vrijdag 25 november 2022

Rusland en China


Er  bestaat een categorie landen die je, gezien hun gedrag, tiranniek, moorddadig, autoritair, mensrechtenschendend en imperialistisch moet noemen. Naast andere landen behoren Rusland en China wat mij betreft tot die categorie.

Als het zo massief hopeloos is met die landen dan is het opmerkelijk dat ik geneigd ben om binnen die categorie toch nog een nader onderscheid te maken. Met name tussen Rusland en China: mijn intuïtieve oordeel over China is net iets positiever. Dat heeft er denk ik mee te maken dat Rusland bij al die andere kwalijke eigenschappen ook nog eens een zwaar soort nihilisme vertoont. 

De toekomst kan er voor Rusland – of eigenlijk moet je zeggen: voor Poetin en zijn slavofiele kliek – maar op één manier uitzien: als die van een glorieus continentaal imperium van Ierland tot Vladivostok, met een desnoods lijdend maar trots volk en gouden paleizen voor de elite in Moskou. Zo niet, dan maar geen toekomst. Dan mag de vernietiging toeslaan, van Rusland en de rest van de wereld. Het interesseert ze geen zier. Dat noem ik nihilistisch. 

Je kunt veel zeggen van China, maar nihilistisch is het niet, als daaronder verstaan wordt: geen belang kunnen hechten aan de toekomst en het ontbreken van ieder verantwoordelijkheidsgevoel dat verder gaat dan het strikte eigenbelang. China schendt  mensenrechten, legt de massa kadaverdiscipline op en verliest individualiteit van mensen volledig uit het oog; maar het wil wél een toekomst voor China en de aarde, niet de vernietiging.

Dat voor Rusland de toekomst nauwelijks een categorie is, drukt Giuliano da Empoli uit in zijn boek De Kremlinfluisteraar: de Russische politiek is in de eerste plaats een komedie, met meedogenloos cynisme en geweld als de belangrijkste ingrediënten.

Zie ook Marx op zijn kop en China en het Westen.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Rusland en China en scrol naar beneden door.

vrijdag 18 november 2022

Abraham de Sympathieke

Er zijn van die stukken in de Tora die je alleen met dichtgeknepen neus kunt lezen. De laatste parasja van Deuteronomium die we nog maar een maand geleden lazen in sjoel bevat daar voorbeelden van. Zoals de verzen 41 en 42 van hoofdstuk 32: “Ik wet mijn bliksemend zwaard, ik ga het vonnis voltrekken. Ik zal mij wreken op mijn vijanden, ik reken af met wie mij haatten. Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed van vijanden, gevallen en gevangen”. 

Hoe anders is dat met de verhalen over Abraham waar we met de Toralezingen nu middenin zitten. Wat we lezen is een onafgebroken parade van wellevendheid, gastvrijheid, edelmoedigheid, relativeringsvermogen, zin voor rechtvaardigheid, dankbaarheid en zorgzaamheid van het mooie karakter Abraham. Gastvrij betoont hij zich tegenover de drie vreemde mannen die in hoofdstuk 18 ineens voor zijn tent verschijnen. Rechtvaardig is hij als hij daarna in discussie gaat met God over de bestraffing van Sedom, en wellevend in de zakelijke perikelen die hij bespreekt met de grootgrondbezitter Avimelech. Zo’n man wil je wel als aartsvader hebben, ik kan best begrijpen dat behalve het Jodendom ook de Christenen en Moslims daarvoor gekozen hebben.

Humanisten en verlichte gelovigen zullen daar niet makkelijk mee instemmen, en wel vanwege een andere eigenschap van Abraham: zijn opofferingsgezindheid en gehoorzaamheid. Abraham bleek bereid om zijn zoon Jitschak als offer aan God aan te bieden, en over de prijzenswaardigheid van die bereidheid kun je inderdaad van mening verschillen.  

Overigens, terugkomend op het begin van dit stukje, de aanwezigheid van oorlogsverhalen en overwinningszucht in de Tora vind ik op zichzelf niet problematisch. Ze getuigen van realiteitszin en die kan akelig actueel zijn, bijvoorbeeld als we daar de wrede oorlogsdrift van dictator Poetin in Oekraïne bij betrekken. Ook daar moet je wat mee.

Zie ook Krijgshaftige taal.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Abraham de Sympathieke en scrol naar beneden door.

vrijdag 11 november 2022

Meer van de Tora houden dan van God


Deze week lezen we in sjoel de hoofdstukken 18 t/m 22 van Genesis, dat is de parasja Wajera. Het begin van dit Toragedeelte kun je best verwarrend noemen. Vers 1 vertelt: “De Eeuwige verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamree…”. Waarop vers 2 opent met “Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan”. Wat is het nou, denk je dan; wie staat of staan er voor Abraham? God, of drie mannen, of zijn ze met zijn vieren?

De verwarring wordt alleen maar groter als vers 3 vertelt dat Abraham, na een diepe buiging, zegt: “Adonai, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan”. Immers, ‘Adonai’ kan een verwijzing zijn naar een van de namen van God, maar kan ook gelezen worden als ‘Mijne heren’, dus gericht zijn aan de drie mannen. 

Omdat even later (19,2) in het verhaal over Lot twee van de drie mannen aangesproken worden met ‘Adonai’ in de betekenis van ‘Mijne heren’, kun je ook in 18,3 kiezen voor die  vertaling, dus voor aanspreking van de drie mannen. Dan zou de eerste zin, over de verschijning van God aan Abraham, eerder een uitbreiding van de hoofdstuktitel zijn, en verwijzen naar tekstplaatsen zoals 18,13 of 18,20 en volgende waar het onmiskenbaar God zelf is die verschijnt. De Middeleeuwse Joodse geleerde Maimonides maakt die keuze.

Maar zo ziet de bredere Joodse traditie het niet. Die bepaalt, aldus rabbijn Jonathan Sacks, dat in vers 3 ‘Adonai’ gelezen moet worden als ‘God’. Volgens het Talmoedtraktaat Sjabbat komt de hele passage er dan, ondersteund door ingevoegde hulpzinnetjes, als volgt uit te zien:

De Heer verscheen aan Abraham…Toen hij opkeek, zag hij even verderop drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit om hen te ontmoeten en hij boog diep. [Terwijl hij zich tot God wendde] zei hij: ‘Mijn God, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan [dat wil zeggen: wacht alstublieft totdat ik deze mannen gastvrij heb ontvangen]’. [Vervolgens wendde hij zich tot de mannen en zei:] ‘Ik zal water voor u laten halen, zodat u uw voeten kunt wassen en kunt rusten onder deze boom…’

Deze interpretatie komt erop neer dat, als je de keuze hebt tussen luisteren naar God en het bieden van gastvrijheid aan vreemdelingen, je in de voetsporen van Abraham voor dat laatste moet kiezen. Sacks: “Het is gemakkelijk de Goddelijke Aanwezigheid gastvrij te ontvangen wanneer God verschijnt als God. Het is moeilijk de Goddelijke Aanwezigheid op te merken als zij komt in de vermomming van drie anonieme voorbijgangers”.

Dit stemt overeen met de grote lijn in het denken van mijn favoriete filosoof Levinas, zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de titel van een van zijn artikelen: Meer van de Tora houden dan van God. Daarmee bedoelt hij dat de ethische boodschap belangrijker is dan de afzender. Het is leuk om bij dezen te kunnen vaststellen dat deze denkwijze niet helemaal het product is van Levinas zelf. Het is eerder omgekeerd: Levinas sluit overtuigend aan bij veel oudere Joodse gedachtenstromen.

Zie ook Levinas en de gangbare ethiek.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Meer van de Tora houden dan van God en scrol naar beneden door.

donderdag 27 oktober 2022

Filosofie als elitaire bezigheid


De filosoof Carlo Ierna doet onderzoek naar de canon van de filosofie, dat wil zeggen naar de klassieke lijst van grote denkers die vooral witte, dode mannen bevat. Hij vraagt zich af of het gezag dat traditioneel aan die lijst wordt toegekend terecht is. Hij gaat na hoe die canon tot stand is gekomen, of er misschien ten onrechte grote denkers buiten zijn gevallen en of we nieuwe namen kunnen toevoegen. Zo komt hij tot het voorstel om drie vrouwen en twee mannen (waarvan één zwarte) op te nemen die volgens hem ten onrechte genegeerd zijn.

Dat levert een meer divers gezelschap op maar, zegt Trouw, noem Ierna geen diversiteitsactivist of, nog erger, woke: “De diversiteit die ik presenteer is relatief, alle denkers waren in goeden doen. Studeren, lezen en boeken schrijven vergden een zekere welstand. Het was een spelletje voor wie rijk was, of van adel.”

Filosofie als een spelletje. En nog elitair ook. Dat raakte me wel, en niet in positieve zin. Waarschijnlijk omdat ik filosofische reflectie beleef als meer dan een spelletje, eerder als een onbedwingbare existentiële activiteit voor het verkrijgen van minimaal noodzakelijke helderheid over ons bestaan en over de inrichting van ons samenleven.

Toch zit er beslist waarheid in die elitaire opvatting van filosofie. De dominante westerse filosofietraditie heeft onmiskenbaar aristocratische trekken. De Grieken en Romeinen koppelden van oudsher filosofie aan vrije tijd en vrijgesteld zijn en sloten daarmee de werkende klasse per definitie uit. Zij hebben daarmee de toon gezet, en – zoals gezegd – wat mij betreft met dubieuze gevolgen, want hoe werkelijk sociaal kan dat denken dan nog zijn? 

De oppositie tot de werkende klasse werd iets verzacht toen in de Middeleeuwen kloosterlingen zoals Thomas van Aquino, Duns Scotus en Nicolaas van Cusa hun leven aan het denken wijdden, maar vrijgesteld waren ook zij beslist wel. Daarna wordt het beeld wat gemengder. Hobbes, Leibniz en Russell, om er maar een paar te noemen, waren in goeden doen. Maar Descartes, hoewel van adellijke afkomst, moest een basisbaan buiten de filosofie voor zichzelf regelen en werd soldaat, Spinoza ging lenzen slijpen en Marx moest een groot deel van zijn leven sappelen en was overgeleverd aan de financiële genade van zijn schoonvader. 

Maar goed, laat het waar zijn dat een zekere welstand in het verleden vereist was voor het bedrijven van filosofie. Hoe zit het dan in onze dagen? Als er ooit welstand op grote schaal bestaan heeft is het nu wel, dus filosofie zou op grotere schaal dan ooit bedreven kunnen worden. Gebeurt dat ook?

Nagedacht wordt er zeker wel, en diepgaand ook. Maar dat vindt niet direct plaats op het terrein van bestaansverheldering en inrichting van de samenleving. Denkinvesteringen gaan voor het merendeel over nóg slimmere marketingtechnieken, nóg geraffineerdere juridische en financiële constructies, nóg meer sophisticated technische snufjes. Terwijl we uit oogpunt van welstand de bestaansverheldering niet hoeven te laten. Gaat misschien de lol eraf als het ‘spelletje’ niet meer elitair is? Of nemen we onszelf niet serieus genoeg? Wijlen de filosoof René Gude stelde in zijn werk die lacune aan de orde, en Huub Oosterhuis verwees er ooit naar met de vraag: “Als je zo goed kunt denken, waarom denk je dan niet méér na over hoe wij samenleven?”

Zie ook La trahison des clercs.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Filosofie als elitaire bezigheid en scrol naar beneden door.

vrijdag 21 oktober 2022

Gerechtvaardigd particularisme


“Als Harari één boodschap mag kiezen die hij zelf als kind meegekregen had willen hebben, is het die van het universalisme”, vertelde Trouw onlangs naar aanleiding van de presentatie van een kinderboek door Yuval Harari.

De formulering raakt aan boosheid bij mij over mijn eigen jeugd, over wat ik “zelf als kind meegekregen had willen hebben”. Namelijk: geen vrome, onrealistische verhaaltjes over etherische universele naastenliefde, maar doordachte verhalen over hoe genegenheid en solidariteit een tastbaar begin nodig hebben, een concreet sociaal verband waarbinnen socialiteit geoefend kan worden en waarvan je de grenzen vervolgens hopelijk een beetje kunt verleggen en uitbreiden. Dus geënt op de wijsheid van de haalbaarheid, en niet op ethische overvraging. Universele liefde bestaat niet; als je iedereen lief moet hebben heb je niemand lief.

Dus ja, ik had het wel prettig gevonden als de ethiek van mijn jeugd het aangedurfd had om wat meer particularistisch te zijn in plaats van zielloos universalistisch. Nu ontbrak het, in de jaren zestig van de vorige eeuw, niet volledig aan particularisme. Er was nog zoiets als een met trots uitgedragen ‘vaderlandse geschiedenis’, Jan Pieterszoon Coen en Piet Hein waren nog niet van hun voetstuk gevallen, en ‘Indië’ had nog de klank van ‘daar werd iets groots verricht’. Maar hoe dat moest samengaan met de Christelijke moraal van zelfopoffering en wereldwijde solidariteit werd nooit duidelijk. Die combinatie kon niet anders dan tot een verscheurd en eigenlijk hypocriet wereldbeeld leiden. Dat vervolgens vanaf de jaren zeventig de pretenties van dat chauvinistische geschiedbeeld aan grondige kritiek werden onderworpen vond ik dan ook alleen maar prima.

Maar, zoals gezegd, een minimum aan particularisme heeft een mens nodig, dat mag er zijn zonder dat je Baudet-aanhanger wordt. Zelf vond ik dat in de Joodse traditie, waar een minder abstracte ethiek samengaat met de omhelzing van een historische identiteit, inclusief de bijbehorende aspecten van volk, land en staat. Precies datgene dus waar Harari van los wil komen ten gunste van een meer universalistische oriëntatie. 

Deels snap ik de weerzin van Harari wel, namelijk als het gaat om benauwd, kleingeestig chauvinistisch nationalisme waar hij in zijn Israëlische jeugd waarschijnlijk last van gehad heeft. En de benadrukking van een zogenaamd unieke uitverkoren status van het Joodse volk spreekt mij ook niet aan. Dat kan gauw alweer de vorm aannemen van hypocriete flauwekul, zoals dat het Israëlische leger ethischer zou zijn dan andere legers of de bezetting van de Westbank door Israël meer gerechtvaardigd dan de bezetting van de Westelijke Sahara door Marokko. 

Maar ik geloof wel in identiteiten die verbinding maken met een concrete geschiedenis en concrete geografische gebieden. En ook in een gevoel van uitverkorenheid – in de zin van eigenheid – dat iedere identiteit, niet alleen de Joodse, met zich mee kan dragen. Alleen door dat soort identiteiten wereldwijd te respecteren kunnen we hopen nog eens een mondiale harmonie te bereiken.

Zie ook Levinas en Harari en Dikke en dunne moraal.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Gerechtvaardigd particularisme en scrol naar beneden door.

donderdag 6 oktober 2022

Waar gaat het over als het over Joden gaat?


Onlangs verscheen het boek Waar gaat het over als het over Joden gaat? van David Wertheim. Naar aanleiding daarvan werd de auteur geïnterviewd door Joris Luyendijk, en dat interview was erg de moeite waard. Het sympathieke karakter van de historicus en denker Wertheim, en de genuanceerde en authentieke manier waarop hij zijn antwoorden formuleerde hadden daar alles mee te maken.

Eén antwoord stelde me teleur. Dat was Wertheims reactie op de vraag van Luyendijk of de Sjoa een moreel ijkpunt in zich bergt, met andere woorden: of we wat leren van die vreselijke geschiedenis? Wertheim zei: dat de mens tot zulke dingen in staat is, en kennelijk een beest kan worden. Dat vond ik een onnodig vlak antwoord. Dat wisten we toch al wel?

Naar mijn idee valt er wel wat meer over te zeggen, en is het ook van belang om dat te doen. Namelijk dat er iets aan de hand is met de westerse denktraditie en beschaving. Hoe is het mogelijk dat die systematisch, meer dan tweeduizend jaar lang een bepaalde groepering in haar midden – de Joden – heeft verguisd, vervolgd en uiteindelijk met uitroeiing bedreigd? Die constatering is toch op zijn minst een diep verontrustend gegeven dat verder strekt dan de algemene psychologische waarheid dat mensen tot vreselijke dingen in staat zijn? Het kan bijna niet anders dan tot diepgravend onderzoek leiden: wát is het precies in de westerse traditie dat aangezet heeft tot zoveel bijna metafysische haat tegen Joden?

Maar voor dergelijke fundamentele vragen moet je misschien niet in Nederland zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld verschijnen sinds een jaar of twintig aan de lopende band boeken die de eeuwenlange problematische filosofische en religieuze omgang met het Jodendom tot onderwerp nemen. Onlangs las ik het boek Banaliteit van Heidegger van Jean-Luc Nancy, dat hij in 2015 schreef naar aanleiding van de ontdekking van de Schwartze Hefte, de dagboeken van Heidegger die lopen van 1931 tot 1969.

Nancy maakt duidelijk dat Heidegger het Westen, als erfgenaam van de vroegste Griekse filosofen, beschouwt als drager van een missie. De verheven missie namelijk om door te dringen tot een diep en puur “zijnsverstaan” dat zich moeilijk laat uitleggen, maar waarvan wel duidelijk is dat het een berekenende, technische en rationalistische omgang met de wereld te boven gaat. Laten in Heideggers denken nu juist de Joden bij uitstek de vertegenwoordigers zijn van dat berekenende, technische en rationalistische denken, dat de ondergang van het Westen als beschaving naderbij brengt. 

Als je zo denkt wordt het, aldus Nancy, verklaarbaar hoe, voor een nieuw begin van het Westen, de ondergang van de Joden als noodzaak bestempeld kan worden. Nancy: “De uitvoerder van de westerse vernietiging moest daarom worden vernietigd. Dat is het hoogtepunt van de historische-bestemmingslogica die het Zijn zichzelf als opdracht heeft meegegeven”. Langs die weg krijgt Heideggers afkeer van Joden een metafysische dimensie: “Heidegger was niet alleen antisemitisch: hij wilde tot het uiterste de fundamentele en historisch voorbestemde noodzaak doordenken van het antisemitisme”. Hoe banaal en ordinair dat antisemitisme er ook uit kon zien.

Verbijsterend is, aldus Nancy, hoe Heidegger deze opvattingen, blijkens de Schwartze Hefte, tot in de jaren zestig blijft volhouden. Als de volle omvang van de vernietiging in de nazi-kampen al lang is onthuld. En voor de formulering van deze opvattingen blijft hij ongegeneerd gebruikmaken van de meest banale antisemitische stereotypen. “Heidegger weet heel goed wat hij doet. Hij verzamelt de banale vuiligheid voor hogere doeleinden. Wat ook betekent dat hij een hogere waarheid in het antisemitisme herkent.”

De belijdende Katholiek Nancy beschrijft dit gegeven gedetailleerd voor Heideggers denken, maar hij ontkomt er niet aan om af en toe te laten zien hoe dit in een veel ouder patroon past. Hij vermeldt hoe het westerse streven naar verhevenheid en zuiverheid in eerdere periodes zich evenzeer gehinderd voelde door de Joodse aanwezigheid. Ook al waren in die periodes de redenen voor aanstoot totaal anders (bijvoorbeeld de afwijzing door de Joden van de universaliteit van de Christelijke heilsboodschap of van de klassieke beschaving), ook toen werd dat beleefd als een inbreuk op de verheven missie van het Westen. “Het is moeilijk om de doorgaande lijn te ontkennen die loopt van Athene en Rome naar Parijs, Londen, Berlijn, Moskou, Auschwitz, Hiroshima, enz. – We zijn nog lang niet begonnen over deze vraag na te denken”.

De afwijzing van Joden was een rode draad door de westerse geschiedenis. Als er enige speling zat in de manieren waarop die afwijzing geformuleerd of gepraktiseerd werd, ging het om de vraag of de Joden nog gewonnen konden worden voor de missie van het Westen of niet. Nancy: “De christelijke (en/of rationele, filosofische, enz.) relatie tot het Jodendom is altijd blijven schommelen tussen veroordeling en bekering, tussen de bevestiging van een fundamentele onverenigbaarheid en die van een noodzakelijke verzoening”.

Als men dacht dat verzoening met de Joden onmogelijk was, dan achtte men de verhevenheid van de Westerse missie voldoende rechtvaardiging om tegenstribbelaars daaraan te mogen opofferen, desnoods door bloedige actie. De beschaafde verlichtingsfilosoof Kant zag er liever geen bloed aan te pas komen maar, evengoed, ook voor hem moest het klaar zijn met de Joodse traditie. Kant stelde voor dat het Jodendom zichzelf zou opheffen in een proces dat hij aanduidde als een “euthanasie” van het Jodendom, waarmee de toegang voor de Joden tot de ware morele religie zou worden gecreëerd.

Tegenover het verzengende geweld van deze religieus-filosofische traditie weet Nancy af en toe niet meer uit te brengen dan “On reste sans voix” – “Ik sta sprakeloos”. Maar ook stelt hij, zoals we boven al lazen, dat hier verder over nagedacht moet worden. Om daar op het eind van zijn boek, schuchter, een verbetersuggestie aan toe te voegen voor de westerse filosofie: “We zullen moeten leren te bestaan zonder ‘puur zijn’ en zonder bestemming”. Zonder verheven begin en zonder verheven afsluiting. 

Zie ook Als Heidegger filosofisch deugt....

Wil je commentaar geven of zien: klik op Waar gaat het over als het over Joden gaat? en scrol naar beneden door.

vrijdag 16 september 2022

Falsificatie: iedereen kan het!


Wetenschap wordt soms aangemerkt als een ingewikkelde onderneming, en daarbinnen is dan nog iets dat door sommigen als het állermoeilijkste, maar ook als het summum van wetenschap gezien wordt. Dat is het primair door Karl Popper uitgewerkte principe van de falsifieerbaarheid van wetenschappelijke uitspraken. Daarbij probeer je bewust je stellingen zo te formuleren dat ze toetsbaar zijn en door (goed) tegenonderzoek onderuit gehaald kunnen worden. Goede wetenschap zou gekenmerkt worden door de falsifieerbaarheid van haar uitspraken.

Dat klinkt veeleisend, maar nu lees ik in de krant dat deze omgang met het verwerven van kennis en het trekken van conclusies eigenlijk een alledaagse routine is van gewone mensen. Volgens een onderzoek van het Nijmeegse universitaire Donders Instituut werkt onze menselijke manier van informatie verwerken eigenlijk altijd zo. Op basis van signalen die we ontvangen werken we al snel naar verwachtingen en conclusies toe (noem het maar stellingen of voorspellingen), maar we staan voortdurend open voor het aanpassen van die voorspellingen door nieuwe informatie. “Het brein wacht niet af, maar voorspelt wat er komen gaat. Het heeft een beeld van zijn omgeving en weet welke signalen het kan verwachten. Of beter: dénkt dat te weten. En het meet het verschil tussen de eigen verwachting en de signalen van buiten om zijn beeld bij te stellen. Gewaarwording is het meten van de voorspelfout.” 

Dus, als je iemand het begin van een zin hoort uitspreken en inwendig voorspelt hoe die zin verder zal gaan dan stel je je niet alleen falsifieerbaar op. Je voert vervolgens ook de falsificatie zelf uit door je voorspelling bij te stellen als de tweede helft van de zin daar aanleiding toe geeft. Je hoeft, behalve voor de tweede helft van de zin, voor de falsificatie niet eens op een ander te wachten: die doe je helemaal zelf. Dat is nog eens wetenschap op hoog niveau!

Deze voorspellingstheorie is inmiddels het centrale concept in de hersenwetenschappen, aldus Willem Schoonen in Trouw, en daarmee is falsificatie te beschouwen als een zo goed als alledaagse routine die wij allemaal toepassen. Ik vind dit een gerustellend idee. Het biedt namelijk tegenwicht aan het alarmistische discours dat we veel om ons heen horen over bubbels waarin alleen informatie wordt toegelaten die bevestigt wat we al denken, over post-truth ideologieën die zich afsluiten voor afwijkende geluiden en woke ontkenningen van de werkelijkheid. Zo gauw raken we kennelijk niet afgesloten van de werkelijkheid. Op diep, elementair niveau zijn wij dagelijks onze kennis en wereldbeeld aan het bijstellen. We toetsen voortdurend of onze aannames door nieuwe binnenkomende informatie over de werkelijkheid nog wel kloppen, en passen ons daarop aan. Zelfcorrectie en permanente uitwisseling van informatie zijn als het ware ingebouwd in ons systeem.

Een ander bericht in diezelfde krant sloot daar aardig op aan: “Negatieve effecten van sociale media op jongeren vallen mee”. Die veel gerapporteerd negatieve effecten blijken, aldus promovenda Nastasia Griffioen, vooral voort te komen uit de methodes die gebruikt worden om de negatieve invloed van smartphones te meten. Die methodes “zijn niet altijd betrouwbaar gebleken. Het probleem zit hem in de vragenlijsten die ontzettend populair zijn bij de meeste onderzoekers. Dat is een eenrichtingsweg waarbij je niet door kunt vragen.” Griffioen kon met haar diepte-interviews met jongeren wél doorvragen en kwam tot andere conclusies.

Gesteld in de termen van dit stukje: de gemiddelde onderzoeker blijft steken in zijn voorspellingen en komt niet toe aan ‘de tweede helft van de zin’, die de voorspellingen kan corrigeren. Vergeleken daarmee doen wij het in onze dagelijkse routines nog niet zo gek.

Zie ook Zwarte zwaan.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Falsificatie: iedereen kan het! en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 september 2022

Voorbij de cognitieve dissonantie


Het kon zomaar gebeuren in de krant: een pagina met de kop “Schiphol weer in de lift” boven een monter verslag over weer toenemende aantallen vliegbewegingen en groeiende inkomsten. Schiphol komt de coronacrisis te boven! En op de volgende pagina een verhaal over de kwalijke bijdrage van vliegen aan de CO2-uitstoot en de noodzaak om vliegbewegingen in te perken voor het behalen van de klimaatafspraken.

Elk van de twee pagina’s had zijn eigen, goed te volgen logica, met zijn eigen wenselijke uitkomst. Maar die wenselijke uitkomsten waren wel compleet tegengesteld aan elkaar. De twee logica’s volkomen los van elkaar gepresenteerd te zien worden had iets vervreemdends. In welke wereld leef ik nu eigenlijk? En in wat voor wereld leeft de krant? Hoe rijmen die journalisten die boodschappen met elkaar? Ik ben toch niet gek? En zij toch ook niet?

Inderdaad, ze bleken niet gek. Met ingang van vorige week heeft Trouw de redacties Economie en Natuur/Duurzaamheid samengevoegd tot de redactie Duurzaamheid en Economie. Hoofdredacteur Cees van der Laan daarover: “Je ziet bij alle grote economische onderwerpen dat er een duurzaamheidsvraagstuk speelt”. De scheiding tussen duurzaamheid en economie heeft iets geforceerds gekregen. “Samenvoegen is logisch omdat er zoveel raakvlakken zijn.” 

Toch zal mijn cognitieve dissonantie niet op slag verdwijnen. Op verjaardagen en andere sociale aangelegenheden is er een grens aan wat je kunt aankaarten aan klimaatproblematiek zonder jezelf sociaal compleet te isoleren. Maar van een krant mag je inderdaad meer verwachten dan beleefdheid en sociale prudentie, want die lees je niet alleen voor je geruststelling. Een goede krant neemt diepere zorgen serieus. Alle lof voor Trouw!


Wil je commentaar geven of zien: klik op Voorbij de cognitieve dissonantie en scrol naar beneden door.

vrijdag 2 september 2022

Krijgshaftige taal


De afgelopen maanden kwamen op het Journaal al heel wat keren de eerste regels in Nederlandse vertaling van het Oekraïense volkslied voorbij. In zijn geheel luidt het als volgt:

Nog is Oekraïne’s glorie niet vergaan, noch zijn vrijheid

Nog zal het lot ons, jonge broeders, toelachen

Verdwijnen zullen onze vijanden

Als dauw in de zon

En ook wij, broeders, zullen heersen in ons eigen land

Onze ziel en ons lichaam

Zullen wij geven voor onze vrijheid

En wij zullen tonen dat wij, broeders, 

van het geslacht der Kozakken zijn.

De manier waarop het Journaal deze en andere Oekraïense patriottische teksten toont is aandachtig en ernstig, er is geen zweem van ironie of verbazing te bekennen.

Dat vind ik best opmerkelijk. We hadden het hier in het vreedzame West-Europa zo’n beetje afgeleerd om volksliederen te associëren met existentiële kwesties, alleen in Joodse context voelde ik bij het klinken van het Hatikwa de geladenheid ervan voor wie het zong of hoorde. Het Wilhelmus, de Marseillaise of Fratelli d’Italia worden toch vooral geassocieerd met voetbalwedstrijden.

Een vergelijkbare omslag doet zich voor in de presentatie op tv van militaire confrontaties. Ik kan me van de laatste decennia geen verslagen herinneren die zo uitgebreid ingaan op de tactieken van de strijdende partijen, de geografische omstandigheden en de soorten gebruikte wapens als nu het geval is bij de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Daar wordt op gedetailleerde wijze over verteld door defensiedeskundige Bob Deen en oud-Commandant der Landstrijdkrachten Mart de Kruif en soms klinkt er nauw verholen sympathie in door voor de verrichtingen van Oekraïne.

Triomfantelijke liederen, krijgshaftige taal, betrokkenheid bij een van de strijdende partijen: ze lijken weer salonfähig te zijn. Het kan verkeren.

Zie ook Proportioneel.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Krijgshaftige taal en scrol naar beneden door.

donderdag 25 augustus 2022

Management by magic?


Wie moet je geloven en wie niet? Een antwoord op die vragen is in tijden van nepnieuws en politieke demagogie geen overbodige luxe. Het leek – ooit – zo simpel en overzichtelijk: we hebben publieke leiders en politici die het beste met ons voor hebben, en die laten zich mede leiden door wetenschappelijke raadgevers. Die raadgevers op hun beurt laten zich inspireren door het wetenschappelijke ideaal van onafhankelijk onderzoek, in het volle besef dat ze in hun moeizame proces van voortdurende onderlinge kritiek en bijstelling van meningen de absolute waarheid nooit zullen bereiken. En ondertussen leveren die exacte waarheidsliefde en verbeterdrift ons mooie wonderen op zoals auto’s en democratie en genezing van ziektes.

Het was een beetje zoals met het geloof in wonderen waarover het begin van Exodus hoofdstuk 4 ons vertelt. Mozes maakt bezwaar tegen de leidersrol die Eeuwige hem oplegt, want de mensen zullen hem niet geloofwaardig vinden en niet naar hem luisteren. Dan laat de Eeuwige hem een staf in een slang veranderen en nog meer wonderen verrichten. Mozes is niet direct overtuigd, maar de boodschap achter deze wonderen is niettemin duidelijk: het licht van de waarheid (Tora) zal gepaard gaan met wonderen, en die wonderen bevestigen de waarheid van de Tora. Het goede en het wonderbaarlijke gaan hand in hand, en dat maakt de zaak geruststellend overzichtelijk. 

Maar het Bijbelboek Deuteronomium, dat stamt uit een later moment in de geschiedenis van Israël, gelooft niet meer in die vanzelfsprekende verbinding van het goede en het wonderbaarlijke. Daar staat in hoofdstuk 13 vers 2: “Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen – luister dan niet naar wat hij zegt…Blijf de Eeuwige, uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag”. Kennelijk zijn er in de loop van de tijd té veel pijnlijke en verwarrende ervaringen opgedaan met verleidelijke profeten en andere wonderdoeners die wel indruk konden maken maar een valse boodschap hadden. Dat is verwarrend, want wie kun je dan nog geloven, als wonderen niks zeggen?

Er resteert nog maar één criterium: geen boodschap volgen die oproept tot het volgen van andere goden. Verleidelijke spectaculaire goocheltrucs zijn geen garantie voor de toekomst. Ik zet de vergelijking met huidige wonderboodschappers voort en moet denken aan een bericht in de krant van deze week. Een wetenschapper voorspelt, samen met de boeren, zodanige technische innovaties dat geen andere maatregelen voor het terugdringen van stikstof meer nodig zijn. Afgemeten aan de stand van de oprechte wetenschap impliceert dit een wonder. Deze wetenschapper verlaat daarmee het pad van kritische zelfreflectie en integriteit dat goede wetenschap kenmerkt. Dat pad heeft met die kenmerken (misschien niet toevallig) veel weg van het uiteindelijke pad van de ene God van de Tora. Moeizaam en met mogelijk onwelgevallige uitkomsten, maar geen reden om andere goden en hun verleidelijke drogredeneringen achterna te lopen.

Zie ook Winter en woestijn.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Management by magic? en scrol naar beneden door.

vrijdag 19 augustus 2022

Disproportioneel geweld


“De wraak van de staat Israël heeft waarlijk oudtestamentische proporties”, schrijft Anton van Hooff in NRC van 12 augustus, naar aanleiding van de disproportionaliteit van aantallen dodelijke slachtoffers in de diverse ‘Gazarondes’ sinds 2008. Die disproportionaliteit is inderdaad schokkend: 5298 aan Palestijnse kant, 52 aan Israëlische kant. 

Maar het is nergens voor nodig om daarvoor het woord ‘oudtestamentisch’ te gebruiken. Ik schat in dat die wanverhouding ongeveer gelijk is aan de scores die gehaald werden toen gedurende de afgelopen eeuwen het imperialistische Christelijke Westen de gekoloniseerde rest van de wereld afschuimde: 1 slachtoffer aan Westerse kant tegen 100 aan de andere kant. Dus dat imperialistische gedrag mag je net zo goed ‘nieuwtestamentisch’ noemen. 

Maar waarom zou je een oude, uiterst vernietigend gebleken tegenstelling nieuw leven inblazen, als het ook in andere bewoordingen gezegd kan worden? ‘Imperialistisch’ is een goed woord voor aanduiding van het gedrag van het Europa van toen en het Israël van nu. Laat de testamenten erbuiten.


Wil je commentaar geven of zien: klik op Disproportioneel geweld en scrol naar beneden door.