vrijdag 15 april 2016

Humane slavenhouders


We willen het zo graag horen: dat in de Oudheid Joden weliswaar, net als Grieken en Romeinen, slaven hielden, maar dat ze dat op een net wat humanere manier deden.

De slavernij gaat de volgende week weer volop aan de orde komen, want aan de seider met Pesach vertellen we hoe we slaven waren in Egypte. En hoe we bevrijd zijn, maar altijd een gevoeligheid gehouden hebben voor wat het betekent om slaaf te zijn.

Bij die gevoeligheid koesteren we de gedachte dat er verschillende manieren zijn om slaven te houden. Voor de Romeinen bijvoorbeeld telde het leven van een slaaf in het geheel niet. Illustratief voor de complete eer- en rechteloosheid van Romeinse slaven was de gebruikelijke straf voor hen, namelijk de kruisiging. Die werd onder meer toegepast om de opstand van de slavenleider Spartacus (rond 72 voor het begin van de jaartelling) met harde hand neer te slaan. Het leidde tot de kruisiging van ruim 6000 slaven langs de weg van Capua naar Rome.

Zo’n totale ontkenning van de menselijkheid van slaven zou niet passen bij de voorschriften uit de Tora, waarin staat dat de landgenoten die zichzelf als slaaf verkocht hadden omdat zij hun schulden niet meer konden betalen, in het sjabbatsjaar (eens in de zeven jaar) moesten worden vrijgelaten. En over de sjabbat als wekelijkse  rustdag staat geschreven dat die bedoeld is voor iedereen, ook voor slaven, knechten en vreemdelingen en zelfs voor het vee.

Maar historisch-wetenschappelijke bevindingen lijken weinig over te laten van dat bijna idyllische beeld, in de praktijk zijn deze voorschriften waarschijnlijk niet zo gehouden als ze geschreven staan. Zelfs uit rabbijnse discussies over die teksten, zo zegt onderzoeker Stoutjesdijk uit Tilburg, blijkt dat de regels helemaal niet werden nageleefd.

Dat is misschien een domper voor ons zelfgevoel. Blijft over dát we het zo graag willen: de bevordering van humane verhoudingen binnen onze soms meedogenloze sociaal-economische stelsels. Laten we dat vooral blijven willen, en als het Pesachverhaal ons daarbij helpt, blijf het verhaal vertellen.

Zie ook Farao en scientific management

donderdag 7 april 2016

Het failliet van de verbeelding


Het kan gewoon depressie geweest zijn, ik weet hoe dat werkt. Hoe dan ook, ik zal hem missen, Wim Brands. Maar zijn dood triggert me tot andere gedachten, en daar wil ik het nu over hebben.

Het is niet toevallig, denk ik, dat de opkomst van de roman vanaf het einde van de 18e eeuw samenvalt met het geleidelijk verdwijnen van God uit de samenleving. Eeuwenoude, door de kerken gedragen en vanzelfsprekende betekenisgeving verdween en nieuwe bronnen van betekenisbeleving waren nodig om het gevallen gat te vullen. Een daarvan was het geloof in wetenschap en vooruitgang, een andere – complementair daaraan – werd gevonden in de wereld van de verbeelding die zijn eigen betekenissen kon scheppen. De roman was daar de belichaming van, en dat betekende dat schrijvers aan verweesde individuen een nieuw houvast konden geven.

Deze gedachte verklaart veel van de verschijnselen die we kunnen waarnemen in de literaire wereld. Bijvoorbeeld de welhaast goddelijke status van auteurs, zowel voor zichzelf als voor het publiek, en de cultus van de verheerlijking van de verbeelding zoals we die al twee eeuwen kennen.

Maar die gedachte impliceert ook veel wat niet altijd expliciet onderkend is. Daarbij denk ik aan de vooronderstelling van een verregaande autonomie van het schrijvende ik dat zich via de verbeelding een eigen wereld schept waarin het heer en meester is. Én ik denk aan de gigantische, zo niet verpletterende, druk op de verbeeldingskracht om na de dood van God de verweesde wereld weer met zin te vullen.

Het viel me vaak op hoeveel er verwacht wordt van de verbeelding. Die figureert in sommige kringen en conversaties als de ultieme ontsnappingsroute uit onze dagelijkse werkelijkheid. Zo herinner ik me momenten uit de interviews van Wim Brands waarop hij verzucht: “Maar dan is er gelukkig de verbeelding nog…”

Iets soortgelijks viel me vaak op bij Joost Zwagerman. Zeker achteraf voelen zijn uitingen van vervoering door de wereld van beelden en kleuren, bijvoorbeeld in De wereld draait door, als de overschreeuwing van een leegte.

Daarom heb ik het niet zo op de veelgeprezen romanverbeelding. Des te meer heb ik met poëzie, vooral de ingetogen, mijmerende verdichtingen. Het schijnt dat Wim Brands hele mooie maakte.

Zie ook Baas in eigen boek

vrijdag 1 april 2016

Menselijk gesproken


Menselijk gesproken hoort, in dit soort barre tijden, je aandacht te zijn bij de slachtoffers van al die ellende. En natuurlijk bij wat we kunnen doen ter voorkoming van aanslagen. En gelukkig, door de bank genomen is die aandacht er wel.

Maar dat belet mij niet geïnteresseerd te zijn in achterliggende, bijna filosofische verschuivingen die teweeggebracht worden door steeds dichterbij kruipend terroristisch geweld.

Neem deze vraag van Leonie Breebaart in Trouw: “Is het echt zo erg dat Nederlanders sterker meeleven met de slachtoffers in Brussel dan met die in pakweg het Nigeriaanse Maiduguri, waar vorige week 22 gelovigen in een moskee het leven lieten?” En het nuchtere antwoord van filosoof en ethicus Rutger Claassen: “Wat dichtbij is doet je meer.”

Dat is natuurlijk nooit anders geweest, maar we durfden het een tijd lang niet hardop te zeggen. Vanaf de jaren zestig en zeventig gold, in ieder geval voor progressief Nederland, dat solidariteit met onderdrukten grenzeloos en wereldwijd moest zijn, zonder onderscheid naar geografie, nationaliteit of religie. Nú vraagt Breebaart zich af: “Is dat niet een erg abstract idee?”

Nog niet zo lang geleden werd het als ontoelaatbaar hypocriet beschouwd om het ene slachtoffer (bijvoorbeeld een Belg) erger te vinden dan het andere (bijvoorbeeld een Nigeriaan). Nú stelt Breebaart: “Maar zo werkt het toch gewoon? Er blijft toch een spanning tussen het idee van solidariteit en het gevoel dat je hebt met mensen die je kent?” Zeg maar tussen dikke en dunne relaties.

Wat mij betreft gaat het hier om de bevestiging van een al zeer oude Joodse waarheid. Namelijk dat het particuliere ertoe doet, en dat de relaties binnen de eigen gemeenschap, of anderszins dichtbij, van een andere kwaliteit zijn dan de relaties die je daarbuiten onderhoudt. Warmer, intensiever, dikker. En dat ze dat ook mógen zijn, zonder dat je onfatsoenlijk wordt naar de rest van de wereld. Zo werkt het misschien wel.

Tot voor kort was het gewaagd om die gedachten te formuleren, in een wereld waarin de spraakmakende elite universeel georiënteerd was en meende alle etnocentrisme en particularisme als hopeloos verouderd te kunnen wegzetten. Die elite is zich aan het herbezinnen en wat mij betreft gaat dat liever niet zover als het neo-nationalisme van Thierry Baudet - ik heb meer met Europa -, maar de erkenning dat het hemd nader is dan de rok lijkt mij een blijk van prijzenswaardige realiteitszin.

Wat me zorgen baart is dat het spectrum in zijn geheel verschuift. Voor het Westen vind ik dat goed, dat mag wel wat inleveren van zijn hoogmoedige universalisme. Maar Israël is al lang particularistisch genoeg en zou zich wat meer aan universele waarden gelegen kunnen laten liggen. Het recente Pew Report wijst echter anders uit: een kwart van de Israëlische bevolking zou de democratie willen inruilen voor een theocratie en 48 procent van de Israëlische Joden is het eens met de stelling ‘Arabieren moeten Israël uit worden gezet’.

Dat voelt niet goed.

Zie ook Landen zonder grenzen

donderdag 24 maart 2016

Waarden als natuurverschijnsel


Over het algemeen spreken de NRC-colums van Jan Kuitenbrouwer me aan, vanwege zijn geestigheid en de kwaliteit van zijn overwegingen. Maar deze keer kan ik hem niet volgen.

Kuitenbrouwer heeft zijn buik vol van ‘Europese waarden’. Daar gaat het veel over de laatste tijd, zegt hij, maar de vraag is of ze bestaan, althans als betekenisvol verschijnsel. “Een van de redenen dat je het woord ‘waarde’ de laatste tijd zo vaak hoort is omdat het zich leent als eufemisme voor ‘norm’”. Waarden zijn ijl en vrijblijvend, in tegenstelling tot normen, want die moet je zelf naleven, ook als politicus, en handhaven. Dat is lastig, “dus hebben we het liever over waarden, een natuurverschijnsel waar wij geen invloed op hebben”, aldus Kuitenbrouwer.

Ik bleef haken aan het woord ‘natuurverschijnsel’, als categorie waarin hij ‘waarden’ onderbrengt.
Mijn eerste bedenking daarbij is dat, voor zover waarden als natuurverschijnsel worden gezien (dus: als universeel gegeven, geldend voor alles en iedereen) ze juist problematisch zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de waarde ‘mensenrechten’. De natuurlijk gegeven lading ervan is dan de volgende: van iedere mens, waar ook ter wereld, moeten de mensenrechten gewaarborgd zijn. De waarde van mensenrechten overal ter wereld zouden dan mijn zorg hier en nu zijn. De grenzenloosheid van die gedachte is problematisch: die maakt er direct een loze kreet van. Dus voorzover je waarden als natuurverschijnsel beschouwt worden ze nietszeggend. Misschien wilde Kuitenbrouwer dat wel zeggen.

Maar, en dat is mijn tweede bedenking, de stelling dat waarden een natuurverschijnsel zouden zijn (dus universeel geldig), is voor een aantal waarden onwaar. De door Kuitenbrouwer genoemde waarden vrijheid, democratie en rechtsstaat zijn beslist geen natuurverschijnsel in de zin dat ieder weldenkend mens ze als vanzelfsprekend onderschrijft. In China bijvoorbeeld zetten ze daar vaak vraagtekens bij en Erdogan verklaarde ooit: “Voor ons [islamisten] is democratie als een tram. We rijden mee tot we zijn waar we moeten zijn en dan springen we eraf”. Waarden zijn zo bezien dus duidelijk geen natuurverschijnsel, maar integendeel gebonden aan (nationale) gemeenschappen die besloten hebben dat binnen de grenzen van hun territorium die waarden gelden, of juist niet, of voor een tijdje.

Daar hebben mensen dus grote invloed op. Sterker: die waarden bestaan alleen maar voorzover ze omhelsd worden door concrete gemeenschappen en anders niet. En  Kuitenbrouwer heeft gelijk, waarden krijgen pas handen en voeten als er naar gehandeld wordt, omhelzing is niet genoeg. Welnu, soms gebeurt dat wel, zie Merkel en de vluchtelingen; soms gebeurt dat niet, zie Merkel en haar gemarchandeer met Erdogan. Dat duidt wat mij betreft op een acceptabele speling in de verhouding tussen waarden en normen.

Hoe dan ook, je hebt kennelijk een begrensd geldigheidsbereik nodig als je niet wilt dat waarden zo leeg en nietszeggend functioneren als Kuitenbrouwer suggereert dat ze doen. Dat zou kunnen gaan inhouden dat Europa handhaving van mensenrechten buiten Europa minder als haar taak gaat beschouwen. Om aan relevantie te winnen.

Zie ook Grenzen en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 18 maart 2016

Hoe Joods is Maimonides?


Onlangs heb ik een interessante cursus gevolgd over Maimonides, waarin zijn leven, zijn daden en nagelaten werken de revue passeerden. Als je dat op je in laat werken, dan kun je niet anders dan weer onder de indruk raken van deze gigant.

Wel blijf ik met een serieuze vraag zitten, met name naar aanleiding van het boek De Gids der Verdoolden van Maimonides. De cursusleider, Yoram Stein, vertelde dat de rabbijn/filosoof dat boek schreef voor de verlichte Joodse geesten van zijn tijd die in aanraking waren gekomen met het rationalisme van Aristoteles. Maimonides wilde laten zien dat diezelfde Griekse wijsheid ook in het Jodendom te vinden was, zodat de Joodse intellectuele elite niet daarbuiten hoefde te gaan zoeken, en in zijn ogen verdoold zou raken.

Alleen, dat Joodse equivalent van Griekse wijsheid mocht alleen voor ingewijden beschikbaar zijn, en moest geheim blijven voor gewone mensen omdat die te dom zouden zijn om de leer te begrijpen. De ingewijde elite kon er vervolgens voor zorgen dat de niet-ingewijden de stukjes geheime leer kregen toegediend waar ze op dat moment, volgens het oordeel van de elite, aan toe waren.

Dit gegeven van een geheime leer voor ingewijden met een bijbehorende maatschappelijke hiërarchie treft mij als ingaande tegen de streefrichting van de rabbijnen vanaf het begin van de jaartelling. In de rabbijnse geschriften meen ik pleidooien te horen voor studie van Tora als iets waaraan liefst zo veel mogelijk mensen zouden moeten kunnen deelnemen, hun leven lang. “Ga en leer”, sprak Hillel, en daarmee richtte hij zich niet speciaal tot de slimmeren, en wat ze moesten leren had niets geheims, behoorde integendeel tot de Openbaring.

Dat wil niet zeggen dat in de Joodse traditie uitsluiting niet aan de orde is geweest. Er waren in diverse tijden op diverse plaatsen aristocratieën van rabbijnengeslachten die leidende functies onder elkaar verdeelden en geen buitenstaanders toelieten. Maar – en dat is mijn punt – die praktijk werd niet ondersteund door een ideologie die bij voorbaat bepaalde kennis beperkt wil houden tot een groep van ingewijden.

Het is wat mij betreft dan ook heel logisch en begrijpelijk dat er interne Joodse oppositie kwam tegen Maimonides. Die leidde tot de zogenaamde ‘Maimonidiaanse controversen’ die vanaf de 12e tot de 16e eeuw regelmatig opflakkerden. Onder andere de filosoof Chasdai Crescas roerde zich als opposant van Maimonides.

Voor hem en andere opposanten stond er in de controversen iets op het spel en wel het volgende. Door zijn gretige omarming van de universaliserende rede verlaat Maimonides volgens hen het soort rationaliteit dat Tenach en Talmoed hanteren. Die laatste is een rationaliteit die ruimte laat voor pluraliteit van verschillende logica’s, voor ongerijmdheden en voor de tragiek van botsende logica’s die niettemin stuk voor stuk te rechtvaardigen zijn.

Dat spreekt mij aan. Een gevaar is dat je met die gedachte in romantisch of mystiek vaarwater terecht zou kunnen komen, in de trant van: er is méér dan rede, namelijk gevoel. Zo is de oppositie van Crescas tegen Maimonides wel uitgelegd, maar daar doel ik niet op. Ik zoek, óp het vlak van de rationaliteit, naar een benadering die juist in de omgang met de rede, of redes, meer Joods te noemen is dan die van Maimonides.

Ik denk dat die bij Levinas te vinden is omdat hij, zonder romantisch te worden, voor al het denken een “particuliere politieke gemeenschap vooronderstelt”. Die laatste bewoordingen zijn van de filosoof Dennis Baert, en als u zegt “dat snap ik niet”, dan val ik u bij. Maar die woorden wijzen in ieder geval op iets anders dan wat universeel geldig is. Het is vooral mijn intuïtie die zegt dat dit iets met het voorafgaande te maken heeft. Maar daar ga ik verder op studeren.

Zie ook Wittgenstein als talmoedist

vrijdag 11 maart 2016

Huiskamergevoel


Toen ik begin jaren zeventig een beetje politiek bewust begon te worden hielp de Haagse berichtgeving me daar wel bij. Behalve dat het ging over ‘spreiding van macht, kennis en inkomen’ en een olieboycot, las ik in de krant ook over de grappen van Marcus Bakker en de vergaderstijl van Den Uijl.

Bovendien keek je direct de Tweede Kamer in via de uitzending van (delen van) kamerdebatten. Doordat je deelnemers aan de debatten live in hun eigen stijl zag reageren op elkaar, kreeg ik achter het televisietoestel een soort huiskamergevoel, alsof ik erbij was. De compacte, zo niet krappe behuizing in de oude vergaderzaal droeg aan die ervaring zeker bij.

Je kunt niet zeggen dat de vergaderzaal van de EU oogt als een huiskamer, maar niettemin begin ik daar ook langzamerhand mensen en interactiepatronen te herkennen. Guy Verhofstadt draagt daaraan bij met zijn optredens, Daniel Cohn-Bendit deed dat eerder al, maar ook foto’s uit de wandelgangen van ontmoetingen tussen politici, uitwisseling van indringende blikken tussen Merkel en Orban, Rutte en Cameron. Anekdotes in de media over het verloop van een vergadering of over Merkel die haar trek stilt met een puntzak Vlaamse frites doen bij mij langzamerhand wel een vertrouwdheid met de Europese scene ontstaan die in de buurt komt van het huiskamergevoel.

Ondertussen blijven de thema’s en belangen in Europa heftiger en dramatischer dan ze op de Nederlandse televisie ooit waren, zoals het bijna-faillissement van Griekenland en de toestroom van vluchtelingen uit oorlogsgebieden. De door politici ingenomen standpunten over die kwesties zijn in een aantal gevallen extreem tegengesteld, met daardoor een veel grotere polarisatie dan die in Nederland in de jaren zeventig.

Maar als we goed luisteren zijn al die stemmen, zelfs die van Orban, in onze eigen omgeving ook aan te treffen. Ze zijn dichterbij dan we denken, en dat kan ook bijna niet anders in een geglobaliseerde wereld.

Zie ook Er is tóch vooruitgang en Europa is mijn land

vrijdag 4 maart 2016

De ganse aarde - of een stukje?


De verhouding van de Westerse cultuur tot de grensoverschijdende en soms terroristische ambities van de Islam is ingewikkelder dan vaak gedacht wordt. Er is een stevige innerlijke verwantschap tussen de universalistische oriëntatie van het Westen en die van de Islam. Dat is mijn conclusie na lezing van een verhelderend artikel van de arabist Maurice Blessing.

Die conclusie wordt bereikt door de vaststelling dat 1. zowel het Westen als de Islam vertrekken vanuit een universalistisch, grensoverschrijdend ideaal; dat 2. dat ideaal geen genoegen neemt met minder dan wereldwijd universalisme; en dat 3. voor het bereiken daarvan gebruik van geweld gerechtvaardigd is.

De aanwezigheid van een universalistisch ideaal bleek in het Westen al vanaf de tijd dat het Christendom er vaste voet aan de grond kreeg. Vanaf dat moment was het een verklaard doel om van het Westen uit verder de hele wereld te kerstenen. Denk aan de Katholieke missionarissen en de Protestantse zendelingen die, zeker ten tijde van het 18e en 19e-eeuwse imperialisme, het zich tot taak (‘the white man’s burden’) rekenden om de Christelijke boodschap te verspreiden tot in de verste uithoeken van de aarde. Toen het Christendom plaats begon te maken voor de waarden van de Franse revolutie, zoals democratie en mensenrechten, werd het universalistische elan niet minder.

In het geval van de Islam is er, aldus Blessing, sprake van een religieus streven naar ‘het hogere’ dat uit haar aard geen grenzen kan accepteren die haar verbreiding tegengaan. Vanwege die universalistische instelling kan de Islam niet anders dan alle nationale, particularistische grenzen beschouwen als nietig en betekenisloos. Niet alleen van niet-Islamitische landen, maar ook van Islamitische landen, wat blijkt uit de wijziging van de naam ISIS (‘Islamitische Staat in Irak en Syrië’, dus gebonden aan een begrensd territorium) in IS (‘Islamitische Staat’). Loyaliteit hoort niet te liggen bij een vals burgerschap maar bij Allah. En voor minder dan de hele wereld doet de Islam het niet.

De overtuiging een voor iedereen geldende boodschap te hebben was voor Christenen voldoende legitimatie om tot bekering onder dwang over te gaan. Bijvoorbeeld van Joden in Spanje, of Indianen in Zuid-Amerika. En later, voor de seculiere revolutionairen van de RAF en de Rode Brigades om hun aanslagen te plegen. Voor de revolutionaire Moslims is het voldoende rechtvaardiging voor het plegen van terreurdaden over de hele wereld en voor het vernietigen van nationaal erfgoed.

Revolutionair elan, vanuit de oprechte overtuiging een heilzame of zelfs spirituele boodschap te hebben voor iedereen, zou dus weleens op grotere verwantschap tussen de Islam en het Westen kunnen duiden dan we gewoon zijn aan te nemen. Een – niet onbelangrijk – hedendaags verschil is dat het Westen de inzet van geweld heeft getemperd door het geweldsmonopolie uitgerekend bij de nationale staat te leggen. Die concessie aan de nationale staat wil de radicale Islam niet doen, aldus Blessing, de Islamitische terreur is juist een protest tegen die domesticatie van de Islam en de binding ervan aan nationale grenzen.

Maar ook met dat verschil blijft de verwantschap in universalistische oriëntatie tussen het Westen en de Islam frappant. Uitbreiding van je ideaal over de hele aarde, als noodzakelijk onderdeel van het concept, blijkt een onlosmakelijke karakteristiek te zijn van zowel Christendom/Verlichting als Islam. Kan het te maken hebben met een bepaalde, Griekse opvatting van het begrip waarheid? Namelijk dat iets de naam ‘waarheid’ pas verdient als het zich bewezen heeft als ‘universeel geldig’? Tja, dan moet je wel eerst de wereld veroveren.

Wat je ook kunt zeggen van de Joodse traditie, – dat die inspireert tot discriminatie tegen Israëlische Arabieren en aanzet tot kolonisatie van de Westbank – het blijft sinds pakweg tweeduizend jaar een feit dat de aandacht particularistisch gericht is, namelijk op het welzijn van de eigen groep. Dat kun je bekrompen vinden, maar misschien ook prettig bescheiden.

In ieder geval is de drang om de hele wereld te bemissioneren of veroveren, inclusief de immense gewelddadigheid die daarbij hoort, vreemd aan de Joodse traditie. Behalve natuurlijk als je gelooft in een wereldwijde Joodse samenzwering.

Zie ook Grenzen en Landen zonder grenzen

donderdag 25 februari 2016

Liever sexy dan rijk


Is het bestaanbaar dat je per jaar tientallen miljoenen euro’s verspilt omdat het ‘niet sexy’ is om daar wat tegen te doen? Ja, dat is bestaanbaar en zelfs het geval in de gemeente Amsterdam,  zo blijkt uit het rapport van de Enquêtecommissie Financiële functie van de gemeente Amsterdam.

Een terugkerende constatering in het rapport is dat het stelselmatig ontbreekt aan aandacht voor de primaire processen (zeg maar: wat er gebeurt op de werkvloeren), en dat men dus ook geen inzicht heeft in de weerslag daarvan op de financiën. Simpeler dan dit is het niet, ook al wordt in het rapport voor dat aandachtsgebied van primaire en financiële processen steeds de jargonterm ‘Administratieve Organisatie en Interne Controle’ (AO/IC) gebruikt. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de gemeentelijke accountantsdienst jaren op rij de aanbeveling deed “de AO/IC te verbeteren”.

En daar zit misschien ook wel het eigenlijke probleem. Niet alleen dat er weinig aansprekend jargon wordt gebruikt voor dit aandachtsgebied, maar vooral dat de gebruikelijke methoden van werken op dat gebied van AO/IC niet erg tot de verbeelding spreken. Het zou moeten gaan over de werkvloeren, en een ideaal gespreksonderwerp kunnen zijn voor allen die op dagelijkse basis betrokken zijn bij bepaalde werkzaamheden.

Maar in de praktijk blijkt het werk te worden uitgevoerd door eenzame plaatjesmakers die op basis van moeizame interviews met vaak geheel niet representatieve medewerkers een nietszeggend verhaal produceren dat gedoemd is tot vergetelheid. Niet erg sexy inderdaad.

Het rare is: het kan wel anders. Mijn ervaring is dat het heel wel mogelijk is om de mensen van de werkvloer te bereiken en te engageren. Zodanig zelfs dat er een soort enthousiasme ontstaat – het gaat immers over hun dagelijks brood – en een verlangen naar verdere verheldering. Op die punten aangekomen bleek echter het management niet aan te haken, of zelfs actief af te haken.

Er zit kennelijk iets bedreigends in aandacht voor primaire processen. Waarschijnlijk omdat die aandacht, over afdelingsgrenzen heen, kijkt naar het totaal van de bedrijfsvoering. Dat matcht niet met de prestatieafspraken en budgetten waar managers mee te maken hebben.

Zij kiezen, als het om procesbeschrijving gaat, daarom liever voor de onschadelijke, suffige variant, dus voor meer ‘AO/IC’. Zolang dat zo is zal procesbeschrijving nooit sexy worden, maar erger nog: zal de gemeente Amsterdam tientallen miljoenen euro’s per jaar blijven verspillen.

Zie ook Amsterdam en ICT en Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?

vrijdag 19 februari 2016

Failed states


Wat is erger dan een gewelddadige staat? Antwoord: een mislukte staat.

Dus zo bekeken, althans vanuit het perspectief van gewone burgers, kun je beter in Iran wonen dan in Irak, en beter in Egypte dan in Libië. Over leuk hebben we het dan al lang niet meer, eerder over de gradaties van chaos en terreur. In Iran kun je gearresteerd worden voor het lopen zonder sluier en is ophanging aan de orde van de dag, maar er worden ook boeven gevangen, er komt nog water uit de kraan en de straatverlichting doet het nog. In de mislukte staten Irak en Libië ben je zelfs daar niet zeker meer van.

De ontwikkeling van het Westerse denken over de staat, volgt de lijn van bovenbedoelde gradaties van (on)georganiseerdheid. Algemeen wordt Thomas Hobbes (eerste helft 17e eeuw) wel beschouwd als degene die pleitte voor sterk centraal staatsgezag als middel tot het garanderen van een minimum aan orde en veiligheid voor de burgers. Daarvoor moest het geweldsmonopolie, dat wil zeggen het exclusieve recht op het gebruik van geweld, bij de staat worden gelegd.

Hobbes staat dus voor de stap van mislukte of non-existente staat naar staat, terwijl hij zich nog niet bekommerde over misbruik van het staatsmonopolie op geweld. Het risico van interne gewelddadigheid van de staat ten opzichte van de eigen burgers interesseerde hem niet zo.

Dat kwam pas in de tweede helft van de 17e eeuw met John Locke, die fundamentele rechten voor de burger formuleerde, zoals vrijheid van godsdienst en meningsuiting en vergadering, met een bijbehorende plicht voor de staat om die te respecteren. De ordelijke gewelddadige staat maakte daarmee plaats voor een ordelijke fatsoenlijke staat.

Tot zover de ontwikkeling van een staat in positieve richting, maar uiteraard kunnen staten de verschillende gradaties van staatsvorming ook in de verkeerde richting doorlopen. Bij Turkije lijkt dit het geval te zijn: dat stond op het punt om de route van Hobbes naar Locke te doorlopen, maar heeft met Erdogan rechtsomkeert gemaakt.

Ik ben er wel eens bang voor dat dat met Israël ook gebeurt. Je kon naar mijn overtuiging met betrekking tot Israël tot voor kort wel spreken van een fatsoenlijke staat – met de niet onbelangrijke aantekening erbij dat dit gold voor zover je een Joodse ingezetene bent. Maar op dit moment gaat het veel over inperking van culturele uitingen en vrijheden voor de eigen ingezetenen. Een failed state zal Israël niet gauw worden, maar wordt hier misschien wel de weg terug van Locke naar Hobbes ingeslagen?

Zie ook Er is over nagedacht

donderdag 11 februari 2016

Hoe tegennatuurlijk kun je zijn?


Het is goed voor mij – als iemand die met het Christendom gebroken heeft – om het Christelijk geloof uitgelegd te krijgen door mensen die ik sympathiek vind. Als ik dan bezwaren voel opkomen weet ik zeker dat ze niet worden ingegeven door een oordeel over de persoon die ik op dat moment beluister.

Een van die sympathieke uitleggers is Marilynne Robinson, die ik onlangs hoorde in De nieuwe wereld. Als haar belangrijkste boodschap heb ik opgevat dat Christenen worden opgeroepen om dát te worden wat ze van nature, als mensen, juist níet zijn. Mensen zijn egoïstisch, en ze moeten altruïstisch worden; ze zijn van nature niet mededogend, maar ze zouden het wel moeten zijn; ze zijn snel bang, maar angst is verkeerd. Kortom, het Christendom volgens Robinson is één groot veranderprogramma, weg van onze natuurlijke staat, leidend tot een overwinning op onze natuur.

Zoveel tegennatuurlijkheid kan mij niet overtuigen, hoe sympathiek ik de boodschapster ook vind. Vanuit pedagogisch dan wel andragogisch oogpunt lijkt mij een dergelijk programma ook tot mislukken gedoemd, want hoe tegennatuurlijk kan een mens zijn? Het zou zelfs kunnen dat de in dit programma ingebouwde frustratie de verklaring levert voor de verschijnselen in kerk en Christendom waar Robinson juist niets van moet hebben: de gerichtheid op macht en zieltjeswinnen. Dat laatste zou wel eens de ‘natuurlijke’ en onvermijdelijke compensatie kunnen zijn voor uit de bocht vliegende te hoog gegrepen strevingen.

Bovendien ben ik niet zo bang voor menselijk egoïsme, gebrek aan empathie en angst. Egoïsme kan ons stevige uitgangsposities opleveren, vanwaaruit we anderen weer wat te bieden hebben. De plicht tot empathie en mededogen kan gemakkelijk tot de overspannen situatie leiden waarin empathie een prestatie wordt van het autonome zelf, en de ander niet meer dan een object voor mededogen. Angst tenslotte kan een zeer goede raadgever zijn, zoals bleek uit de beelden van de Bataclan die nota bene tijdens het interview met Robinson werden getoond: bezoekers renden zo hard mogelijk weg van de kalasjnikovs, en dat was maar goed ook. Dat er ook angstige situaties zijn waarbij je goed moet nadenken, zoals Robinson propageerde, doet niets af aan het belang van de waakzaamheid die de angst genereert.

De aanbeveling van Robinson waarmee ik volledig kan instemmen is dat het erop aankomt om bewust te leven, ook met betrekking tot ervaringen die ons overstijgen. Dat is misschien al tegennatuurlijk genoeg, en dat streven wil ik niet belasten met nog extra tegennatuurlijke opdrachten.

Zie ook Heilig vuur

vrijdag 5 februari 2016

Landen zonder grenzen


“Voor een Israël zonder grenzen”, dat was de chotspueuze titel van een boek van de dominicaan Lucas Grollenberg uit 1970. Daarin betreurt hij het lot dat de Palestijnen hebben ondergaan door de stichting van de staat Israël, en dat mag hij natuurlijk doen. De chotspe is erin gelegen dat hij, nauwelijks vijfentwintig jaar na de meest moorddadige aanslag ooit op het Joodse volk, pleit voor het opvatten van Jodendom als een puur spirituele inhoud die geen fysieke component meer nodig heeft, laat staan grenzen. Je moet maar durven als je weet hoezeer Joden in hun louter fysieke bestaan bedreigd werden. En dat precies het ontbreken van veilige grenzen hen destijds noodlottig is geworden.

De utopie van grenzeloosheid als ideaal is niettemin erg in. De historicus Henri Beunders  noemt het een belangrijk onderdeel van de huidige tijdgeest die de wens koestert dat alle mensen onbelemmerd de hele aarde kunnen bereizen. Dat is goed voor de economie, voor de communicatie tussen volkeren en voor de uitwisseling van culturen.

Beunders ziet het ontstaan van deze open borders-beweging als een relatief modern verschijnsel, gestoeld op de gedachte dat grenzen onrechtvaardig zijn voor de armen, dat ze economisch inefficiënt zijn en averechts werken. In die moderne droom van the sky is the limit zijn we, aldus Beunders, het gevoel voor grenzen - en de dubbelzinnigheid ervan - kwijtgeraakt en in termen van grenzeloosheid gaan denken.

Dat breekt ons nu op, zegt Beunders, en daarom zijn we als bezetenen weer grenzen en hekken aan het oprichten. Die omslag kan snel gaan, kijk maar naar Diederik Samsom die in oktober nog gepassioneerd uitlegde dat je asielzoekers nu eenmaal niet tegenhoudt, maar nu een plan voor stevige grensbewaking presenteert.

Ik ben het wel met Beunders eens dat Europa geketend zit aan een ideologie van grenzeloosheid waarvan het nu de utopische kant ontdekt. Maar zijn analyse dat het hier een tijdgeest-verschijnsel – dus iets relatief moderns – betreft, deel ik niet. De wortels van die absolute universele oriëntatie gaan veel verder terug, namelijk op een diep verankerde universalistische oriëntatie van het Christendom. Al voor de apostel Paulus was the sky the limit, en het opheffen van alle verschillen, tussen Jood en Griek en andere volkeren, het verklaarde doel. Wat dat betreft staat Grollenberg in een traditie.

Geen wonder dat het Christendom, behalve beschaving, ook veel geweld meebracht. Want over het algemeen hechten mensen nogal aan hun eigen identiteit en bijbehorende grenzen, en ze geven dat niet zonder slag of stoot op in ruil voor een universalistisch ideaal.

Behalve gewelddadig blijkt het ideaal nu ook wat té utopisch te zijn. Het open grenzen-ideaal stuit op armoede, oorlogen en vluchtelingen in de rest van de wereld, en blijkt in zijn gepropageerde vorm niet houdbaar. De vraag op dit moment is, gegeven onze culturele erfenis, hoe snel we kunnen schakelen.

Zie ook Grenzen