lijkt te worden. Wat er in Oekraïne gebeurt jaagt de Esten angst aan, evenals de taal die Rusland de laatste tijd uitslaat.

“Vanwege die gek in Moskou werken we aan een concept om als land te kunnen voortbestaan, zelfs als we even geen eigen territorium meer hebben”, zo werd Taavi Kotka, de Chief Information Officer van de Estse overheid, in NRC geciteerd. “We maken niet alleen een digitale back-up, maar ook een mirror, een versie die altijd oproepbaar blijft”. De inhoud omvat alle gegevens van burgers, communicatie- en overheidssystemen.

De Esten zijn digitaal al langere tijd goed georganiseerd. Na het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1991 ging Estland direct met digitalisering aan de slag. Dat was in een relatief arm en dunbevolkt land simpelweg de meest effectieve manier om kosten te besparen, en om diensten aan te bieden die anders niet geleverd konden worden.

Maar, wat begon als kostenbesparingsoperatie heeft inmiddels ook andere voordelen gekregen. Zoals de tijdsbesparing door burgers doordat ze alle overheidsformulieren digitaal kunnen invullen en hun medische geschiedenis niet steeds hoeven te herhalen. Verder leidt het, via export van digitale kennis en producten, tot economisch succes. En nu komt daar dus dit voordeel bij: de garantie op een nationaal voortbestaan in een situatie zonder eigen territorium.

Waar doet me dit aan denken? Inderdaad, aan de codificatie van de Joodse traditie in Bijbel, Misjna en Talmoed, met daarin voorschriften en afspraken omtrent liturgie, maar ook omtrent zaken van juridische en bestuurlijke aard. Die geschriften hebben de Joden in de diaspora eeuwenlang zoveel structuur en samenhang gegeven dat zij, naar de formulering van Heinrich Heine, wel aangeduid werden als het ‘draagbare Joodse vaderland’. Zij zorgden ervoor dat, hoezeer de Joden ook verspreid waren over de aardbol, een gedeelde Joodse identiteit kon voortbestaan.

Wat de CIO van Estland voor ogen heeft is dus al een keer geprobeerd, en het blijkt te kunnen, tot op bepaalde hoogte. Zeker als het zou gaan over de situatie dat er “even geen territorium” is. Alleen, hoe weet je dat het geen tweeduizend jaar gaat duren?

Behalve dat het kan, is van de Joodse diaspora nog iets anders te leren. Namelijk dat de ballingschap nooit het diepe verlangen heeft kunnen wegnemen naar een tastbare staat op een tastbaar grondgebied. Daarom gun ik ieder volk, hoe gedigitaliseerd of gemarginaliseerd ook, een eigen, veilig, analoog territorium.

Zie ook Right and wrong en De gelaagdheid van Ari Shavit

donderdag 21 mei 2015

Bevrijding van fundamentalisme


Op Bevrijdingsdag is het moralisme nooit ver weg: beseffen we wel hoe groot het voorrecht is om vrij te zijn? Het gedenken van de ellende van bezetting en oorlog helpt ons dan om ons besef van vrijheid te versterken.

Gek genoeg lijkt er van een andere bevrijding, die op haar eigen manier niet minder ingrijpend was, slechts een matig en verward besef te zijn. Ik doel op de collectieve bevrijding uit collectief dogmatisch gedachtegoed.

Het is misschien niet goed voorstelbaar meer, maar rond 1950 geloofde het grootste deel van de Nederlandse bevolking dat er een hel was, en dat een slecht leven of voorbestemming je daar kon brengen en dat ongedoopte kinderen daar zonder twijfel terecht zouden komen. En dat verlossing van die dreiging via Jezus kon verlopen.

Bevrijd te zijn van dergelijke bedrukkende dogmatiek lijkt me een heuglijk gebeuren. Sommigen herinneren zich die bevrijding dan ook als baanbrekend, en kunnen daar een tijdstip aan koppelen. Zo bijvoorbeeld de onlangs overleden filosoof en voormalig priester Samuel IJsseling, die de omslag localiseert in het jaar 1968. “Over alles kon plotseling gediscussieerd worden”, zegt hij in een interview met Ger Groot, “dat was daarvóór bijna ondenkbaar. Het was een feest, hoor”.

Als er een dag was aan te wijzen waarop deze bevrijding zich heeft voltrokken zou dat een jaarlijkse viering meer dan waard zijn. Maar zo’n dag is er natuurlijk niet, dergelijke bevrijdingen voltrekken zich schimmiger en geleidelijker dan een fysieke bevrijding. Misschien is schimmigheid er wel de reden van dat die bevrijding ook regelmatig in twijfel getrokken wordt, of dat het neerdrukkende karakter van de destijds heersende dogmatiek wordt veronachtzaamd. Dat laatste meen ik te ontwaren in recente opiniestukken, en daar doel ik op als ik spreek over een matig en verward besef van deze ‘andere bevrijding’.

Veronachtzaming, of zelfs ontkenning, van die bevrijding van Christelijke dogmatiek kwam ik tegen in een recente column van James Kennedy. Hij meent dat de redenen van ontkerkelijking vaak niet goed worden weergegeven. “Het is geen kwestie van knellende dogma’s”, zegt hij, maar van veranderende levenstijl. “Ouders geven hun kinderen niet de geestelijke ondersteuning die zij nodig hebben om een levensovertuiging in stand te houden, wellicht omdat ze het zelf niet meer zo geloven”.

Met andere woorden, denk ik dan, ze mochten gaan zeggen wat ze dachten. En ook al ging dat geleidelijk, en kwamen ze er pas langzamerhand achter dat tot dan toe anderen bepaald hadden wat ze moesten denken - een bevrijding blijft het.

Een andere auteur, Paul van Geest, bagatelliseert de dogmatische knelling – en dus de bevrijding – via een semantische discussie over het woord fundamentalisme. Hij doet dat in een reactie op Naema Tahir, die in Trouw schreef dat veel Moslims qua fundamentalisme niet zo veel verschillen van Luther. Van Geest wijst die suggestie af omdat Luther het letterlijke lezen van de Bijbel juist losliet.

Maar daarmee gaat Van Geest voorbij aan de bredere betekenis van ‘fundamentalisme’, die aansluit bij het algemene spraakgebruik. Daarin is de betekenis van het woord niet meer beperkt tot het historisch-letterlijke lezen van Bijbel of Koran, maar staat het voor: angstvallig blijven binnen eenmaal overgeleverde kaders, oftewel dogmatisch denken. Je hebt tegenwoordig bijvoorbeeld ook ‘verlichtingsfundamentalisten’ of ‘mensenrechtenfundamentalisten’.

Vanuit dat perspectief bezien is Luther wel degelijk te beschouwen als een fundamentalist, namelijk een Augustinusfundamentalist. Op aanwijzing van Augustinus betrekt hij immers, zoals Van Geest zelf zegt, alles wat hij in de Bijbel leest op (de komst van) Christus, hoeveel kunstgrepen daar ook voor nodig zijn. Zoiets noem je fundamentalistisch, dogmatisch mag ook.

Met zijn schildering van Luther presenteert Van Geest de helft van het soort ‘andere bevrijding’ dat ik hier onder de aandacht probeer te brengen. Hij memoreert de bevrijding van een letterlijke lezing van een grondleggend geschrift. De andere helft  – namelijk de bevrijding van een door de overlevering voorgeschreven lezing van de bijbel en de schepping; in dit geval de christologische interpretatie – noemt hij niet. Daar heeft Van Geest waarschijnlijk ook geen behoefte aan omdat hij persoonlijk niets knellends ervaart. Maar het punt is: dat zou bij Luther ook niet kunnen, daar heeft Tahir gewoon gelijk in.

Maar ook die laatste bevrijding heeft ergens na de oorlog voor grote groepen Nederlanders wel degelijk plaats gevonden.

Zie ook Wat is er toch gebeurd in het Westen? en Ongewild kwetsen

donderdag 14 mei 2015

Vermenging van sferen


Een rare vermenging van sferen was het wel, de Open Joodse Huizen-dag op 3 mei in Bergen op Zoom. Van elk van de beide sferen op zichzelf, de Bergse en de Joodse, wist ik al het nodige. Maar door de combinatie ervan kreeg ik ineens allerlei nieuwe doorkijkjes aangeboden. Zo wist ik niet dat Walter Süskind van 1938 tot 1942 woonde aan de Burgemeester Mathonstraat in Bergen op Zoom.

Beide sferen zijn me misschien wel even dierbaar. De Bergse omdat ik daar opgegroeid ben en volop gevoed door “het jubelstadje aan de Schelde”, zoals Anton van Duinkerken het noemde. De Joodse vanwege de warmte en de levensoriëntatie die hij biedt. Waarbij de twee sferen een forse portie chauvinisme met elkaar gemeen hebben.

Maar los daarvan konden ze ook in Bergen op Zoom wel erg ver uit elkaar liggen. Zoals vorige week bleek toen een spreker met een zekere vanzelfsprekendheid over een Joodse jeugdvriend opmerkte: “Daar kon hij ook niets aan doen, dat hij Joods was. Het had mij ook kunnen overkomen als ik ergens anders geboren was”. Deze man, zoals hij daar sprak, was nog steeds zichtbaar aangedaan door wat zijn vriendje destijds moest ondergaan. Maar levensbeschouwelijk leek er niet veel plaats te zijn voor een volwaardige appreciatie van zoiets als Jodendom.

Dat laatste is waarschijnlijk ook te veel gevraagd voor de generatie die opgroeide voor de oorlog. Ook al was in Bergen op Zoom, vanwege de Zeeuwse en staatse invloeden op het garnizoensstadje, de invloed van de clerus niet zo oppermachtig als in de rest van Brabant.

Zie ook Het verlangen naar Krabbegat

donderdag 7 mei 2015

Tien bruggen te ver


Ik kan het niet anders zien. Prettig samenwerken begint en eindigt met weten van elkaar wat je doet. Ook in zo’n mega-organisatie als de gemeente Amsterdam.

Ook als dat betekent dat beleidsmensen soms heel precies iets moeten weten van de logistiek van een formulier of een bepaalde informatiestroom. En dat een manager moet kunnen duiken in de exacte registraties van één van zijn producten en het proces moet kunnen volgen.

Dat is tien bruggen te ver, dat weet ik inmiddels ook wel. Want dat wíllen die managers en beleidsmedewerkers helemaal niet, om uiteenlopende redenen.

Daarom is het des te opmerkelijker dat ik onlangs, nog net voor mijn afscheid als procesverhelderaar, een paar keer de flow heb mogen meemaken die ontstaat als zes of zeven mensen onderling afstemmen over hun proces - hun dagelijks brood - en zich daarin serieus genomen voelen. Dat creëert zijn eigen ontspannen soort van werkplezier.

Het woord is nu weer aan de eenzame, individuele procesknutselaars. Of aan de collectieve brown-paper producten die weliswaar met veel flow gemaakt worden, maar na een jaar onvindbaar zijn.

Maar een keer komt het vast weer goed – ik kan het niet anders zien.

Zie ook Amsterdam en ICT, Meemaken en Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?

vrijdag 1 mei 2015

Wat staat er nog meer op het spel?


Naar aanleiding van de Israëlische verkiezingen in maart vroeg ik me af of in Israël de democratie op het spel staat. Nu vraag ik me af: en als die democratie niet zo stevig gevestigd is als we altijd dachten, wat staat er dan nog meer op het spel daardoor? Loopt het fysieke bestaan van Israël daardoor ook gevaar?

Er zijn mensen die dat denken. Aanhangers van de Zionistische Unie verloren alle moed door de overwinning van Netanjahoe en de met hem verbonden kolonisten. “Er is geen toekomst meer voor dit land” zei een aantal teleurgestelde campagnevoerders, doelend op de onmacht van de Israëlische democratie om de kloof tussen Joden en Palestijnen te overbruggen. Oud-Knessetvoorzitter Avraham Burg roept al jaren dat Israël in de greep is van de verloedering en M.J. Rosenberg meent dat steun aan voortzetting van de bezetting het einde van de zionistische droom betekent, en daarmee in feite van de Joodse staat Israël.

Ronny Naftaniël gaat niet zo ver, maar hij stelt wel vast dat allerlei zaken op de Westbank, áls ze al geen apartheid zijn, daar toch wel sterk aan doen denken. Denk daarbij aan gescheiden wegen voor bewoners van de nederzettingen en de Palestijnen, of verschillen in de waterrantsoenen voor de verschillende groepen. En dat doet Israël geen goed.

Bij deze intern gesignaleerde neerwaartse krachten kunnen zich externe factoren voegen die het plaatje nog somberder kleuren. De boycot- en desinvesteringsbewegingen zouden het Israël wel eens moeilijk kunnen maken, en diplomatieke isolatie als gevolg van Israëls gedrag zal fnuikend zijn en de positie van de staat bepaald niet versterken.

Tegenover deze ondermijnende factoren staat, als het gaat om Israëls bestaansveiligheid, ook een aantal voordelen van de bezetting van de Westbank. Israël hoeft daardoor op dit moment niet te vrezen voor raketaanvallen uit het Oosten, zoals ze er wel gekomen zijn uit het Westen na de Israëlische terugtrekking uit Gaza in 2005. En de strook land tussen de oostelijke  buitengrens en de Middellandse Zee is ter hoogte van Tel Aviv iets minder smal en kwetsbaar dan zonder Westbank. Verder blijkt Israël, in een regio waar de branden zich gestaag uitbreiden, langzamerhand een robuust baken van stabiliteit te zijn.

Voorlopig houden de negatieve en positieve factoren elkaar waarschijnlijk in evenwicht. Maar voor de langere duur geloof ik er niet in. Duurzaam is alleen een oplossing die voor alle bewoners van het gebied uitkomst biedt. Bovendien, zo stem ik in met Ronny Naftaniël, zonder zo’n oplossing is Israël geen land om trots op te zijn.

Zie ook Right and wrong en Israël als Joodse staat