donderdag 28 maart 2013

De Joodse messias


Het is niet zo moeilijk om het gedweep en het kinderlijke enthousiasme rondom de nieuwe paus als enigszins simplistisch neer te zetten. Dat heb ik vorige week op mijn site dan ook vol overtuiging gedaan.

Maar ik moet zeggen dat ik zulke collectieve euforie ook wel kan begrijpen. Er zit zonder meer iets aantrekkelijks in de opflakkerende hoop dat één figuur alles kan veranderen. Op het verlangen daarnaar met betrekking tot Israël betrap ik mezelf ook wel eens. Zou Obama toch niet iets in beweging kunnen zetten, of Yair Lapid misschien, van binnenuit?

Uiteindelijk is de deus ex machina ons beslist niet onbekend, de messiaanse figuur die door zijn komst ineens alles anders maakt. Daarvoor zetten wij in deze Pesach-dagen toch onze deur op een kier en een beker wijn op tafel voor Eliahoe.

Het kostte nog best moeite trouwens, om Pesachwijn van binnen de Groene Lijn te vinden.

Zie ook De Groene en de Rode Lijn


donderdag 21 maart 2013

Denken doet ertoe


Denken is niet onschuldig. Soms lijkt dat wel zo te zijn temidden van alle euforie rondom de nieuwe paus. Hij leeft zo sober. Hij communiceert zo goed. Hij lacht. Hij durft zich Franciscus te noemen!

En tja, verder is hij recht in de leer en conservatief in zijn denken, maar dat lijkt er niet veel toe te doen. Op grond van al die andere, positieve, eigenschappen van de nieuwe paus wordt door velen al gehoopt op een herstel van het imago van de kerk en van een Katholiek reveil.

Maar waarom is dat dan eerder Johannes Paulus niet gelukt, die over die positieve eigenschappen ook ruim beschikte? En waarom lukte dat Johannes XXIII kennelijk niet, ja waarom lukte dat eigenlijk Franciscus van Assisië niet, door wie de huidige paus zich laat inspireren.

Ik denk dat voor het antwoord op die vraag juist de kerkleer wel eens een belangrijke verklaring kan vormen. Want die is samen te vatten als een staaltje van dualistisch denken dat de tegenstelling tussen het hoge leven van de geest en het zondige leven van de wereld tot uitgangspunt neemt. In de woorden van Franciscus volgens het Journaal: “De kerk moet zich verre houden van wereldsheid, want wereldsheid is des duivels”. Engelachtige seksloosheid versus bezoedelende begeerte, edelmoedige armoede versus hebberig materialisme, dat is het Evangelie in zijn pure notedop.

Kom daar in een moderne wereld eens om, waar het dagelijks leven grotendeels gestructureerd is op basis van het mogen en kunnen uitoefenen van bezitsrechten, seksuele begeerte en geldingsdrang. En waarbij alle inspanningen erop gericht zijn om dat op acceptabele wijze te laten gebeuren. Afwijzing van die impulsen kan moderne mensen niet anders dan als wereldvreemd voorkomen, het gaat erom ze in goede banen te leiden. En voor dat doel hebben burgers tegenwoordig andere en betere middelen tot hun beschikking dan de goede raad van de paus.

In werelddelen met minder burgerlijke vrijheden dan in het Westen zal de simplistische kerkelijke boodschap nog wel landen. Maar zo gauw zich ergens een zelfbewuste middenklasse van betekenis ontwikkelt en burgerlijke vrijheden worden gekoesterd zal het traditionele dualisme gaan aanvoelen als achterhaald. Het loopt dan al gauw uit op een maskerade of een Vaticaans bankschandaal of seksueel misbruik of alles tegelijk. Je zult er doorheen moeten, door die wereld.

Wie dat als eerste doorzagen in het zich ontwikkelende Westen waren de Protestanten. Niet voor niets waren die vanaf de beginperiode van de Reformatie, zeker in de Vlaamse en Nederlandse gebieden, afkomstig uit de stedelijke burgerij. Dat waren mensen die voor de regulering van hun bestaan al gewend waren voor een groot deel te steunen op hun eigen denkvermogen en organisatietalent. De ene, voorgeschreven, simplistische kerkelijke leer werd door velen als te knellend ervaren. Deze mensen zochten naar eigen formuleringen van de leer, die op onderdelen ook meer werelds leven moest toelaten. Zo werden de leden van de kerkeraden democratisch gekozen en mochten ambtsdragers in de Protestantse kerk gehuwd zijn.

Dat in essentie het oud-kerkelijke schema van objectief vaststelbaar goed tegenover fout in het Protestantisme niet werd verlaten kan blijken uit het feit dat binnen de nieuwgevormde kerkgemeenschappen de denkdwang niet minder heftig was dan voorheen in de Una Sancta. Maar er waren wel meerdere kerkgenootschappen naast elkaar. Er viel, in tegenstelling tot de tijd ervoor, iets te kiezen. Je mag de Protestantse scene dus behalve wat volwassener ook wel pluralistischer noemen.

Mijn punt is dat deze historische verschijnselen en ontwikkelingen een trend zichtbaar maken, namelijk van meer naar minder simplisme en van minder naar meer complex en volwassen denken. En dat dat voor het succes van een religieuze gemeenschap in het Westen een niet verwaarloosbare factor is. Dat laat zich niet zomaar meer terugdraaien.

Als ik tegelijkertijd vaststel dat de Rooms-Katholieke kerk zich – met een hoog gehalte aan evangelisch dualisme en simplisme – nog steeds aan het primitieve einde van dat denkontwikkelingsspectrum bevindt, en dat de nieuwe paus zich daartoe bekent; dan vind ik die groepjes juichende adolescenten en nonnen misschien wel ontroerend maar ik zie ze ook een beetje buiten de geschiedenis staan. Dolgelukkig dat de nieuwe uitverkorene van de Heilige Geest hún denkwerk gaat verrichten.


vrijdag 15 maart 2013

Beetje dom


Wat opvalt in veel vormen van hedendaags antisemitisme is dat het geïnspireerd is door misstanden in Israël. Maar in veel gevallen is de formulering zodanig dat de bevooroordeeldheid ten opzichte van Joden in het algemeen eraf spat. Als je zegt dat bepaalde toestanden in Israël goed laten zien dat “ze” niet deugen, dan is duidelijk dat je vertrekpunt al was dat ze niet deugen en dat Israël daar nu het zoveelste bewijs voor levert.

Een beetje dom vind ik zulke opzichtige bevooroordeeldheid in die richting. Net zo dom trouwens als die andere vooringenomenheid: “Goh, van joden had ik dit niet verwacht want die hebben zelf zoveel meegemaakt”. Tegenover al dit soort vooringenomenheden zou ik willen zeggen: noem de dingen bij hun naam. Het deugt gewoon niet om olijfgaarden te vernielen, illegale nederzettingen te bouwen en om anderen te vernederen. En zo denken veel Israëliërs er ook over.

In het rijtje domheden vond ik nog zo’n uitspraak. Ditmaal van de Israëlische vice-premier Eli Yishai naar aanleiding van het Nederlandse voornemen om producten uit de bezette gebieden van een apart etiket te voorzien in plaats van het etiket Made in Israël. “Het is vreemd dat Nederland geen stappen onderneemt om Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog alles hebben verloren volledig te compenseren, maar het wel nodig vindt om Joodse producten van een stempel te voorzien”.

Wat haalt hij er allemaal wel niet bij, zijn uitspraak gaat alle kanten op. Ook hier zou ik zeggen, beperk je tot de zaak in kwestie. Maar dan zou Yishai misschien weinig te zeggen over hebben, want de bezette gebieden behoren volgens internationaal recht nu eenmaal niet bij Israël.

Een beetje dom, die voortdurende onterechte uitbreiding van associaties en vooroordelen, ze frustreren iedere zinvolle uitwisseling van argumenten. Ik ben er een beetje allergisch voor.

Zie ook De Groene en de Rode Lijn en Koosjere wijn


vrijdag 8 maart 2013

Smeken om feedback


Laatst las ik dat we voorlopig niet moeten rekenen op revolutionaire nieuwe technologische vindingen. Technologische innovatie zal vooral moeten voortbouwen op bestaande technologie en de productiviteitsstijging op basis daarvan zal dus bescheiden van omvang zijn.

Nee, dan valt er meer winst en snellere productiviteitsstijging te verwachten van sociale innovatie. Daarmee doel ik op het dichten van het energielek dat in veel organisaties bestaat omdat mensen niet of te weinig met elkaar samenwerken. En op de aanpak van de verspilling van geld, tijd en talent die het gevolg zijn van dysfunctionele opvattingen over management.

Dat energielek en die verspilling bestaan meestal niet omdat medewerkers of managers van kwade wil zijn, maar omdat de organisatie via budgetten en bevoegdheden soms zo ingericht is dat mensen tegen elkaar opgezet worden in plaats van bij elkaar gebracht. En dat komt weer omdat we opgescheept zitten met verouderde, dysfunctionele opvattingen over management en organisatie. Die beperken, bewust of onbewust, onze ruimte tot beweging en verbetering.

Neem de opvattingen over management en leiderschap. In de meeste organisaties zijn het nog steeds hoofdzakelijk vormen van hiërarchisch denken en bevelsstructuren die bepalen welke begrippen men associeert met management. Daar horen begrippen bij als macht, bevoegdheden, de mogelijkheid om anderen te overrulen. En veel minder – uitzonderingen daargelaten – een dienende en faciliterende houding.

Wat je dan krijgt: managers die kicken op hun beslissingsmacht en er op intieme momenten geen geheim van maken dat ze op die plaats zitten omdat ze er niet tegen kunnen dat anderen hen vertellen wat ze moeten doen. Maar die tegelijkertijd van anderen niet anders verwachten dan dat ze daar wel tegen kunnen.

En je krijgt relatief veel bange medewerkers, die effectief monddood gemaakt zijn.

Dat wringt natuurlijk, en dat ontgaat ook die managers niet. Ze krijgen, ondanks hun formele macht, bij lange na niet voor elkaar wat ze beogen. En ze voelen dat er meer nodig is, en vooral iets anders: ze moeten echt in overleg met “hun” mensen. Maar daar begint ook de onmacht in het verhaal: ze moeten gaan luisteren maar door de manier waarop ze het georganiseerd hebben en hun karakterstructuur lukt dat niet goed. Ze smeken om feedback, maar wat volgt is een doodse stilte. Inderdaad aandoenlijk.

Dit los je niet meer op door nog meer gedragswetenschap en communicatietrucjes top down de organisatie in te slingeren. Hier is een andere manier van sociale omgang vereist. Dat noem je met recht: sociale innovatie.



donderdag 28 februari 2013

Zwerven en thuiskomen


Afgelopen sjabbat hebben we afscheid genomen van Rabbijn David Lilienthal. Bij die gelegenheid werd gememoreerd dat het gezin van deze rabbijn invloeden van meerdere culturen en nationaliteiten heeft ondergaan. Oorspronkelijk afkomstig uit Duitsland en Zweden, volgden zij studies in Engeland, werkten veertig jaar in Nederland en gaan nu door naar Israël.

Zo’n opsomming van invloeden vind ik altijd indrukwekkend, het geeft het idee van een grote culturele rijkdom. Journalist Wim Boevink beschreef zijn fascinatie daarvoor onlangs naar aanleiding van een gesprek met een Joodse vrouw uit Rostock, “van gemengd Oekraïens, Litouwse afkomst, haar vader een Algerijnse moslim”. Hij laat dat uitlopen op een lyrisch  pleidooi voor alles overbruggende gemengde huwelijken.

Zover ga ik niet, al herken ik zijn fascinatie. Maar het komt me voor dat de buitenwacht, waartoe Boevink en ik behoren, van die veelheid van invloeden meer onder de indruk is dan de betrokkenen zelf. En dat die laatsten het beslist niet alleen maar als rijkdom benoemen, maar ook als verkniptheid, of ontheemdheid, als een gevoel van nergens thuis te zijn.

Hoe meer je familie – al dan niet noodgedwongen – heeft gezworven, des te minder ben je daarvan onder de indruk, lijkt het wel. Amos Oz meent, zo las ik laatst in een interview met hem naar aanleiding van de overwinning van Jaïr Lapid, dat in het hart van veel Israëliërs – bijeengeraapt uit Rusland, Zuid-Amerika, Europa – een diep verlangen leeft naar een normaal, gevestigd leven. Zelfs in het kosmopolitische Tel Aviv “Israelis want to be like Holland”.

Jacob Israël de Haan zei het al: “Die te Amsterdam vaak zei ‘Jeruzalem’ en naar Jeruzalem gedreven kwam / Hij zegt met een mijmrende stem: ‘Amsterdam, Amsterdam’”.

Nog sterker: zelfs naar Zaandam kun je verlangen: “Wat is de Zaan een mooie brede stroom / Ik ben een jongen te Zaandam geweest”.

Zie ook Ontzettend fout en Baas in eigen boek

vrijdag 22 februari 2013

Verzet


Onder de noemer “Ontdek wat poëzie met je doet” presenteerde Trouw een week lang allerlei versregels in groot formaat. Eenregelige, pakkende zinnetjes, afkomstig van diverse Nederlandse dichters.

“Ik slaap maar mijn hart slaapt niet” (Judith Herzberg).

“Wat er geweest is is er steeds nog even” (Gerrit Kouwenaar).

Er stonden op een dag ook de bekende woorden van Remco Campert: “Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden”.

Wat me nu trof, komend vanuit de poëzie, is de vanzelfsprekendheid waarmee in zo’n vers ‘verzet’ als iets goeds wordt neergezet. Daar acht Campert geen inleiding voor nodig, het openingswoord ‘verzet’ verschijnt zonder enige toelichting als iets waardevols, krachtigs en deugdzaams en de rest van het vers is vooral een uitspraak over hoe je tot verzet kunt komen.

Hoe is het mogelijk, dacht ik. Want fungeert verzet in ons dagelijks doen en laten ook als zoiets moois, of juist niet? Ik heb de indruk van niet.

Een tijdje geleden maakte ik verzet mee op mijn werk, en dat verzet was verre van gewenst. Het betrof een boekhoudkwestie. In het kader van de oplevering van de jaarrekening moest inzicht gegeven worden in de besteding van de middelen. Op een gegeven moment was er nog een miljoen Euro niet correct verantwoord. De baas van de boekhouding liep tegen zijn deadline aan en gaf zijn medewerkers opdracht om geen aandacht meer te besteden aan dat miljoen. De meest betrokken boekhoudkundige medewerker had net een gemeentelijke integriteitscursus achter de rug en verzette zich tegen die instructie. Zij stond erop dat de verantwoording van dat geld correct zou plaatsvinden. De baas stelde haar opstelling niet op prijs en dreigde dat haar carrière eronder zou lijden als ze “niets aan haar  houding zou doen”.

Nu zullen er best mensen zijn voor wie het goed is om wat aan hun houding te doen. En de  romantische jaren-zestig ophemeling van verzet om het verzet van de rebel without a cause heeft me nooit aangesproken. Maar deze vrouw had een punt en haar verzet was meer dan terecht, maar de poëzie was ver weg.

Wat me hierin vooral intrigeert is de tegengesteldheid van de lading van een en hetzelfde woord, uitgesproken in verschillende contexten. Wat in de ene context (het gedicht) een vanzelfsprekende wenselijkheid is, is in het andere geval (het werk) op zijn minst twijfelachtig. Kennen wij binnen de sfeer van zo’n gedicht een geheel andere waardering toe aan verzet dan in management en organisatie?

De discrepantie is wel erg groot.

Zie ook Constructief  nee zeggen

vrijdag 15 februari 2013

Zoeksuggesties


Ik las laatst, onder de titel Oerwoudgeluiden van Google, over de automatische zoeksuggesties waarmee Google je zoekvraag aanvult. “Die ongevraagde suggesties zijn, zacht gezegd, nogal suggestief”, vermeldde het NRC-artikel.

Dat kun je inderdaad wel zeggen. Typ het woord ‘Jood’ in, en Google maakt het af met ‘slecht’, ‘gevaarlijk’, ‘varkens’. En ‘rijk’ natuurlijk. Gelukkig staan Joden niet alleen, ook Marokkanen, negers, homo’s en honden kunnen rekenen op prompte negatieve associaties.

Opmerkelijk is dat Google op andere terreinen goed in staat is om onwelgevallige associaties eruit te filteren. Zo leverde het trefwoord ‘gratis downloaden’ niets op. En seksueel getinte trefwoorden vangen ook bot. De auteur probeerde ‘Ik wil por…’ en kreeg ‘Ik wil Portugees leren’.

Dit patroon ken ik ergens van. Namelijk van vroeger, van de Rooms-Katholieke Kerk. Als de kippen erbij om het eigen instituut uit de wind te houden, in de kramp schieten bij de minste toespeling op seks. En geneigd om andere dingen – sociale ongelijkheid, stereotypering en discriminatie van minderheden en andere levensstijlen – maar even aan te zien of te laten lopen. Het patroon is dus de combinatie van acute reactie op het ene, en een lauwe of geen reactie op het andere. Terwijl dat andere in mijn ogen juist een veel hardere reactie verdient.

Zou het iets diep (massa-)menselijks zijn? De weerspiegeling en versterking van wat onder mensen aan vooroordelen leeft. Zoals het zich ook manifesteert bij de aanhangers van de Jeruzalemse voetbalclub Beitar die oerwoudgeluiden schreeuwen tegen de Arabische tegenstanders.

Gaat het hier om een soort Algemeen Menselijk Patroon, de zwaartekracht van ons menselijke bestaan, waar massale instituten zich bijna als vanzelf door laten meesleuren? En waarbij het van het tijdsgewricht en de mate van secularisatie afhangt of dat instituut een volkskerk is of een wereldwijde zoekmachine als Google?

Het blijft oppassen voor minderheden.

Zie ook Waarom Heidegger ons niet verder brengt

vrijdag 8 februari 2013

Voetbal en oorlog


Ook al is sport niet mijn ding, soms kun je er niet omheen. Zelf doe ik niet meer dan een beetje schaatsen en hardlopen maar ik heb het altijd een prima zaak gevonden dat veel mensen er wel wat mee hebben. Om te doen of om naar te kijken. 

Ik vind dat goed omdat sport op een acceptabele manier allerlei menselijke neigingen kan reguleren. Een mens moet toch ergens heen met zijn prestatiezucht, geldingsdrang, agressie,  testosteron. Daar kun je een heleboel van kwijt als deelnemer in sportieve competities, maar ook als toeschouwer of supporter. 

Sport is trouwens niet uniek in de mogelijkheden die het heeft om prestatiezucht en dweperij te reguleren. In feite geldt voor ieder terrein van menselijke activiteit dat men er zijn competitiedrift en prestigebegeerte kan uitleven. Op het gebied van wetenschap net zo goed als op dat van de muziek, het bankwezen of de filosofie. 

Sport is wel uniek vanwege het grote aantal mensen dat erbij betrokken is. Aan dat gegeven ontleent de regulerende werking van de sport vooral haar belang. Immers, alternatieve uitlaatkleppen voor massale agressie en dweperij namen vroeger al gauw de gedaante aan van onderling geweld of oorlog. Je zou de stelling kunnen verdedigen dat door sport er minder onderling geweld is, en misschien zelfs minder oorlogszuchtigheid. 

Totdat de drijfveren die sport met oorlog gemeen heeft zo sterk aan de oppervlakte komen dat de sport zelf op oorlog begint te lijken. Hooligans legden die verbindingen al eerder bloot, de wielrennerij en nu het voetbal vertonen trekken van vooral geheime oorlogsvoering, die niettemin zeer schokkend kan zijn.

Toch heb ik duizend keer liever hooligans, vieze wielrennerij en corrupt voetbal dan de oorlogen van Syrië, Mali of Afghanistan.

Zie ook Fair play

vrijdag 1 februari 2013

Geëngageerd roddelen


Lasjon hara, oftewel kwaadsprekerij, is in de Joodse traditie nadrukkelijk verboden.

Maar dat geldt niet voor roddel, want als dat verboden zou zijn worden grote stukken tekst uit de Bijbel, de Misjna en de Talmoed plotseling onbegrijpelijk. Op veel plaatsen in de teksten gebeurt immers niets anders dan dat. Naar mijn idee is roddel zelfs een kernelement van het Joodse lernen.

Maar dan moet roddelen wel goed begrepen worden. Ik versta daaronder: je opwinden over het gedrag van een ander, zeggen dat iets écht niet kan, verontwaardigd zijn, iets niet eerlijk vinden – of juist wel – en dat op een hartstochtelijke manier. En hardop.

Volgens mij zijn veel stukken Joodse tekst en commentaren geboren uit dat soort gevoelens, opgewekt door het gedrag van aartsvaders of andere volksgenoten. Er wordt uitgebreid de tijd genomen om dat gedrag en die daden van commentaar te voorzien, instemmend of afkeurend. Ik noem dat roddel, maar ik heb daar helemaal geen negatieve connotatie bij. Integendeel, een beetje gemeenschap kan niet zonder. In goede familieverbanden of sociale clubs móet het gedrag van de leden ervan over de tong gaan. Want hoe kom je anders te weten wat je waardevol of slecht vindt. Hoe kom je anders tot morele helderheid? Waar haal je anders je profeten vandaan?

Er wordt behoorlijk wat geoordeeld over sommige Bijbelse figuren, en dat begint al in Tenach. Jacob bijvoorbeeld prijst een aantal van zijn kinderen. Zo noemt hij Josef een vruchtbare wijnstok, Jisachar is een sterke ezel en Naftali een hinde in vrijheid. Maar hij spreekt minder vleiend over een aantal andere zonen. Dan handhaaft het recht, maar is als een adder op het pad. Benjamin heet een verscheurende wolf en over Simon en Levi: zij beramen niets dan geweld.

Dat laatste triggert dan weer de ene na de andere commentator. Ze raken niet uitgepraat over de vraag hoe je dit op moet vatten. Zo bijvoorbeeld Nechama Leibowitz in haar commentaar op Genesis: “Jacob vatte het gedrag van die twee zonen ernstig op. Vele tientallen jaren na de slachting in Sjechem verweet de aartsvader, op zijn doodsbed, Simon en Levi hun afschuwelijke daad, hoewel de hele familie nu veilig en wel gevestigd was in Egypte. Zijn verontwaardiging over de misdaad lijkt niet minder te zijn geworden met het verstrijken van de tijd. Integendeel, het lijkt erop dat Jacobs aanvankelijke reactie vooral pragmatisch was. Zijn zonen hadden de hele familie in gevaar gebracht, aangezien zij immers een minderheid waren, omgeven door vijandige stammen die hen in aantal ver overtroffen. Maar op zijn doodsbed was er geen ruimte voor dat soort overwegingen. Het huis van Israël was veilig nu het de bescherming genoot van de Egyptische onderkoning. Zijn woede is nu gericht op de wreedheid en onrechtvaardigheid van hun daad”.

Een ander fragment waarover veel te doen is betreft een aantijging in Exodus aan het adres van de Israëlieten bij hun uittocht uit Egypte: “Zo beroofden ze de Egyptenaren”. Dat is nogal een uitspraak, daar kunnen commentatoren niet licht aan voorbijgaan. Dus daar is veel over geschreven en gezegd. En gelukkig biedt de tekst allerlei aanknopingspunten voor een relativering van de diefstal, al heb ik soms liever de ongezouten aantijging dan ongeloofwaardige vergoelijkingen van latere generaties.

Maar duidelijk is wel dat de inzet in veel van de discussies de vraag is: is het nou netjes gegaan of niet? Als roddel zo opgevat wordt, dan mag het. Ik noem het geëngageerde roddel.

Zie ook Bekvechten en Geschiedenis in het kwadraat

vrijdag 25 januari 2013

(On)reinheid


Vaag wist ik het wel, maar zo precies als het door Stuart Isacoff beschreven wordt in Het octaaf heb ik het me nooit gerealiseerd. Dat de verwerving van ons tonale systeem – waarin we lenig moduleren door alle toonsoorten heen en zo de meest prachtige muzikale bouwwerken produceren – de uitkomst is van een forse strijd, en dat die strijd verliep langs theologisch en filosofisch gekleurde lijnen. Het verhaal van die strijd laat zich lezen als een uit klank gebouwde versie van een groter verhaal. Zo je wilt een bevrijdingsverhaal dat raakvlakken heeft met de emancipatie van de westerse mens uit de bevoogding door de Griekse klassieken en de Christelijke kerk.

Het verhaal begint met opvattingen en met een probleem. De opvattingen behelzen de gedachte – gebaseerd op Pythagoras en Plato – dat muziek de weerspiegeling is van een volgens harmonieuze wiskundige verhoudingen ingericht heelal. Muziek moet daardoor opgebouwd zijn uit intervallen van zuivere verhoudingen zoals de reine kwint (3:2) en de reine kwart (4:3).

Het probleem hiermee was dat de formules van Pythagoras geen ruimte boden voor enkele zeer populaire harmonieën: de grote tertsen, de kleine tertsen en hun tegenhangers, de sexten. Deze intervallen waren zo gewild omdat ze muziek intiemer, sensueler en expressiever maakten. Maar het gebruik ervan maakte veel discussie los, omdat volgens tegenstanders deze intervallen niet pasten in de door Pythagoras en de kerk gepostuleerde wereldorde.

Voor dit probleem waren wel oplossingen. Die bestonden erin dat in de muzikale praktijk meer of minder gesjoemeld werd met de zuiverheid van de intervallen. Bij snaarinstrumenten kon dat doordat de muzikant de toonhoogte zelf moet vormen en steeds iets hoger of lager kan mikken. Zangers konden dat eveneens door hun toonhoogte constant iets aan te passen om de diverse intervallen zo harmonisch mogelijk te laten samenklinken.

Dit waren pragmatische oplossingen waarbij het probleem niet op scherp gezet werd en de bewakers van de straffe wiskundige orde niet werden uitgedaagd. Maar die oplossingen waren halfbakken, want zangers werden ook begeleid door orgels en er werd muziek geschreven voor strijkers met klavecimbelbegeleiding. En met toetsinstrumenten zoals orgel en klavecimbel kun je onder het spelen niet rommelen met de toonhoogte zoals dat kan bij een stem of een snaar. Toetsinstrumenten moeten van te voren goed gestemd staan, en als je daar tertsen op wilt spelen dan moet je ze bewust anders stemmen dan wanneer er alleen kwinten en kwarten hoeven te klinken.

Deze technische noodzaak liet minder ruimte voor pragmatisme, het vraagstuk van de juiste stemming was ook behoorlijk theoretisch van aard. Het trok daardoor al gauw de aandacht en de bemoeienis van al dan niet zelf benoemde bewaarders van de door God ingestelde orde. En die maakten principieel bezwaar tegen iedere inbreuk op de zuivere wiskundige verhoudingen.

Ondertussen kroop het bloed waar het niet gaan mocht en probeerden musici allerlei stemmingen uit op toetsinstrumenten. Daarin werden concessies gedaan aan de reinheid van de intervallen omwille van de mogelijkheid om onbeperkt allerlei kwinten, kwarten, tertsen en octaven met elkaar te kunnen verbinden zonder dat het gierend vals werd.

De tegenstanders were not amused. De 16e eeuwse muziektheoreticus Gioseffo Zarlino meende, evenals vele anderen, dat zangers van nature reine intervallen zingen en dat de nieuwe stemmingen de eenheid van de wereld bedreigden. Hij was gekrenkt toen Vincenzo Galilei (de vader van Galileo Galilei) vaststelde dat zangers in de praktijk afwisselend alle stemmingen door elkaar heen gebruiken omdat ze voortdurend op zoek zijn naar een mooie samenklank. Galilei verweet Zarlino dat hij streed voor een illusie en dat de muziek volledig verlost diende te worden van de tirannie van het onschendbare getal.

Rousseau koos ook positie in het debat en wel voor zijn eigen variant op de kosmische orde. Daarin fungeerde muziek als een oerkracht die beslist verdedigd moest worden tegen de bijgeschaafde en daarom decadente experimentele stemmingen. Zelfs Newton, die in zijn natuurkundige werk moedig genoeg was om de wereld te beschrijven zoals die is in plaats van zoals die volgens de overlevering zou moeten zijn, toonde zich hier behoudend: “Het is filosofen onwaardig om de zuivere verhoudingen aan te tasten”, vond hij.

Met name in het beroep dat hier gedaan wordt op de onaantastbaarheid van een goddelijk-natuurlijke orde – tegen de feitelijk beleefde of gezochte praxis van mensen in – is een parallel te trekken tussen wat er in de muziek gebeurd is en wat zich op andere terreinen nog steeds afspeelt. Ik denk hierbij aan bepaalde vertegenwoordigers van de gevestigde orde die homosexualiteit als onnatuurlijk bestempelen en daarmee als ongewenst. Of aan managers die nauwelijks oog hebben voor de feitelijke onderstromen in hun organisatie omdat de door hen bedachte orde daarvoor geen plaats inruimt.

Zo bezien kun je de muzikale strijd tégen de reinheidsillusie en vóór de veelvormigheid van de geleefde praktijk wel een Europees modelproject noemen. En gelukkig is die strijd goed afgelopen. De fysicus Daniel Bernoulli kon eind 17e eeuw aantonen dat iedere toon boventonen produceert en dat de reeks boventonen die we ‘boven’ de basistoon van een snaar horen veel groter is dan aanvankelijk werd gedacht. Isacoff: “Deze aanvullende klanken vormen een eindeloze uitbreiding van de reeks met tonen die over het algemeen niet harmonieus zijn. Alle trillende lichamen drijven dus van nature in een grote zee van dissonanten. Het idee dat de natuur een voorkeur heeft voor reine harmonieën was, naar het zich liet aanzien, voorgoed van het toneel verdreven”.

Zie ook Edelkitsch en Orde

vrijdag 18 januari 2013

Collectief en individu


De verhouding tussen collectief en individu kan ingewikkeld zijn. In de film Life of Brian roept de menigte luid “We are all individuals” en bevestigt precies op die manier haar kuddekarakter. 

Bij (andere) Joden is het soms andersom. Die horen bij elkaar in een sjoel of  in Israël en zeggen met elkaar verbonden te zijn door een gedeelde traditie maar laten vervolgens geen gelegenheid onbenut om eigen individuele standpunten te benadrukken. 

Het is interessant om de verhouding individu versus collectief door de geschiedenis heen te bekijken voor enerzijds de Joodse en anderzijds de Christelijke traditie. Dan blijkt dat de twee tradities op dit thema vaak met elkaar uit fase zijn, maar soms juist precies gelijk.

Voor de periode waar de vergelijking voor het eerst gemaakt kan worden, zo’n tweeduizend jaar geleden, zou ik zeggen dat de twee tradities uit fase liggen met elkaar. In de Joodse wordt sterk het leren benadrukt, als een plicht die rust op ieder individu. In de Christelijke wordt het collectieve belijden van het nieuwe geloof gestimuleerd onder de leiding van geestelijken die het volk vertellen wat dat geloof moet inhouden.

Vanaf de late Middeleeuwen en de Renaissance groeiden Jodendom en Christendom op dit gebied naar elkaar toe. In het Westen kwam het humanisme tot bloei, met grote aandacht voor de ontwikkeling en zelfstandigheid van het individu. Die trend werd alleen maar sterker met de Verlichting in de 18e en de Romantiek in de 19e eeuw. 

Veel Joden voelden zich aangetrokken door die ontwikkeling en voegden zich met enthousiasme in het streven naar grotere individuele vrijheid en burgerschap van de omringende cultuur. Het emancipatiestreven van de Joden ging gelijk op met dat van andere groepen in de samenleving en van de burgerij als geheel. 

In onze eigen tijd lijken de ontwikkelingen weer enigszins uit fase te zijn. Christenen klagen op dit moment dat het collectieve verhaal kwijt is, dat de samenleving alleen nog maar uit individuen bestaat. Wat dat individu nu precies verbindt met zijn medeburgers, aldus de filosoof Marcel Gauchet, en hoe hij zich verhoudt tot de staat is ondergeschikt geraakt aan de verdediging van zijn eigen vrijheid. Die mag door niets en niemand beperkt worden.

Omgekeerd ontdekten Joden in de twintigste eeuw, al voor de Sjoa, opnieuw hun collectiviteit. Dat kreeg vooral vorm in de Zionistische beweging en de stichting van Israël.  Joden laten zich over het algemeen nog steeds niet veel vertellen, ook niet door hun mede-Joden. Maar ondertussen blijft de Joodse traditie levend en is Israël met al zijn tekortkomingen een bloeiend land.  Paradoxaal genoeg tekent zich daarin een grote verbondenheid af. 

Misschien is het wel de verbondenheid van iedereen die zich niet de mond laat snoeren: dat schept  een band. Maar als dat zo is, dan zullen de Christelijke en de Joodse wereld op een gegeven moment weer op één lijn liggen. Want dat je eigen stem gehoord wordt, is dat niet een universeel menselijk verlangen? Of zoals David Grossman het laatst zei in Utrecht: het minste wat je ieder mens moet toekennen is de gelegenheid om zich uit te spreken in zijn eigen woorden over zijn eigen dingen.

Zie ook Parrèsia, Fatsoen en identiteit en Bewaak het perspectief