vrijdag 30 oktober 2015

Wittgenstein als Talmoedist


Het ligt niet voor de hand om Wittgenstein in verband te brengen met Talmoedisch denken. Hijzelf zou als eerste bezwaar maken omdat hij niet graag aan zijn Joodse afkomst herinnerd wilde worden. En daarnaast omdat in Wittgensteins eigen ogen helder denken zijn handelsmerk was terwijl de Talmoedische redeneertrant, zeker in zijn tijd, doorging voor obscuur en onnavolgbaar. Daar wilde hij dus niets mee te maken hebben.

Maar met Wittgenstein is wel wat aan de hand. Zijn aanvankelijke streven naar spatzuivere, lineaire logica en eenduidige waarheid maakte op een gegeven moment plaats voor de overtuiging dat er meerdere contextgebonden logica’s in meervoud naast elkaar konden bestaan. ‘De’ waarheid was zijn doel niet meer, eerder helderheid in het praktische gebruik van woorden en taal. Deze verandering in Wittgensteins denken is de oorzaak van het vrij gangbare onderscheid dat wordt gemaakt tussen een vroege en een late Wittgenstein.

De genoemde koerswijziging in zijn filosofie valt niet bij iedereen even goed en sommigen zijn zelfs geneigd Wittgensteins late filosofie als obscuur en onnavolgbaar te betitelen. Zo meende Bertrand Russell, groot fan van de vroege Wittgenstein, dat de latere Wittgenstein de filosofische zoektocht naar ware kennis gewoonweg opgaf en daarmee verzaakte aan de plicht van een filosoof. Volgens Ernest Gellner leidt de late Wittgenstein tot relativisme of conservatisme.

Anderen, zoals John Austin en Gilbert Ryle, volgen enthousiast in Wittgensteins voetspoor. In Nederland prijst Bert Keizer hem om de revolutionaire breuk met Plato die Wittgenstein voltrekt.

Ik behoor tot de tweede groep. Weliswaar heb ik enige reserve als het gaat om een mogelijk conservatief effect van Wittgensteins werk, maar over het geheel genomen vind ik het verfrissend en ontspannend. Het opmerkelijke daarbij is dat mijn waardering een aantal elementen betreft die ik ook aantref en waardeer in de stijl van de Talmoed. Daardoor staat wat mij betreft Wittgensteins denken dichter bij het Talmoedische denken dan in het algemeen onderkend wordt, en dan hem zelf lief geweest was.

Waar denk ik aan als ik dat zeg? Wat zijn dan die mogelijk parallelle elementen? Ik denk aan twee dingen: een pragmatische interesse in het zoeken van begaanbare paden en het afzien van de notie van ‘de’ waarheid.

Voor de late Wittgenstein is het criterium voor bepaling van de ‘juiste visie’ de vraag of we ermee uit de voeten kunnen. Hij vraagt zich af wat er nodig is om uit de voeten te kunnen met een visie, en hoe je kunt handelen overeenkomstig wat de situatie van je vraagt. Wittgenstein doet dus heel bewust geen beroep op algemeen geldende waarheid als criterium voor handelen, zijn criterium is pragmatisch van aard.

Vraag niet wat een ding is, zo is zijn adagium, maar kijk hoe we erover spreken en ermee handelen. Zo doende komt hij uit bij contextgebonden betekenissen van taal, de betekenis van een woord is het gebruik ervan. “To know how to go on” is waar het om gaat. Wie er gelijk heeft is afhankelijk van het spel dat je speelt.

Neem bijvoorbeeld de maatschappelijke discussie over roken. Denkers in de lijn van de late Wittgenstein bekommeren zich niet zozeer over wat nu de wetenschappelijke waarheid is op dit vlak. Dus over de vraag of het sluitend bewezen is dat roken gezondheidsschade oplevert, en hoe dan precies.

Die denkers vragen zich wél af wat er maatschappelijk als feit geaccepteerd wordt, op basis waarvan wij feitelijk (kunnen) handelen. Zoals: dat we genoeg meegemaakt hebben om een verband tussen roken en longkanker aan te nemen, en geneigd zijn een zekere verantwoordelijkheid te leggen bij tabaksproducenten. En dat in de loop van de tijd andere accenten gelegd kunnen worden. Het gesprek over roken wordt op deze manier dus eerder een praktisch-normatieve vraag dan een waarheidskwestie.

In de Talmoed kunnen discussies op dezelfde manier verlopen. Een centraal criterium voor Talmoedische uitspraken is eveneens de vraag of er een begaanbaar pad tevoorschijn komt. Niet voor niets is het woord ‘halacha’ (het geheel van rabbijnse voorschriften) afgeleid van het werkwoord ‘gaan’. En als het je te doen is om een collectief begaanbaar pad, dan kan een set van richtinggevende voorschriften en omgangsvormen handiger zijn dan de beschikbaarheid van een massieve waarheid.

Een voorbeeld van Talmoedisch redeneren is de behandeling van de vraag of een bepaalde oven koosjer is of niet. Rabbi Eliëzer doet voor zijn beantwoording van die vraag een beroep op goddelijke waarheid, en ter onderstreping daarvan weet hij God te bewegen tot allerlei bovennatuurlijke tekenen: “Als ik gelijk heb”, zegt Rabbi Eliëzer, “zal nu deze boom ontworteld worden en die rivier de andere kant op gaan stromen”, en het gebeurt nog ook. Maar de andere rabbijnen in de vergadering blijken geen boodschap te hebben aan die waarheid. “We besteden geen aandacht aan een hemelse stem, want U, Eeuwige, heeft lang geleden op de berg Sinaï geschreven in de Tora: Volg de meerderheid”. Gewoon democratisch beslissen dus, zonder goddelijke inmenging.

Opmerkelijk is dat een dergelijke manier van redeneren zowel in het geval van de Talmoed als in het geval van de Filosofische Onderzoekingen (van de late Wittgenstein) doorwerkt in de stijl waarin die boeken geschreven zijn. Beide hebben een springerig karakter waarbij redeneringen zich eerder via associaties voltrekken dan via een streng logische, lineaire opbouw. Verder is er in beide werken veel aandacht voor individuele, specifieke situaties en  gevallen. Bij Wittgenstein is dat een bewust gekozen stijl: hij spreekt veroordelend over de ‘minachting voor het individuele geval’ en hij bestrijdt de menselijke neiging om te generaliseren. “I’ll teach you differences”, zegt Wittgenstein, een streven dat aan de Talmoed ook wel toegeschreven kan worden.

Een onuitwisbaar verschil blijft dat in de Talmoed de mogelijkheid van herleiding van uitspraken tot een Bijbelvers vereist is. Dat stuwt de associatieve wijze van denken van de rabbijnen tot grote hoogte, maar de mate waarin men zich daarbij in bochten wringt zou Wittgenstein ongetwijfeld te zeer tegen de borst stoten.

Blijft staan dat zowel Wittgenstein als de Talmoed beogen om met hun ordenend werk de geleefde menselijke praktijken te verhelderen en ondersteunen. Wie weet, als Wittgenstein niet gehinderd was door tijdgebonden vooroordelen tegen de Talmoed zou hij de parallellen misschien wel onderkend hebben.

Zie ook Het draagbare vaderland en Ik-lit

donderdag 22 oktober 2015

Ik-lit


Naema Tahir noemde laatst Die Welt von Gestern van Stefan Zweig een van de mooiste boeken die ze gelezen had. Voor mij geldt dat eigenlijk ook wel. Het is 35 jaar geleden dat ik het las, maar de leerzaamheid en het indringende genot ervan staan me nog scherp voor de geest.

Maar met de gedachten die ze daar vervolgens aan verbindt ben ik het geheel niet eens. Zij meent dat Zweig dat grootse effect bereikt doordat hij aan de buitenkant blijft: hij observeert zijn omgeving en styleert op een meesterlijke manier zijn bevindingen. Hij spreekt niet over zichzelf en die beheerste afstand creëert diepte en kunst.

Ze zet dat af tegen de tendens van moderne literatuur om uitgebreid in te gaan op het innerlijke leven van de auteur zelf, inclusief de lichamelijke en seksuele aspecten van het privé-leven. Zij noemt dat ‘ik-lit’, met Karl Ove Knausgård en Jonathan Littell als hedendaagse exponenten daarvan, en ze verfoeit het. In de eerste plaats omdat ze de vele seksuele details weerzinwikkend vindt. Maar in de tweede plaats, zoals ze zegt, omdat het innerlijk leven van een ander niet relevant zou zijn voor een lezer. En, naar ik op basis van de toon van het stuk vermoed, in de derde plaats om de aloude moralistische reden dat aandacht voor je eigen innerlijk egocentrisch is.

Bij Tahirs eerste argument kan ik me wel wat voorstellen: ik vind het vaak ook bepaald niet aangenaam om bijvoorbeeld de details van andermans seksleven opgediend te krijgen. Maar met haar tweede argument, namelijk dat het niet relevant zou zijn, ben ik het niet eens. Om die reden ben ik het ook hartgrondig oneens met haar normatieve, veroordelende afwijzing.

Ik ben bang dat Tahirs overwegingen net iets te veel afkomstig zijn uit de wereld van gisteren waarheen ze zich door Zweig heeft laten meevoeren. Die wereld van uitwendige beheersing, elegante maar dwingende objectiviteit, afstand en stylering is volstrekt achterhaald, zo is mijn overtuiging. Die drijft te zeer op elementen die onherstelbaar voorbij zijn zoals orde-denken en de vooronderstelling van een kosmische harmonie die je via beheersing en desnoods met enig geweld dichterbij kunt brengen. Kortom, op een in essentie platoonse opvatting van de wereld.

Dat onderliggende wereldbeeld is gedurende de afgelopen eeuw zijn geloofwaardigheid kwijtgeraakt. Voor het Westen is maatschappelijk gezien tot op de dag van vandaag de inmiddels tachtig jaar oude ontaarding van onze politieke orde in nazisme en stalinisme een onverbiddelijk kantelpunt gebleken. De diep in het Westerse denken verankerde hang naar objectieve orde en beheersing heeft in de ogen van veel deskundigen mede die totalitaire regimes mogelijk gemaakt.

Parallel daaraan is door de psycho-analyse en andere menswetenschappen het inzicht in onszelf en onze vaak troebele drijfveren inmiddels dermate overweldigend, dat het gepoetste  gentlemanbestaan van Zweig voor ons voorgoed onbereikbaar is geworden, maar eigenlijk ook als onrealistisch en daardoor onwenselijk is gaan gelden. Er zit voor ons niets anders op dan af te dalen in onze troebele levens, dus onze literatuur doet dat dus ook.

En ja, dat kan allerlei onthullingen opleveren waar Tahir van gruwt, zoals de vaststelling door een recente biograaf dat Zweig een potloodventer was. “Dat wil en hoor ik niet te weten”,  roept zij uit, “het is een soort bezoedeling.” Het vertroebelt de schoonheid en het is niet relevant.

Ik zou daarentegen zeggen: alleen al het feit dat haar verheven beeld erdoor onderuit gehaald kan worden maakt de onthulling relevant. Eerlijk gezegd vind ik de aandacht voor het innerlijk leven in ál zijn aspecten, en niet alleen de verhevene, wel een vooruitgang. Niet dat ik Knausgård ga lezen, maar de tendens dat moderne mensen proberen zo goed mogelijk te dealen met hun misschien weinig hoogstaande maar wel alledaagse lichamelijke, seksuele en geestelijke behoeften vind ik goed. En de onderkenning van de duistere diversiteit van menselijke strevingen zie ik als winst. Het is op den duur een beter middel tot het afwenden van sociale chaos dan de beheersende werking van een uitwendig beschavingsideaal.

Immers, hoe komen wij anders ooit uit die vaak steriele, objectiverende, communicatief arme sfeer op onze kantoren, scholen en universiteiten, dan doordat we systematisch onszelf als subject onder de loep nemen en uitdrukken? Dat als egocentrisch af te doen noem ik ouderwets normatief. Graag haal ik in dit verband Wittgenstein aan, in gesprek met Friedrich Waismann: “At the end of my lecture on ethics I spoke in the first person: I think that this is something very essential. Here there is nothing to be stated any more; all I can do is to step forth as an individual and speak in the first person.”

La belle époque ligt definitief in het verleden. Maar dat verlies kan heel leefbaar zijn en alleen maar leefbaarder worden als we ons innerlijk leven er meer in betrekken. Zo veel geloof in een zekere orde heb ik nog wel.

Zie ook Parrèsia, Ontsnapping en Goudmijn

donderdag 15 oktober 2015

Levinas en calculatie


Het gaat veel over emoties de laatste weken. Ze vliegen je om de oren: mededogen, angst, afkeer, enthousiasme, allemaal getriggerd door de toestroom van vluchtelingen. De commotie gaat gepaard met de nodige verstandige commentaren die oproepen tot beteugeling van de emoties met behulp van de ratio.

Zoals bijvoorbeeld dat van Nelleke Noordervliet in Trouw: “De emotie regeert. De ratio heeft er een hele kluif aan om dat monster te temmen. In wezen schelen de misselijke tweets over verdronken vluchtelingen niet heel veel van een zending knuffels.”

En Kim Putters, directeur van het SCP meent dat, “of je nu de grenzen wilt sluiten of enorme barmhartigheid toont”, we moeten waarschijnlijk nieuwe democratische methodes ontwikkelen om met deze problemen om te gaan.

Laat de verschillende emoties maar met elkaar de strijd aangaan, denk ik dan, ook binnen ieder individu afzonderlijk. De uitkomst van die strijd zal waarschijnlijk allerlei tussenposities opleveren, die op zichzelf weer een opstap naar meer ratio kunnen vormen.

Ondertussen moeten we niet doen alsof er niet gekozen hoeft te worden of gekozen wordt. Het Rode Kruis suggereert iets dergelijks in zijn advertenties in kranten en voor de radio, met de leus ‘Laat ons niet kiezen’.

Dat vind ik een ernstig misleidende leus, want natuurlijk wordt er voortdurend gekozen. Politici, van Merkel tot Orban, doen dat op dagelijkse basis door grenzen een beetje meer open en dicht te doen. De UNHCR selecteert vluchtelingen in de regio voor herhuisvesting in Europa en gaat daarbij uit van ‘objectieve criteria’, niet van het ‘subjectief verlangen’ van de vluchteling. En het toeval selecteert doordat sommige mensen net op het goede tijdstip op de goede plek zijn en anderen niet. Ik zou niet weten hoe dat anders kan. Niet iedereen kan hier komen, dat is nu juist de tragiek achter het hele gebeuren.

De utopie van het Rode Kruis gaat uit van dezelfde maakbaarheid als de journalist Ron Frese die laatst de minister-president indringend aankeek en vroeg: “Meneer Rutte, u bent toch wel in control?”. Dat maakbaarheidsdenken staat ver af van het noodgedwongen altijd utilistisch gekleurde handelen van de politiek. Daarin is bepalend wat haalbaar is voor het grootste aantal mensen, burgers en migranten, en daarbij ga je dus altijd uit van een bepaalde mate van collateral damage. Het is een vorm van calculatie.

Moet zoiets mijn favoriete filosoof Levinas, en daarmee mijzelf, niet recht tegen de haren instrijken? Dit staat toch haaks op de aandacht die Levinas vraagt voor de andere mens?

Ja, dat staat het zeker. En al helemaal als je Levinas zo uitlegt dat je voor ieder mens overal en altijd klaar moet staan. Nu leg ik hem niet zo uit, maar dan nog blijft een complicatie in zijn filosofie dat de Ander die ik tegenkom concurrentie kan krijgen van nog een Ander die ik tegenkom, van meerdere Anderen ook. Tegenover hen heb ik ook de absolute verplichtingen waar Levinas het over heeft, maar daardoor worden tegelijkertijd de verschillende verplichtingen enigszins gerelativeerd.

Levinas onderkent deze sociaal-politieke complicatie en loopt er niet voor weg. Maar hij biedt ook geen nieuw gezichtspunt en voegt zich op dit punt simpelweg in de Westerse politiek-filosofische traditie. Die houdt zich al eeuwen bezig met reflectie op afweging van alle concurrerende verplichtingen die mensen tegenover elkaar kunnen hebben. Levinas omarmt met enthousiasme de politieke en rechtsstatelijke instituties van onze samenleving waar die afweging plaats vindt. Hij acht het bestaan daarvan van zeer groot belang.

Als zijn toegevoegde waarde valt wél te beschouwen dat hij laat zien dat die enigszins kille sociaal-politieke belangenafweging nooit zomaar goed is. Door de afweging en de bijbehorende calculatie, worden de oorspronkelijke morele verplichtingen altijd in zekere mate verraden. Hoe zegenrijk het werk van onze wetgevers, rechters en wetenschappers ook is, de zelfgenoegzaamheid die die instituties soms vertonen is wat Levinas betreft per definitie misplaatst. En de stabiliteit en kwaliteit van hun producten hebben een hoog illusiegehalte, gemeten naar de vraag of de oorspronkelijke morele verplichting niet te veel geweld wordt aangedaan. Levinas wordt niet moe daar aandacht voor te vragen.

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk? en Het totalitarisme is onder ons

dinsdag 6 oktober 2015

Zo logisch als wat


Eigenlijk is het zo logisch als wat: in een tijd van maximale mondigheid en geletterdheid zal de animo slinken voor gedachtegoed waarin vooraf bepaald is wat je wel of niet mag denken.

Vraag toch niet of het allemaal wel waar is wat de Bijbel zegt, is de remedie die bestuurder Arjan Plaisier van de Protestantse Kerk in Nederland zijn leden aanbeveelt.

Maar het zou wel eens precies die censurerende Christelijke reflex kunnen zijn die de kerk in een ontwikkelde samenleving op achterstand zet. Want zo wil een denkend mens toch niet worden toegesproken?

Ik snap wel wat Plaisier bedoelt. Namelijk dat het zo lekker is om je te kunnen overgeven aan een bepaalde traditie en bijbehorend gedachtegoed. Maar in een beetje mondige samenleving zal die traditie niet te veel bizarre en gekunstelde basisideeën moeten omvatten, want daarmee blijf je de mensen prikkelen tot de vragen die je niet wilt.

Zie ook Waar of raar en Plato ontzenuwd?

zaterdag 3 oktober 2015

Gevoel voor verhoudingen


Met terugwerkende kracht ben ik verbijsterd over de selectieve verontwaardiging van links-activistisch Nederland als het gaat om schendingen van de mensenrechten in het Midden-Oosten. Vijftig jaar lang is alle aandacht uitgegaan naar Israël en de Palestijnen en geen demonstratie of poster besteed aan de mensenrechtenschendingen vijftig kilometer verderop naar het Oosten in Syrië onder de Assads of iets verder in Irak onder Saddam.

Terwijl die schendingen qua aantallen en bruutheid de Israëlische schendingen vele malen overtroffen. Zo werd mij (trouwens niet voor het eerst) weer indringend duidelijk gemaakt door het artikel “Syrië: een kaalslag en geen einde” van Marcel Kurpershoek in NRC. De organisatie van de Syrische politiestaat was een klasse apart, martelingen waren aan de orde van de dag en de repressie van rebellen was meedogenloos met bijvoorbeeld tienduizenden doden in de stad Hama in 1982. In het land van Saddam Hoessein was het niet anders.

De verklaring voor die selectieve verontwaardiging moet zijn dat bekendheid met de Israëlische schendingen groter was, en dat de toegankelijkheid tot vrije nieuwsgaring in het gebied Israël/Palestina beter is. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat Israël met zijn schendingen over zijn territoriale grenzen heen ging, al dan niet als gevolg van opgedrongen oorlogen. Terwijl het geweld in Syrië en Irak binnenlandse aangelegenheden waren die ‘alleen maar’ de eigen bevolking raakten. Maar meestal tellen dat soort internationaal-rechtelijke overwegingen niet voor linkse activisten die onrecht aan de kaak willen stellen. De enige verklaring die ik kan bedenken voor de vijftigjarige stilte inzake Syrië en Irak op het activistische front moet dus wel zijn: een blinde vlek voor de gebieden buiten Israël.

Ik noem dat een slecht gevoel voor verhoudingen. En dat gold niet alleen voor de afgelopen vijftig jaar, maar ook voor het recente verleden. De 2000 doden van de Gaza-oorlog van vorig jaar zijn er 2000 te veel maar het is een ander aantal dan de 260.000 eigen burgers die Assad de laatste vier jaar heeft omgebracht. Toch sloeg hier in Nederland bijna de vlam in de pan door het eerste en op geen enkele manier door het tweede.

Terwijl de Syriërs het verschil in omgekeerde zin onderschrijven door Assad te ontvluchten en in grote aantallen hierheen te komen. Dat zie ik de Palestijnen voorlopig nog niet doen. Over gevoel voor verhoudingen gesproken.

Zie ook Ontspoorde ideologie en Zo gek nog niet

donderdag 24 september 2015

Vernedering is nooit goed


Deze week dacht ik: dit gaat helemaal mis. Ik bedoel niet dat wij – Nederland, Duitsland, België, Frankrijk – te veel vluchtelingen opnemen, want dat weet ik niet. Misschien kunnen we het wel aan.

Ik bedoel ook niet dat andere landen – Hongarije, Tsjechië, Israël – ten onrechte de boot afhouden, want daar kunnen ze redenen voor hebben.

Ik doel vooral op de verwijten die binnen de EU door het rijke en doorontwikkelde Westen gemaakt worden aan het armere en minder ontwikkelde Oosten. Zo wordt er gezegd dat Hongarije “asociaal” en “inhumaan” is, en dat de Oost-Europese landen met hun verzet tegen verplichte quota “niet het Europa van de 21e eeuw” vertegenwoordigen.

Zijn hier niet de meest dodelijke ingrediënten die kunnen spelen in de interactie tussen mensen en staten alweer volop actief? De morele en culturele superioriteit van het Westen en de ‘primitiviteit’ van de weerbarstige landen zijn terugkerende thema’s. En daarmee is vernedering aan de orde van de dag.

Dit is zo kwalijk omdat met een iets meer historische blik op onze eigen culturele en maatschappelijke ontwikkelingen goed begrijpelijk wordt dat de Oost-Europese landen doen wat ze doen. Hoezeer worstelen wij niet met de integratie van nieuwkomers, terwijl we daar al vijftig jaar aan werken. Bondskanselier Merkel noemde nog een paar jaar geleden de integratie “mislukt”. Dat ben ik niet met haar eens, ik vind dat het op tal van gebieden goed gaat, maar laten we wel vaststellen dat we daar vijftig jaar voor nodig hebben gehad. Die ervaring hebben de Oost-Europese landen niet. En Israël al helemaal niet, omdat voor zo’n ontwikkeling vrede een eerste vereiste is, onder andere met Syrië.

Verder hebben de zeventig jaar durende na-oorlogse vrede en welvaart de autochtone West-Europese bevolking geholpen om voor het eerst in de wereldgeschiedenis totaal anders te denken over geloof, traditie, seksualiteit en identiteit. Vergeet niet met hoeveel schokken dat gepaard is gegaan, van de rebellie van de eerste welvaartsgeneratie in de jaren zestig, via massale ontkerkelijking, de revolte van Pim Fortuin tot aan de huidige discussie rondom Zwarte Piet.

Een dergelijke cultureel-maatschappelijke ontwikkeling kan blijkbaar pas goed van de grond komen na een periode van 20 à 25 jaar vrede en stabiliteit, precies het punt waar Oost-Europa nu pas staat. Daar komt bij dat Hongarije en Roemenië slechte ervaringen hebben met de moeilijk integreerbare Roma. Hoe moreel – of gewoon: verstandig – is het om waar wij zeventig jaar de tijd voor hebben gehad, na vijfentwintig jaar te eisen van anderen?

Europa zal zijn lidstaten moeten behandelen zoals een staat zijn onderdanen. Geen staat zal onderdanen snel verplichten om vluchtelingen in huis te nemen. Degenen die het kunnen en willen moeten dat vooral doen. Maar degenen die om wat voor reden dan ook daar niet klaar voor zijn – leven niet op de rails, trauma’s, armoede – mogen niet gedwongen worden. En zeker niet met een beroep op 21e eeuwse in Westerse vrede en welvaart gevormde morele standaarden die ineens universeel zouden zijn.

Die laatste pretentie kan niet anders dan vernederend werken. En weet dat betweterige Westen nu nóg niet wat dat betekent?

Zie ook Weerzin tegen het Westen, Plato ontzenuwd? en Onvolwassen

vrijdag 18 september 2015

Basisinkomen


Ik was destijds – dertig jaar geleden – wel geholpen geweest met een basisinkomen, denk ik. Ik was namelijk tamelijk wanhopig over mijn mogelijkheden om de kost te verdienen. En dan konden mensen wel zeggen: het gaat er niet om wat je hebt of wat je verdient maar om wie je bent. Maar dat klinkt pas oprecht als de middelen erbij geleverd worden. En dat is precies wat een basisinkomen doet.

Dus als ik mezelf voorstander noem van de invoering van een basisinkomen, heb ik daarvoor mijn eigen motieven. Het gaat mij bijvoorbeeld niet, zoals bij anderen, om het realiseren van een grotere gelijkheid. Dat vind ik zeker nastrevenswaardig, maar invoering van een basisinkomen zou daar niet voor kunnen zorgen. De één zou namelijk zijn basisinkomen beschouwen als niet meer dan een beginnetje en dat met al dan niet hard werken fors willen aanvullen. De ander zou ermee tevreden zijn en zijn tijd besteden aan kunst of luieren of tuinieren. Per saldo houd je op die manier grote verschillen.

Het zou mij ook niet gaan om een antwoord op de robotisering, dat wil zeggen de door sommigen aangekondigde verdringing van menselijke arbeid door robots en computers. Want weer andere deskundigen menen dat wij in het Westen op grote schaal arbeidskrachten te kort gaan komen, een argument dat op dit moment een rol speelt bij de massale toelating van migranten.

Het zou mij wél gaan om de mogelijkheid om een innerlijk te kunnen bewaren dat niet geheel exploitabel is. Dat je niet, zoals de liturgie van de Joodse Hoge Feestdagen zo mooi zegt, ‘je ziel hoeft te verkopen voor brood’. Dat je de keuze zou kunnen maken van de dichter Mustafa Stitou: “Het liefste zou ik de hele dag lezen, nadenken, schrijven over wat het is…ik wilde bijna zeggen: om mens te zijn…maar ik bedoel: om déze mens te zijn”. Precies dat waar Joost Zwagerman misschien wel wanhopig naar op zoek was.

In een interview vertelt Stitou dat hij kunst en vliegwerk moet verrichten om voor zichzelf die ruimte in stand te houden. Dat hij geen gezin hoeft te onderhouden en weinig nodig heeft, maar zich toch steeds voor zijn keuze moet verantwoorden. Misschien is een basisinkomen precies dát: een breuk met het economistische denken dat achter die verantwoordingsdruk schuil gaat.

Zie ook De dominante economie, Het nut van geschiedenis en Baan kwijt

vrijdag 11 september 2015

Levinas zoals ik hem begrijp


Bondskanselier Merkel moet oppassen dat ze niet te ver voor de troepen uit loopt. Maar verder heeft het wel wat dat er zoveel mensen te hulp schieten. Vrijwilligers die brood uitdelen aan vluchtelingen bij grensovergangen, artsen en vertalers die vluchtelingen verwelkomen in Duitse asielzoekerscentra, gemeenten die extra opvang improviseren.

Tenminste, zolang het niet simplistisch ideologisch wordt in de zin van: laat iedereen hier komen zodat er eindelijk mondiale gerechtigheid is. Het spijt me, maar daar geloof ik niet in. Maar zo is het ook niet, ik denk dat de meeste mensen helpen omdat ze de ellende van de vluchtelingen niet kunnen aanzien, en dat lijkt me een mooie motivatie.

Zoals voormalig Kamerlid Jacques de Milliano, onlangs geïnterviewd in NRC, ooit gemotiveerd werd arts te worden omdat het concrete leed van individuen hem wat doet: “De essentie van het arts zijn is echt iets voor die éne persoon te betekenen. Op het slagveld of in de spreekkamer, dat maakt niet uit.”

Voor De Milliano bleef het daar niet bij, hij wilde goed doen op grotere schaal en richtte met anderen Artsen zonder Grenzen Nederland op en heeft daarmee veel goede dingen gedaan op meer structurele wijze. Wel sloop daar geleidelijk het simplistisch ideologische naar binnen, in die zin dat hij op een gegeven moment zijn taak opvatte als: altijd voor iedereen op de hele wereld klaarstaan. Daar wordt wat mij betreft ideologie onprettig en megalomaan.

Gelukkig voor De Milliano zelf ook. De arts zonder grenzen moest vervolgens leren zijn eigen grenzen weer te trekken. Hij werd huisarts in Haarlem. “De huisartsenpraktijk was een reset. Ik moest op adem komen, leren met mijn hoofd op één plek te zijn.”

Voor de filosoof Paul van Tongeren, in Trouw in gesprek met de ethica Ingrid Robeyns, werpt de huidige vluchtelingencrisis het probleem op: waarom doe ik niets, terwijl ik vind dat ik wel iets moet doen. Dat is namelijk “moreel gezien het juiste”. Robeyns meent dat dat komt omdat je anderen daarbij nodig hebt. Zolang mensen om je heen niets doen moet het allemaal uit jezelf komen en dat is te veel gevraagd.

Nu is, denk ik, dat laatste niet helemaal het geval, er zijn immers allerlei groepen van vrijwilligers actief. Daar kun je je zo bij aansluiten. Maar goed, Paul van Tongeren komt daar niet toe. Hij herhaalt dat actie voor de vluchtelingen het enige juiste zou zijn en constateert vervolgens: “Mijn probleem is dat ik het toch niet doe.”

Ik zou zeggen: Van Tongerens probleem is eerder dat hij spreekt over ‘hét moreel juiste antwoord’, alsof er maar één morele positie mogelijk is. Dat lijkt mij zijn eigenlijke probleem te zijn. Want zo eenduidig en klip en klaar liggen de zaken niet, zoals ook al kan blijken uit het verhaal van De Milliano. Van Tongerens uitspraak vertrekt vanuit de gedachte dat je verantwoordelijkheid oneindig is: die betreft elk ander mens, altijd, waar ook op aarde.

Ik vind dat aanvechtbaar. Ik houd staande dat het draaiend houden van een fatsoenlijke democratische en tolerante samenleving zoals wij die hebben net zo goed een belangrijke waarde belichaamt. En dat we daar heel hard mensen voor nodig hebben die met hun hoofd op één plek zijn.

Wat krijgen we nou, hoor ik mensen denken, hoe rijm ik dat met mijn favoriete filosoof Levinas? Die is toch van de oneindige verantwoordelijkheid?

Inderdaad, dat is zo volgens de interpretatie waarmee Levinas in Nederland populair is geworden en die eigenlijk niets anders is dan een voortzetting van Christelijke opvattingen met Joodse middelen. Inclusief een oneindig schuldgevoel. En, eerlijk is eerlijk, de late Levinas zelf geeft alle aanleiding voor deze interpretatie, via concepten als ‘plaatsvervangend lijden’ en ‘onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor iedere ander’.

Maar dat is niet mijn Levinas. Want mijn Levinas is die van zijn vroegere boeken, tot en met De totaliteit en het Oneindige. Daarin komen ook de Ander en verantwoordelijkheid en oneindigheid voor. Maar die hebben daar nog niet de kleur van de universeel geldende latere claims die zo goed aansluiten bij de Christelijke gedachtenwereld.

In die vroege en middenperiode moet oneindige verantwoordelijkheid niet opgevat worden als altijd geldig, overal, en ten aanzien van iedereen. Maar eerder in de zin waarin de filosoof Derrida later een van zijn kernpunten verwoordt: als het optreden van het buitengewone (het oneindige) in het gewone (het eindige). En dat hoeft geen eeuwigheid te duren en niet iedereen te betreffen. Dat kan slaan op een moment, in de interactie met één andere persoon. Daarna neemt de eindigheid het weer over, tot er een nieuwe inslag van oneindigheid is enzovoorts en zo verder. Met díe Levinas kan ik wat. En ik denk De Milliano ook.

In de afwijzing van de latere Levinas sta ik niet alleen. Veel weldenkende mensen wijzen diens positie af als onmogelijk radicaal en veeleisend, dus om dezelfde redenen als waarom het Christendom voor veel mensen onhoudbaar bleek te zijn. Trouwens, ook Vluchtelingenwerk Nederland adviseert geen radicale oplossingen en moedigt mensen niet aan om een vluchteling in huis te nemen.

Maar vreemd genoeg is de aandacht voor de zoveel minder radicale, maar wel levensvatbaardere Levinas uit de vroege en middenperiode schaars. Het is mede te danken aan de Leuvense filosoof Rudi Visker dat we goed inzicht hebben in die verdienstelijke variant van Levinas.

Zie ook De Levinas van de verplichtingen‘De mens’ en Kiest Trouw voor de brave Levinas?

donderdag 3 september 2015

Compassie of competitie


Trouw opende afgelopen maandag de krant met een artikel van Marli Huijer, onder de titel: “Stel het je voor: je vecht om lucht in een koelwagen”. Bij mij bracht dit de volgende reactie teweeg: vóórdat ik me van alles laat aanpraten naar aanleiding van de vluchtelingencrisis wil ik dit soort aansporingen en aanmaningen eerst eens goed tegen het licht houden.

In het artikel van Huijer kom ik onder meer de volgende, al dan niet met elkaar samenhangende, aansporingen tegen: voel de nabijheid van de vluchtelingen; bedenk dat je het zelf had kunnen zijn, maak jezelf een voorstelling van de situatie; identificeer je met de vluchtelingen. Onderstaand ga ik voor mezelf na wat ik van elk van die aansporingen vind.

1. Voel de nabijheid. “Die vrachtwagen had ook bij ons om de hoek op de snelweg kunnen staan. Oostenrijk, dat is Europese grond. Die nabijheid zorgt ervoor dat we nóg meer op onze verantwoordelijkheid worden aangesproken. Onze betrokkenheid wordt vergroot. We realiseren ons: we hadden het ook zelf kunnen zijn.” Deze passage  volgt op de vaststelling door Huijer dat we al eerder geschokt waren door berichten over de boten en andere drama’s die zich buíten het Europese vasteland afspeelden.

Ik ben het wel met Huijer eens dat fysieke nabijheid van ellende je sterker raakt dan wanneer het verder weg is. Merk daarbij wel op dat een dergelijke constatering ook de andere kant op werkt: hoe verder weg het leed, hoe minder we worden aangesproken op onze verantwoordelijkheid. Er is dus geen sprake van absolute verantwoordelijkheid aan onze kant voor vluchtelingen, nabijheid telt.

Verder, als je het over nabijheid hebt als een factor die meetelt, dan impliceert dat meteen ook culturele nabijheid. Die gaat dan ook meetellen. En die kan, hoe consequent, ook weer twee kanten op werken: we zitten niet te wachten op meer import van Islamitisch fundamentalisme of antisemitisme. Maar misschien wel op kritische, mondige Midden-oosterse burgers die de achterlijkheid van hun regeringen beu zijn.

2. Bedenk dat je het zelf kunt zijn. “Niemand wil het zich voorstellen om als vluchteling in een vrachtwagen te stikken, maar je moet het je wel voorstellen…We realiseren ons: we hadden het ook zelf kunnen zijn.”

In deze motivering om ons een voorstelling te maken van wat vluchtelingen meemaken  klinkt een zeker besef van wederkerigheid en welbegrepen eigenbelang door. Zoiets van: ook wíj kunnen nog wel eens in een dergelijke beklagenswaardige situatie terecht komen. Als we nu hén helpen, mogen we hopen dat we dan ook door anderen geholpen zullen worden. Niets mis mee trouwens, met die gedachte.

3. Identificeer je met de vluchtelingen: “We kunnen ons met die ander identificeren. Dat we compassie met de ander kunnen hebben, komt daaruit voort; we lijken op elkaar”.

Dat is waar, denk ik: wanneer je jezelf herkent in een ander kán dat compassie wekken. Maar, zoals de filosoof René Girard onvermoeibaar blijft benadrukken, de ander herkennen als jezelf kan ook de competitie wekken en de mimetische begeerte: ik wil dezelfde spullen en veiligheid als de ander, of juist beslist de onveiligheid die een ander beleeft voor mezelf vermijden. Goed werkende spiegelneuronen werken twee kanten op: het kan tot wedijver leiden en afscherming van wat de ander van jou wil; en het kan tot compassie leiden.

Deze constatering sluit aan bij de twee kampen die Huijer in Nederland ziet ontstaan. Het ene kamp wordt gedreven door compassie en wil helpen maar weet niet hoe. Het andere kamp is bang om overvleugeld te worden door wat er op ons af komt. “Het is aan de politiek om daar iets mee te doen”, zegt Huijer dan. Die laatste gedachte vind ik misschien wel de meest overtuigende, maar ook de minst opzienbarende.

De andere gedachten van Huijer laten me, na bovenstaande weging ervan, eerder achter in een staat van ethische verwarring, gekoppeld aan het onprettige gevoel enigszins moralistisch te zijn toegesproken.

Gelukkig lijkt de Europese politiek, met de gezamelijke initiatieven van Duitsland, Engeland en Frankrijk van de afgelopen week, nu enigszins in beweging te komen. Dat er daarnaast zoveel, al dan niet door spiegelneuronen gedreven, spontane opvang plaats vindt, is een goede zaak – denk ik.

Zie ook Levinas en empathie en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 28 augustus 2015

Zo gek nog niet


Het wordt tijd dat Europa wakker wordt uit zijn decennialange zoete slaap, zo zegt Caroline de Gruyter in haar NRC-column. Zij meent dat al decennialang een immense allergie voor machtspolitiek het fundament vormt van de EU. Buitenlandse politiek zou volgens de leidende politici vooral nog draaien om handel, mensenrechten en humanitaire ontwikkeling, terwijl ondertussen Amerika zorg draagt voor onze militaire bescherming. We moeten, aldus De Gruyter, weer leren begrijpen wat Echte, Grote Politiek is: landjepik en schatgraven.

Gemeten naar de normen van De Gruyter doet Israël het zo gek nog niet. Aan landjepik doet het zelfs heel letterlijk mee, al zal De Gruyter daarmee niet instemmen. Wat wel past in haar visie is het scherpe Israëlische bewustzijn van geopolitieke bedreigingen, zoals van IS of Iran. Logisch, want hun vijandigheid tegenover Israël is voor niemand een geheim. Maar een gevolg daarvan is dat Israël geen stap zet zonder een gedegen inschatting van de machtspolitieke gevolgen. En het zal continu proberen die gevolgen te beïnvloeden. Dat na te laten kan het land zich eenvoudigweg niet permitteren.

De boodschap van Caroline de Gruyter is nu: geen enkele beschaving kan zich dat permitteren, ook Europa niet. Voortgaande verwaarlozing van het grote machtspolitieke spel zou Europa wel eens ernstig kunnen opbreken.

Qua aard en aanleg voel ik me niet direct thuis bij de benadering die De Gruyter propageert. Ik houd wel van vreedzame reservaten, waar kunst en cultuur en het denken kunnen opbloeien. Maar ze heeft onmiskenbaar een punt. Paradijselijke reservaten blijven niet zomaar uit zichzelf in stand en als je realistisch bent zie je dat enge machtspolitieke formaties zoals Rusland en IS dichterbij willen komen. Zonder machtsdenken vindt Europa daar nooit een antwoord op.

Het is alleen wel heel moeilijk om dan niet op een hellend vlak terecht te komen, zoals Israël in de bezette gebieden. Of zou inpalming daarvan een machtspolitieke en militaire noodzaak zijn?

Zie ook Rare dingen en Snap ik niet

vrijdag 21 augustus 2015

Verstrikt in slimheid


Er lopen veel slimme mensen rond binnen de gemeente Amsterdam. Maar de verspilling van intelligentie is enorm. Namelijk door de overmaat van intellect die er is en die vervolgens met zichzelf gaat wedijveren in slimme plannetjes, adviezen, strategieën. Ongetwijfeld met goede bedoelingen, maar ook om aan de baas te laten zien hoe slim men is.

Dat heeft te maken met een topzwaar model van besluitvorming: top-down hiërarchisch, maar tegelijkertijd gericht op zo groot mogelijk draagvlak en op indekking tegen ongewenste bij-effecten van de besluitvorming, vooral juridisch en publicitair.

Een beetje besluit moet daardoor al gauw vier of vijf onderliggende gremia doorlopen voordat het bevoegde niveau gaat beslissen. En ja, om dat allemaal te regelen heb je veel slimmerikken nodig: juristen en beleidsmedewerkers die risico-analyses kunnen opstellen, adviezen kunnen formuleren en teksten eindeloos kunnen bijschaven. En zo onvermijdelijk ook elkaar zullen gaan bezighouden.

Opmerkelijk is dat er ondertussen wel het nodige verbetert in de dienstverlening aan de burger. Waar de disproportioneel grote aandacht voor beleid en besluitvorming zich vooral wreekt is op het terrein van cruciale ondersteunende processen zoals ICT of de financiële administratie. Dat zijn zaken waar dit type slimme mens enigszins allergisch voor is of op neerkijkt, met als gevolg dat daar relatief weinig serieuze aandacht naar toe gaat. Daardoor zijn databases al jaren vervuild, hapert de ICT en is de managementinformatie gebrekkig. En daar heeft niet eens zozeer de burger als wel de interne medewerker zelf last van.

Het kan niet anders of ook de slimmerikken moeten af en toe getroffen worden door de discrepantie tussen hun hoog overvliegende woorden en de soms krakkemikkige bedrijfsvoering. Het kan niet anders of zo’n slimmerik denkt soms: ben ik nou gek?!

Zie ook Grand Design, Soorten overleg en Bellen blazen